id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.1 Rolnummer: C.18.0079.N Zaak: D. contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-06-10 Raadplegingen: 681 - laatst gezien 2026-06-19 04:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche De miskenning van het gezag van gewijsde vereist dat in een andere rechtspleging over eenzelfde punt opnieuw uitspraak wordt gedaan. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Miskenning van het gezag van gewijsde - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.18.0079.N J. D., eiser, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 19 januari 2018 (nr. G.17.0170.N), vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, tegen Matthias GESQUIÈRE, advocaat, met kantoor te 9000 Gent, Rijsenbergstraat 148, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van RLC Europe bvba, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 september
- Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 780, 3°, Gerechtelijk Wetboek bevat het vonnis onder meer, op straffe van nietigheid, het onderwerp van de vordering, dit is het voorwerp van de vordering. De rechter kan aan de verplichting om het voorwerp van de vordering in zijn vonnis te vermelden voldoen door te verwijzen naar de door de partijen neergelegde gedingstukken, mits blijkt over welke gedingstukken het gaat.
- De appelrechter die voor de uiteenzetting van het voorwerp van de vordering in hoger beroep verwijst naar "de procedurestukken in hoger beroep", waarmee hij kennelijk de laatste syntheseconclusies van de partijen bedoelt, voldoet aan de in artikel 780, 3°, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verplichting. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel dat machtsafwending verbiedt. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van dergelijk algemeen rechtsbeginsel, is het niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is het vonnis een eindvonnis in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Krachtens het tweede lid van deze bepaling kan de rechter die zijn rechtsmacht over een geschilpunt heeft uitgeput, terzake niet meer worden geadieerd, behoudens de bij dit wetboek bepaalde uitzonderingen. Deze bepaling staat niet eraan in de weg dat de rechter oordeelt dat het hoger beroep ontoelaatbaar is en dat het, in de veronderstelling dat het toelaatbaar zou zijn, bovendien ongegrond is.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen.
- Krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van het rechterlijk gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld. Hieruit volgt dat voor de miskenning van het gezag van gewijsde vereist is dat in een andere rechtspleging over eenzelfde punt opnieuw uitspraak wordt gedaan.
- De appelrechter die, na te hebben geoordeeld dat het hoger beroep ontoelaatbaar is, in hetzelfde arrest oordeelt dat "zelfs indien het hoger beroep toelaatbaar zou zijn, het [dan nog] ongegrond [zou] zijn", miskent het gezag van gewijsde van zijn beslissing over de ontoelaatbaarheid niet. In zoverre het onderdeel van het tegenovergestelde uitgaat, kan het niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het is niet tegenstrijdig eensdeels te beslissen dat "het hoger beroep ontoelaatbaar [is]", en anderdeels, dat "zelfs indien het hoger beroep toelaatbaar zou zijn, het [dan nog] ongegrond [zou] zijn". Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechter dat "het hoger beroep ontoelaatbaar [is]", is, gelet op het in het tweede middel tevergeefs bekritiseerde oordeel dat "zelfs indien het hoger beroep toelaatbaar zou zijn, het [dan nog] ongegrond [zou] zijn", bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 644,13 euro in debet. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 28 mei 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241031.1F.3 ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250408.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221205.3N.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251002.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div