← België

P. contra STAD VILVOORDE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.17 Rolnummer: C.19.0210.N Zaak: P. contra STAD VILVOORDE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-06-10 Raadplegingen: 858 - laatst gezien 2026-06-19 05:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wetgever heeft als aanvangspunt van de verjaring van vorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid de dag beoogd waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de persoon die aansprakelijk kan worden gesteld, en niet de dag waarop hij moet worden vermoed hiervan kennis te hebben gehad

(1).
(1)Cass. 5 september 2014, AR C.12.0275.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140905.3, AC 2014, nr. 493, met concl. van advocaat-generaal Ch. Vandewal; Cass. 26 april 2012, AR C.11.0143.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120426.3, AC 2012, nr. 260, met concl. van advocaat-generaal Ch. Vandewal. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Allerlei Vrije woorden: Vorderingen tot vergoeding van schade - Verjaring - Termijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0210.N
  1. R. P.,
  2. HOUT IMPORT BOIS CESAR PARMENTIER nv, met zetel te 1030 Schaarbeek, Rogierlaan 120, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.679.977,
  3. IMMOBILIERE FRANCOIS LOCHTEN nv, met zetel te 1030 Schaarbeek, Rogierlaan 120, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0402.636.013, eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, tegen STAD VILVOORDE, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Grote Markt, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.514.474, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/
  4. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 november
  5. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  6. Overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek verjaren vorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op de dag waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever als aanvangspunt van de bedoelde verjaring de dag heeft beoogd waarop de benadeelde daadwerkelijk kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de persoon die aansprakelijk kan worden gesteld, en niet de dag waarop hij moet worden vermoed hiervan kennis te hebben gekregen.
  7. De appelrechter stelt vast dat: - uit artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek volgt dat de schade ontstaat en de verjaring dus begint te lopen zodra de benadeelde kennis heeft van die schade, al is de uiteindelijke omvang van die schade op dat ogenblik nog niet bekend, en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon; - aan het begrip ‘kennis van de schade' een geobjectiveerde en normatieve betekenis dient te worden toegekend en het niet volstaat af te gaan op de subjectieve verklaringen van de benadeelde omdat hierdoor de benadeelde zelf zou kunnen beslissen wanneer een verjaringstermijn begint te lopen; - zodoende de vraag dient te worden gesteld wanneer een normaal zorgvuldige benadeelde, geplaatst in dezelfde omstandigheden, redelijkerwijze op de hoogte zou geweest zijn van de schade; - de eisers wisten en minstens behoorden te weten als normaal zorgvuldig bedrijf geplaatst in dezelfde omstandigheden dat zij sedert 15 maart 2001 geen nieuwe milieuvergunning meer zouden verkrijgen en dat de hen verleende milieuvergunning voor drie jaar enkel bedoeld was om hen in staat te stellen het bedrijf te herlokaliseren; - zoals de eerste rechter terecht heeft gesteld, de schade van de eisers is ontstaan op 15 maart 2001 aangezien de eisers op dat ogenblik wisten, minstens behoorden te weten, dat zij op de site waar het bedrijf gelegen was verder geen bedrijfsactiviteiten meer konden uitoefenen en dat er moest uitgeweken worden naar andere bedrijfsterreinen waar die mogelijkheid wel bestond.
  8. De appelrechter die op grond van deze redenen de vordering van de eisers verjaard verklaart, zonder te preciseren of de eisers daadwerkelijke dan wel vermoede kennis van de schade hebben, maakt de controle op de wettigheid van het arrest onmogelijk. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  9. De beslissing van de appelrechter om de vordering tot het opmaken van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat een ruimtelijke oplossing biedt voor de site Parmentier, als vordering tot schadevergoeding in natura, af te wijzen omwille van het intreden van de verjaring, maakt, om de redenen aangehaald in het antwoord op het eerste onderdeel, de controle op de wettigheid ervan onmogelijk. Het onderdeel is gegrond. Omvang van cassatie
  10. De beslissing om de vordering tot het opmaken van een ruimtelijk uitvoeringsplan verjaard te verklaren op grond van artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek is nauw verbonden met de beoordeling van de aard van de vordering, zodat de vernietiging ervan zich uitstrekt tot de beslissing om dezelfde vordering als nieuw af te wijzen ‘indien het een zelfstandige vordering betreft - die geen uitstaans heeft met het vergoeden van schade'. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 28 mei 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120426.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140905.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.