id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.2 Rolnummer: P.19.0985.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2020-06-04 Raadplegingen: 987 - laatst gezien 2026-06-28 11:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 205 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het openbaar ministerie bij het appelgerecht op straffe van verval binnen veertig dagen te rekenen vanaf de uitspraak van het vonnis zijn beroep moet betekenen aan de beklaagde; die bepaling bevat enkel een verval termijn voorgeschreven op straffe van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep voor het instellen van het hoger beroep, maar geen voorschriften voor de betekening van de akte van hoger beroep. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Hoger beroep van het openbaar ministerie bij het appelgerecht - Betekening aan de beklaagde - Termijn - Draagwijdte Fiche 2 In strafzaken wordt de betekening van de dagvaarding geregeld door de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre de toepassing ervan verenigbaar is met de wetsbepalingen en de rechtsbeginselen van de strafvordering; de toepassing van artikel 861 Gerechtelijk Wetboek op de wijze van betekening van een dagvaarding in strafzaken is onverenigbaar met de rechtsbeginselen van de strafvordering
(1).
(1)In deze zaak zijn het de regels inzake de wijze van betekening die niet werden gerespecteerd, aangezien de beklaagde tot tweemaal toe verkeerdelijk werd gedagvaard, éénmaal op een vroeger adres en de tweede keer door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie, terwijl uit de stukken bleek dat hij een adres had in de Verenigde Staten. Artikel 40 Gerechtelijk Wetboek bepaalt de verschillende wijzen van betekening en artikel 47bis Gerechtelijk Wetboek stelt dat de bepalingen inzake betekeningen en kennisgevingen zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Artikel 47bis werd ingevoerd door de wet van 25 mei 2018, BS 30 mei 2018 (Potpourri VI), die ook een tweede lid toevoegde aan het artikel 861 Gerechtelijk Wetboek en de vraag die hier dus rees was of de nietigheidsregels van art. 861 Gerechtelijk Wetboek hierop van toepassing zijn. De rechtspraak inzake de sanctionering van de betekening van een dagvaarding in strafzaken vertoont een gevarieerd beeld (zie overzicht in het Jaarverslag Hof van Cassatie 2005, 230-236; ook B. DE SMET, De handhaving en relativering van strafvorderlijke voorschriften, in P. TRAEST en A. DE NAUW (eds.), Wie is er bang van het strafrecht, Mys Breesch, Gent, 1998, 127; P. TRAEST en T. GOMBEER, "Raakvlakken tussen het strafproces en de burgerlijke rechtspleging" in X., Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Kluwer, 2015, 164-167. Hierbij dient vastgesteld te worden dat het merendeel van de uitspraken die artikel 861 toepasselijk verklaren op de betekening in strafzaken betrekking hebben op de vormvereisten voor het betekeningsexploot en niet op de wijze van betekening (Cass. 15 februari 1977, AC 1977, p. 661, RW 1976-77, 2466 met concl. van advocaat-generaal H. LENAERTS; Cass. 29 maart 1995, AR P.94.1400.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950329.4, AC 1995, nr. 175; RW 1996-97, 915 met noot L. VAN OVERBEKE, "Onregelmatigheid van de dagvaarding in strafzaken". In deze beide arresten werd beslist dat de niet-vermelding van de hoedanigheid van de persoon aan wie het exploot is afgegeven, enkel leidt tot nietigverklaring indien belangenschade wordt ingeroepen. Wat de sanctionering van een schending van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek betreft oordeelde het Hof in een arrest van 11 mei 1993 (Cass. 11 mei 1993, AR nr. 6899, AC 1993, nr. 230) dat door de betekening van het hoger beroep van het OM aan de woonplaats waar de beklaagde niet meer was ingeschreven, er geen rechtsgeldig hoger beroep was ingesteld. Het verwierp hierbij de stelling van advocaat-generaal D'HOORE (zie noot onder het arrest) die oordeelde dat het bestreden vonnis terecht de principes van de belangenschade had toegepast (zie ook Cass. 15 september 1993, ARP.93.0234.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930915.9, AC 1993, nr. 349). Evenwel werd in een arrest van 7 juni 1994 (Cass. 7 juni 1994, AR nr. 7267, AC 1994, nr. 291) geoordeeld dat de betekening aan OM bij een gekende woonplaats niet verhindert dat de strafrechter is geadieerd. Dat arrest oordeelde tevens dat wanneer de beklaagde zijn recht van verdediging heeft uitgeoefend door verzet aan te tekenen tegen het bij verstek gewezen vonnis de toepassing van artikel 40, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek (oud) wordt opzij gezet. Dit arrest werd in een noot door A. DE NAUW (R. Cass. 1994, 345-34, "De gevolgen van een foutieve wijze van betekenen in strafzaken") bekritiseerd. De auteur is van oordeel dat de nietigheid bij een schending van de betekeningswijzen bepaald in artikel 40 Gerechtelijk Wetboek "radicaal" is en er in deze hypothese geen herstel mogelijk is dan door een nieuwe regelmatig betekende dagvaarding of vrijwillige verschijning, vermits het recht van verdediging is miskend. In een arrest van 12 september 2000 (Cass. 12 september 2000, AR P.98.0944.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000912.6, AC 2000, nr. 461) werd evenwel op deze rechtspraak teruggekomen en werd geoordeeld dat een betekening aan OM terwijl de woonplaats is gekend, ongedaan is en de zaak aldus niet regelmatig is aanhangig gemaakt. De rechtsleer lijkt overwegend negatief te staan tegen een toepassing van artikel 861 Gerechtelijk Wetboek op onregelmatigheden die zich bij de betekening in strafzaken voordoen, zonder hierbij evenwel altijd een duidelijk onderscheid te maken tussen de vorm en de wijze van betekening (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 6de editie, 935, die stelt dat de regels van art. 861 e.v. Gerechtelijk Wetboek nooit van toepassing zijn). Geargumenteerd wordt dat het begrip "belangenschade" eigen is aan de rechtspleging in burgerlijke zaken en niet geschikt is om te worden aangewend in het strafprocesrecht, dat een eigen structuur heeft en berust op een eigen waardepatroon (B. DE SMET, "De handhaving en relativering van strafvorderlijke voorschriften", in P. TRAEST en A. DE NAUW (eds.), Wie is er bang van het strafrecht, Mys Breesch, Gent, 1998, 109, 144-145; P. TRAEST en T. GOMBEER, "De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in strafzaken", in CBR Jaarboek 2009-2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, nr. 73; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, Antwerpen, 2012, nr. 2054 met verwijzing naar A. DE NAUW, "De hantering van de begrippen 'belang' en 'normdoel' bij de toepassing van de nietigheidssanctie wegens niet-naleving van de regels uit het strafprocesrecht", Liber amicorum Marcel Storme, 1995, 102-119). Volgens R. VERSTRAETEN is het aangewezen het tweevoudig toetsingscriterium (nietigheid is er alleen wanneer een wezenlijk deel van de akte ontbreekt of wanneer door de onregelmatigheid het recht van verdediging werd miskend) dat wordt gebruikt voor de sanctionering van de niet-naleving van de inhoudelijke vereisten van de dagvaarding ook te gebruiken voor de beoordeling van alle onregelmatigheden bij de betekening en artikel 861 Gerechtelijk Wetboek aldus buiten toepassing te laten. AW Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Vrije woorden: Strafzaken - Hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht - Betekening aan de beklaagde - Nietige betekening - Artikel 861 Gerechtelijk Wetboek - Toepasselijkheid in strafzaken Fiches 3 - 4 De betekening van een dagvaarding in strafzaken in strijd met de bepalingen van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek leidt tot de nietigheid van de betekening indien deze onregelmatigheid het recht van verdediging van de beklaagde miskent; of er een miskenning is van het recht van verdediging moet worden beoordeeld op basis van het strafproces in zijn geheel en een eventuele miskenning van dit recht tijdens de procedure bij verstek kan worden geremedieerd door de behandeling van de zaak op verzet waarbij de beklaagde alle processuele grieven kan laten gelden
(1).
(1)In deze zaak zijn het de regels inzake de wijze van betekening die niet werden gerespecteerd, aangezien de beklaagde tot tweemaal toe verkeerdelijk werd gedagvaard, éénmaal op een vroeger adres en de tweede keer door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie, terwijl uit de stukken bleek dat hij een adres had in de Verenigde Staten. Artikel 40 Gerechtelijk Wetboek bepaalt de verschillende wijzen van betekening en artikel 47bis Gerechtelijk Wetboek stelt dat de bepalingen inzake betekeningen en kennisgevingen zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Artikel 47bis werd ingevoerd door de wet van 25 mei 2018, BS 30 mei 2018 (Potpourri VI), die ook een tweede lid toevoegde aan het artikel 861 Gerechtelijk Wetboek en de vraag die hier dus rees was of de nietigheidsregels van art. 861 Gerechtelijk Wetboek hierop van toepassing zijn. De rechtspraak inzake de sanctionering van de betekening van een dagvaarding in strafzaken vertoont een gevarieerd beeld (zie overzicht in het Jaarverslag Hof van Cassatie 2005, 230-236; ook B. DE SMET, “De handhaving en relativering van strafvorderlijke voorschriften”, in P. TRAEST en A. DE NAUW (eds.), Wie is er bang van het strafrecht, Mys & Breesch, Gent, 1998, 127; P. TRAEST en T. GOMBEER, “Raakvlakken tussen het strafproces en de burgerlijke rechtspleging” in X., Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Kluwer, 2015, 164-
- Hierbij dient vastgesteld te worden dat het merendeel van de uitspraken die artikel 861 toepasselijk verklaren op de betekening in strafzaken betrekking hebben op de vormvereisten voor het betekeningsexploot en niet op de wijze van betekening (Cass. 15 februari 1977, AC 1977, p. 661, RW 1976-77, 2466 met concl. van advocaat-generaal H. LENAERTS; Cass. 29 maart 1995, AR P.94.1400.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950329.4, AC 1995, nr. 175; RW 1996-97, 915 met noot L. VAN OVERBEKE, “Onregelmatigheid van de dagvaarding in strafzaken”. In deze beide arresten werd beslist dat de niet- vermelding van de hoedanigheid van de persoon aan wie het exploot is afgegeven, enkel leidt tot nietigverklaring indien belangenschade wordt ingeroepen. Wat de sanctionering van een schending van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek betreft oordeelde het Hof in een arrest van 11 mei 1993 (Cass. 11 mei 1993, AR nr. 6899, AC 1993, nr. 230) dat door de betekening van het hoger beroep van het OM aan de woonplaats waar de beklaagde niet meer was ingeschreven, er geen rechtsgeldig hoger beroep was ingesteld. Het verwierp hierbij de stelling van advocaat-generaal D’HOORE (zie noot onder het arrest) die oordeelde dat het bestreden vonnis terecht de principes van de belangenschade had toegepast (zie ook Cass. 15 september 1993, AR P.93.0234.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930915.9, AC 1993, nr. 349). Evenwel werd in een arrest van 7 juni 1994 (Cass. 7 juni 1994, AR nr. 7267, AC 1994, nr. 291) geoordeeld dat de betekening aan OM bij een gekende woonplaats niet verhindert dat de strafrechter is geadieerd. Dat arrest oordeelde tevens dat wanneer de beklaagde zijn recht van verdediging heeft uitgeoefend door verzet aan te tekenen tegen het bij verstek gewezen vonnis de toepassing van artikel 40, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek (oud) wordt opzij gezet. Dit arrest werd in een noot door A. DE NAUW (R. Cass. 1994, 345-34, “De gevolgen van een foutieve wijze van betekenen in strafzaken”) bekritiseerd. De auteur is van oordeel dat de nietigheid bij een schending van de betekeningswijzen bepaald in artikel 40 Gerechtelijk Wetboek “radicaal” is en er in deze hypothese geen herstel mogelijk is dan door een nieuwe regelmatig betekende dagvaarding of vrijwillige verschijning, vermits het recht van verdediging is miskend. In een arrest van 12 september 2000 (Cass. 12 september 2000, AR P.98.0944.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000912.6, AC 2000, nr. 461) werd evenwel op deze rechtspraak teruggekomen en werd geoordeeld dat een betekening aan OM terwijl de woonplaats is gekend, ongedaan is en de zaak aldus niet regelmatig is aanhangig gemaakt. De rechtsleer lijkt overwegend negatief te staan tegen een toepassing van artikel 861 Gerechtelijk Wetboek op onregelmatigheden die zich bij de betekening in strafzaken voordoen, zonder hierbij evenwel altijd een duidelijk onderscheid te maken tussen de vorm en de wijze van betekening (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 6de editie, 935, die stelt dat de regels van art. 861 e.v. Gerechtelijk Wetboek nooit van toepassing zijn). Geargumenteerd wordt dat het begrip “belangenschade” eigen is aan de rechtspleging in burgerlijke zaken en niet geschikt is om te worden aangewend in het strafprocesrecht, dat een eigen structuur heeft en berust op een eigen waardepatroon (B. DE SMET, “De handhaving en relativering van strafvorderlijke voorschriften”, in P. TRAEST en A. DE NAUW (eds.), Wie is er bang van het strafrecht, Mys & Breesch, Gent, 1998, 109, 144-145; P. TRAEST en T. GOMBEER, “De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in strafzaken”, in CBR Jaarboek 2009-2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, nr. 73; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, Antwerpen, 2012, nr. 2054 met verwijzing naar A. DE NAUW, "De hantering van de begrippen belang en normdoel bij de toepassing van de nietigheidssanctie wegens niet-naleving van de regels uit het strafprocesrecht", Liber amicorum Marcel Storme, 1995, 102-119). Volgens R. VERSTRAETEN is het aangewezen het tweevoudig toetsingscriterium (nietigheid is er alleen wanneer een wezenlijk deel van de akte ontbreekt of wanneer door de onregelmatigheid het recht van verdediging werd miskend) dat wordt gebruikt voor de sanctionering van de niet-naleving van de inhoudelijke vereisten van de dagvaarding ook te gebruiken voor de beoordeling van alle onregelmatigheden bij de betekening en artikel 861 Gerechtelijk Wetboek aldus buiten toepassing te laten. AW Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Vrije woorden: Strafzaken - Hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht - Betekening aan de beklaagde - Nietige betekening - Artikelen 40 en 47bis Gerechtelijk Wetboek - Recht van verdediging - Beoordeling - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Hoger beroep door het openbaar ministerie bij het appelgerecht - Betekening aan de beklaagde - Nietige betekening - Artikelen 40 en 47bis Gerechtelijk Wetboek - Beoordeling - Draagwijdte Fiches 5 - 6 De in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, bepaalde herhaling betreft een persoonlijke omstandigheid die eigen is aan de dader van het verkeersmisdrijf en die een invloed heeft op de straf; bijgevolg is deze herhaling begrepen in de grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, die betrekking heeft op de strafmaat, ook al leidt het aannemen ervan tot het bevelen van een beveiligingsmaatregel. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Hoger beroep door openbaar ministerie - Grief met betrekking op de strafmaat - Wegverkeerswet - Artikel 38, § 6 - Verval van het recht tot sturen - Herhaling - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Artikel 38, § 6 - Verval van het recht tot sturen - Herhaling - Aard - Hoger beroep door het openbaar ministerie over de strafmaat - Draagwijdte - Gevolg Fiches 7 - 8 Uit de bepaling van artikel 187, § 10, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de rechter de door het verzet veroorzaakte kosten, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van betekening van het vonnis, niet ten laste van de verzet doende partij kan laten, tenzij hij vaststelt dat het verstek aan hem te wijten is. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Kosten veroorzaakt door het verzet - Artikel 187, § 10, Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Kosten veroorzaakt door het verzet - Artikel 187, § 10, Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2021-22, nr. 17, p. 678-
- - VAN DEN STEEN, Lientje; Noot'De betekening van een dagvaarding in strafzaken' Tekst van de beslissing Nr. P.19.0985.N B C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 3 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 205 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 40, 47bis en 861 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis dat vaststelt dat de betekening van de dagvaarding van de akte in hoger beroep nietig is, oordeelt ten onrechte dat dit een relatieve nietigheid betreft die enkel bij bewijs van belangenschade kan worden gesanctioneerd; in het strafproces is een proceshandeling nietig wanneer de onregelmatigheid het recht van verdediging miskent; dit is het geval vermits de eiser zich tijdens de behandeling bij verstek, waarop de appelrechters zich reeds een eerste beeld van de zaak hebben gevormd, niet kon verdedigen en hij niet in de mogelijkheid was om tijdig een volgappel tegen het voormelde hoger beroep in te stellen; de foutieve betekening van de dagvaarding kan enkel worden hersteld door een nieuwe regelmatig betekende dagvaarding van de akte in hoger beroep en niet door het aantekenen van verzet; tevens zijn eisers belangen geschaad doordat hij de kosten veroorzaakt door het verzet zelf moet dragen; bovendien voorziet artikel 205 Wetboek van Strafvordering zelf in een sanctie voor de niet-regelmatige betekening, met name de onontvankelijkheid van het hoger beroep.
- Artikel 205 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het openbaar ministerie bij het appelgerecht op straffe van verval binnen de veertig dagen te rekenen vanaf de uitspraak van het vonnis zijn beroep moet betekenen aan de beklaagde. Die bepaling bevat enkel een vervaltermijn voorgeschreven op straffe van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep voor het instellen van het hoger beroep, maar geen voorschriften voor de betekening van de akte van hoger beroep. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In strafzaken wordt de betekening van de dagvaarding geregeld door de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre de toepassing ervan verenigbaar is met de wetsbepalingen en de rechtsbeginselen van de strafvordering.
- De toepassing van artikel 861 Gerechtelijk Wetboek op de wijze van betekening van een dagvaarding in strafzaken is onverenigbaar met de rechtsbeginselen van de strafvordering. De betekening van een dagvaarding in strafzaken in strijd met de bepalingen van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek leidt tot de nietigheid van de betekening indien deze onregelmatigheid het recht van verdediging van de beklaagde miskent.
- Of er een miskenning is van het recht van verdediging moet worden beoordeeld op basis van het strafproces in zijn geheel. Een eventuele miskenning van dit recht tijdens de procedure bij verstek kan worden geremedieerd door de behandeling van de zaak op verzet waarbij de beklaagde alle processuele grieven kan laten gelden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser zijn recht van verdediging heeft uitgeoefend door het aantekenen van een regelmatig en tijdig verzet, alsook door het gegeven dat hij op deze rechtszitting werd vertegenwoordigd door een raadsman. Deze beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor het appelgerecht heeft aangevoerd dat het gegeven dat hij niet in de mogelijkheid was om tijdig een volgappel tegen het hoger beroep van het openbaar ministerie in te stellen, zijn recht van verdediging heeft miskend. In zoverre is het middel nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Voor het overige vereist het middel, gelet op het hierna ambtshalve aangevoerde middel geen antwoord. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 205 en 210 Wetboek van Strafvordering en artikel 38, § 6, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser zich in staat van bijzondere herhaling bevindt zodat de beveiligingsmaatregelen, bepaald in voormeld artikel 38, § 6, kunnen worden opgelegd; het beroepen vonnis heeft geoordeeld dat de verzwarende omstandigheid van de herhaling in de zin van deze bepaling niet van toepassing was; het openbaar ministerie heeft in zijn grievenformulier enkel de strafmaat aangekruist, maar geen concrete grief geformuleerd tegen deze specifieke beslissing; aldus valt de beoordeling of de eiser zich de bedoelde staat van herhaling bevindt buiten de saisine van de appelrechters.
- De in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalde herhaling betreft een persoonlijke omstandigheid die eigen is aan de dader van het verkeersmisdrijf en die een invloed heeft op de straf. Bijgevolg is deze herhaling begrepen in de grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, die betrekking heeft op de strafmaat, ook al leidt het aannemen ervan tot het bevelen van een beveiligingsmaatregel. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 187, § 10, Wetboek van Strafvordering
- Artikel 187, § 10, Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer: "(...) de door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van de betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is."
- Uit deze bepaling volgt dat de rechter de door het verzet veroorzaakte kosten, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van betekening van het vonnis, niet ten laste van de verzetdoende partij kan laten, tenzij hij vaststelt dat het verstek aan hem te wijten is. Met de vaststelling dat bij de betekeningen van het bevel tot dagvaarding dat aanleiding gaf tot het verstekvonnis de regels van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek niet zijn gerespecteerd zodat deze betekeningen overeenkomstig artikel 47bis Gerechtelijk Wetboek nietig zijn, geeft het appelgerecht te kennen dat het verstek niet aan de eiser is te wijten. Het veroordeelt vervolgens de eiser tot alle door het verzet veroorzaakte kosten, "het verstek aan [de eiser] te wijten zijnde". Deze beslissing is niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot de door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vijf zesden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 82,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 2 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240507.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930915.9 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950329.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000912.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230329.2F.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div