← België

P. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.7 Rolnummer: P.20.0485.N Zaak: P. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-06-04 Raadplegingen: 651 - laatst gezien 2026-06-28 15:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De vrijheidsberoving van een vreemdelinge die niet over een geldig verblijfsdocument noch over een geldige arbeidskaart beschikt en bij een administratieve controle door de politie en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op heterdaad wordt betrapt bij illegale tewerkstelling, waarbij zij van haar vrijheid wordt beroofd, waarna haar een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering wordt betekend bij toepassing van artikel 7, eerste lid, 8°, tweede en derde lid, en artikel 74/14, § 3, 1°, Vreemdelingenwet, vereist niet dat er een huiszoekingsbevel wordt uitgevaardigd. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Vrijheidsberoving - Verwijdering van het grondgebied - Administratieve controle door politie en RSZ - Betrapping op heterdaad bij illegale tewerkstelling - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 7, eerste lid, 8°, tweede en derde lid, en 74/14, § 3, 1° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Fiche 2 Hoewel het wettigheidstoezicht van de administratieve beslissing het toezicht op de juistheid van de feitelijke gegevens omvat waarop die beslissing berust, kan daaruit niet worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht moet nagaan of de politie een proces-verbaal heeft opgesteld met betrekking tot de feiten die aan de beslissing tot verwijdering en vasthouding van de vreemdeling ten grondslag liggen; uit de enkele omstandigheid dat uit het administratief dossier niet blijkt dat er een dergelijk proces-verbaal werd opgesteld, volgt niet dat de dienst Vreemdelingenzaken zijn beslissing niet heeft gemotiveerd of dat het onderzoeksgerecht moet besluiten dat het onmogelijk was de wettigheid daarvan na te gaan

(1).
(1)Cass. 9 december 2015, AR P.15.1497.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151209.1, AC 2015, nr. 735. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Vrijheidsberoving - Illegaal verblijf - Motivering van de beslissing - Administratief dossier - Draagwijdte - Gevolg Fiches 3 - 4 Uit de bepalingen van artikel 7, derde en vijfde lid, Vreemdelingenwet, volgt dat de vreemdeling aan wie het bevel werd gegeven om het grondgebied te verlaten met het oog op zijn terug leiding naar de grens, vastgehouden kan worden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, zonder dat de duur van de vasthouding twee maanden te boven mag gaan en dat de minister of zijn gemachtigde deze opsluiting telkens met een periode van twee maanden kan verlengen wanneer de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na zijn opsluiting, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en wanneer de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is; uit die bepalingen volgt dat een vreemdeling niet mag worden vastgehouden en zijn opsluiting niet mag worden verlengd wanneer blijkt dat zijn effectieve verwijdering binnen een redelijke termijn niet mogelijk is maar de omstandigheid dat het tijdelijk niet mogelijk is om een vreemdeling, aan wie bevel is gegeven het grondgebied te verlaten, te verwijderen naar zijn land van herkomst gelet op de met betrekking tot de corona-epidemie genomen maatregelen, houdt niet in dat een effectieve verwijdering van de vreemdeling binnen een redelijke termijn niet mogelijk is en dat de vasthoudingsmaatregel moet worden beëindigd en het onderzoeksgerecht is daarbij niet gehouden de concrete termijn te bepalen binnen welke de verwijdering zal plaatsvinden
(1).
(1)Cass. 12 mei 2020, AR P.20.0464.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.11, AC 2020, nr. 289. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Artikel 7, derde en vijfde lid - Vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten - Opsluiting - Verlenging van de maatregel - Voorwaarden voor de verlenging - Tijdelijke onmogelijkheid tot verwijdering van de vreemdeling - Corona-epidemie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 7, derde en vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.
  1. f)- Recht op vrijheid en veiligheid - Vreemdelingenwet - Artikel 7, derde en vijfde lid - Vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten - Opsluiting - Verlenging van de maatregel - Voorwaarden voor de verlenging - Tijdelijke onmogelijkheid tot verwijdering van de vreemdeling - Corona-epidemie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 7, derde en vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0485.N L M P Z, vreemdelinge, vastgehouden, eiseres, met als raadsman mr. Pauline Delgrange, advocaat bij de balie Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, ambtshalve tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 april 2020. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1317, 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en miskenning van de algemene motiveringsplicht en van de bewijswaarde van akten: het arrest leidt uit het e-mailbericht van eerste inspecteur van de federale politie A.A. ten onrechte af dat er toestemming werd gegeven om de woning binnen te treden. 2. Het arrest oordeelt, mede door de overname van de motieven van het advies van het openbaar ministerie, dat: - uit het verslag, opgenomen in het e-mailbericht van eerste inspecteur A.A. van de cel mensensmokkel en -handel van de federale politie van 8 april 2020 afdoende blijkt dat de verbalisanten in samenwerking met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij een administratieve controle vrijwillig werden binnengelaten in de woning waar de eiseres zich ophield en dit nadat hun hoedanigheid was meegedeeld; - uit dit verslag blijkt dat de politie zich na het openen van de deur onmiddellijk heeft geïdentificeerd en pas daarna de woning werd betreden. 3. Met het in het onderdeel vermelde oordeel geven de appelrechters van het e-mailbericht een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre het onderdeel miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, mist het feitelijke grondslag. 4. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters van de bewijswaarde van het e-mailbericht en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM en artikel 15 Grondwet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de arrestatie van de eiseres wettig was, terwijl er geen sprake was van een duidelijke, voorafgaande, vrije en met kennis van zaken gegeven toestemming om de woning binnen te treden noch van een huiszoekingsbevel. 6. Uit de vaststellingen van het arrest en de door de appelrechters overgenomen motieven van het advies van het openbaar ministerie blijkt dat de eiseres niet over een geldig verblijfsdocument noch over een geldige arbeidskaart beschikte en bij een administratieve controle door de politie en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op heterdaad werd betrapt bij illegale tewerkstelling, waarbij zij van haar vrijheid werd beroofd, waarna haar een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering werd betekend bij toepassing van artikel 7, eerste lid, 8°, tweede en derde lid, en artikel 74/14, § 3, 1°, Vreemdelingenwet. Een dergelijke controle vereist als zodanig niet dat er een huiszoekingsbevel wordt uitgevaardigd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 7. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschending. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel 8. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene motiveringsplicht: het arrest is gemotiveerd op grond van een foutieve weergave van de feiten, met name dat de eiseres vrijwillig de politie zou hebben binnengelaten. 9. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschending en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1 EVRM: het politieoptreden had de bedoeling om de eiseres te verwijderen van het grondgebied met gebruik van een list. 11. Het onderdeel is niet gericht tegen het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel 12. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM, artikel 62 Vreemdelingenwet en de artikelen 1, 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beslissing tot vasthouding afdoende is gemotiveerd; de beslissing tot vasthouding is uitsluitend gebaseerd op een verwijzing naar een onbestaand proces-verbaal, zodat de motivering onjuist is en ingaat tegen de elementen van het administratief dossier; bovendien is ook de materiële motiveringsplicht miskend daar het niet klopt dat er een proces-verbaal zou worden opgesteld door de dienst Toezicht Sociale wetten. 13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de bestuurlijke beslissing tot vasthouding van de eiseres met het oog op haar verwijdering van het grondgebied werd gesteund op de volgende motieven: - er bestaat een risico op onderduiken; - de eiseres is op heterdaad betrapt voor illegale tewerkstelling; zij was niet in het bezit van een geldige arbeidskaart en er zal te haren laste door de dienst Toezicht Sociale Wetten een proces-verbaal worden opgesteld inzake illegale tewerkstelling; - gelet op deze elementen kan worden geconcludeerd dat de eiseres de administratieve beslissing die te haren laste wordt genomen niet zal opvolgen en dat er sterke vermoedens zijn dat zij zich aan de verantwoordelijke autoriteiten zal onttrekken; - hieruit blijkt dat de eiseres ter beschikking moet worden gesteld van de dienst Vreemdelingenzaken om haar aan boord te laten gaan van de eerstvolgende vlucht met bestemming Colombia. 14. De beslissing tot vasthouding is niet gebaseerd op een verwijzing naar een onbestaand proces-verbaal. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 15. Hoewel het wettigheidstoezicht van de administratieve beslissing het toezicht op de juistheid van de feitelijke gegevens omvat waarop die beslissing berust, kan daaruit niet worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht moet nagaan of de politie een proces-verbaal heeft opgesteld met betrekking tot de feiten die aan de beslissing tot verwijdering en vasthouding van de vreemdeling ten grondslag liggen. Uit de enkele omstandigheid dat uit het administratief dossier niet blijkt dat er een dergelijk proces-verbaal werd opgesteld, volgt niet dat de dienst Vreemdelingenzaken zijn beslissing niet heeft gemotiveerd of dat het onderzoeksgerecht moet besluiten dat het onmogelijk was de wettigheid daarvan na te gaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 16. Uit de hierboven aangehaalde motieven van de bestuurlijke beslissing tot vasthouding van de eiseres met het oog op haar verwijdering van het grondgebied konden de appelrechters wettig afleiden dat die beslissing afdoende is gemotiveerd, dat wil zeggen dat die beslissing de juridische en feitelijke overwegingen vermeldt die aan de grondslag ervan liggen en dat ze alle elementen bevat die de eiseres moeten toelaten de redenen te kennen waarom zij wordt vastgehouden met het oog op verwijdering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest verwijst louter naar de stelling van de verweerder om te besluiten dat er, in weerwil van de actuele coronacrisis, wel degelijk een redelijk uitzicht is op een effectieve verwijdering en weigert aldus de wettigheidscontrole uit te voeren. 18. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het onderdeel vermeld. Met eigen redenen en met overname van de redenen, vermeld in het advies van het openbaar ministerie en in de nota van 8 april 2020 van de dienst Vreemdelingenzaken, oordeelt het arrest dat: - er wel degelijk een redelijk uitzicht is op een effectieve verwijdering uit het land, daar uit de stukken van het administratief bundel blijkt dat de eiseres over een Colombiaans paspoort beschikt en derhalve kan terugkeren naar Colombia en dat zij fit-to-fly (geschikt om te vliegen) werd bevonden; - er reeds voorbereidingen werden getroffen maar een geplande terugvlucht geannuleerd diende te worden; - de omstandigheid dat er thans tijdelijk geen vliegverkeer richting Colombia zou kunnen worden georganiseerd ongetwijfeld van tijdelijke aard is; - de bevoegde minister in de kamercommissie heeft verklaard dat door het beperkte vliegverkeer en de sluiting van de grenzen verwijderingen moeilijk maar niet helemaal onmogelijk zijn; - de gebeurtenissen in de Aziatische landen erop lijken te wijzen dat er wel degelijk een vooruitzicht is op verwijdering binnen een redelijke termijn en binnen de wettelijke vasthoudingstermijn, waarbij de eiseres geen elementen bijbrengt die het tegendeel doen vermoeden. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM en artikel 7 Vreemdelingenwet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht: het arrest onderzoekt slechts of een verwijdering in het algemeen mogelijk is, zonder na te gaan of die verwijdering binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden; er moet een realistisch perspectief bestaan van verwijdering binnen een redelijke termijn opdat de vasthouding, vanaf de eerste beslissing tot vasthouding, gerechtvaardigd zou zijn; de eiseres bevindt zich reeds sinds 11 maart 2020 in administratieve detentie, de voorziene vlucht was geannuleerd omwille van de covid-19-pandemie en de eiseres had in haar conclusie aangevoerd dat er geen vluchten meer zijn tot minstens 1 juni 2020 en dat er sterke vermoedens zijn dat die maatregel nog zou worden verlengd; het arrest spreekt zich niet uit over de termijn binnen welke een verwijdering zou kunnen plaatsvinden en controleert niet of de detentie wordt gerechtvaardigd door een effectieve verwijdering binnen een redelijke termijn, en antwoordt niet op de in de conclusie aangevoerde argumentatie. 20. Artikel 5.1 EVRM bepaalt dat niemand dan langs wettelijke weg van zijn vrijheid mag worden beroofd en slechts in welbepaalde gevallen, waaronder volgens artikel 5.1.
  2. f)EVRM het geval van rechtmatige arrestatie of gevangenhouding van personen teneinde hen te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of indien tegen hen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is. 21. Tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling aan wie het bevel werd gegeven om het grondgebied te verlaten met het oog op zijn terugleiding naar de grens krachtens artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet vastgehouden worden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, meer in het bijzonder wanneer er een risico op onderduiken bestaat of wanneer de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert en zonder dat de duur van de vasthouding twee maanden te boven mag gaan. Bij toepassing van artikel 7, vijfde lid, Vreemdelingenwet kan de minister of zijn gemachtigde deze opsluiting telkens met een periode van twee maanden verlengen wanneer de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na zijn opsluiting, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en wanneer de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is. 22. Uit die bepalingen volgt dat een vreemdeling niet mag worden vastgehouden en zijn opsluiting niet mag worden verlengd wanneer blijkt dat zijn effectieve verwijdering binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. 23. De omstandigheid dat het tijdelijk niet mogelijk is om een vreemdeling, aan wie bevel is gegeven het grondgebied te verlaten, te verwijderen naar zijn land van herkomst gelet op de met betrekking tot de corona-epidemie genomen maatregelen, houdt niet in dat een effectieve verwijdering van de vreemdeling binnen een redelijke termijn niet mogelijk is en dat de vasthoudingsmaatregel moet worden beëindigd. Het onderzoeksgerecht is daarbij niet gehouden de concrete termijn te bepalen binnen welke de verwijdering zal plaatsvinden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 24. Met de in het antwoord op het eerste onderdeel aangehaalde redenen oordelen de appelrechters dat de effectieve verwijdering van de eiseres naar Colombia binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk en realistisch is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 25. Voor het overige blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet dat de eiseres op de rechtszitting voor de appelrechters een conclusie heeft ingediend. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 70,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 2 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.7 Gerelateerde publicatie(
  3. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151209.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.