← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.8 Rolnummer: P.20.0496.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-06-04 Raadplegingen: 615 - laatst gezien 2026-06-29 02:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 95/3, § 1, Wet Strafuitvoering volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt in de uitvoeringsprocedure van de terbeschikkingstelling, kennis moet kunnen nemen van een advies van de directeur dat uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de hoofdstraf moet zijn uitgebracht, maar dit geldt enkel wanneer de veroordeelde gedetineerd is

(1).
(1)Cass. 24 juli 2012, AR P.12.1185.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120724.1, AC 2012, nr. 433. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Wet Strafuitvoering - Artikel 95/3, §1 - Terbeschikkingstelling - Uitvoeringsprocedure - Advies van de directeur - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/3, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 2 De termijnen bepaald in de artikelen 95/4 en 95/5, § 1, Wet Strafuitvoering, zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en zijn evenmin vervaltermijnen.; de niet-naleving van die termijnen belet de strafuitvoeringsrechtbank niet zich uit te spreken over de terbeschikkingstelling van de veroordeelde
(1).
(1)Cass 31 mei 2016, AR P.16.0578.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160531.5, AC 2016, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Wet Strafuitvoering - Artikelen 95/4 en 95/5 - Terbeschikkingstelling - Uitvoeringsprocedure - Advies van het openbaar ministerie - Termijnen - Niet-naleving van de termijnen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 95/4 en 95/5, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0496.N M S, veroordeelde tot een vrijheidsstraf, terbeschikkinggestelde van de strafuitvoeringsrechtbank, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 28 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 95/3 Wet Strafuitvoering: de strafuitvoeringsrechtbank heeft over eisers terbeschikkingstelling geoordeeld zonder voorafgaand advies van de gevangenisdirecteur; dit was nochtans vereist omwille van eisers detentie in de gevangenis te Hasselt.
  4. Uit artikel 95/3, § 1, Wet Strafuitvoering volgt dat, indien de veroordeelde gedetineerd is, de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt in de uitvoeringsprocedure van de terbeschikkingstelling, kennis moet kunnen nemen van een advies van de directeur dat uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de hoofdstraf moet zijn uitgebracht.
  5. Het vonnis stelt vast dat de eiser niet gedetineerd was op het ogenblik van de beslissing. In die omstandigheid was het bedoelde advies niet vereist. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 95/3, 95/4 en 95/5 Wet Strafuitvoering: de strafuitvoeringsrechtbank kon zich niet meer over eisers terbeschikkingstelling uitspreken nadat de rechtszitting daarover slechts plaatsgreep op 21 april 2020, daar waar zijn proeftijd reeds op 1 mei 2020 verstrijkt; de behandeling diende te gebeuren uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de proeftijd; deze termijn betreft een vervaltermijn die is ingesteld om de veroordeelde voldoende tijd en faciliteiten te verlenen om zijn recht van verdediging te waarborgen; bovendien beschikte het openbaar ministerie over alle informatie om tijdig de procedure in te stellen in de plaats van pas na de beslissing tot niet-herroeping van 27 maart 2020, namelijk op 31 maart
  7. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen.
  8. Krachtens artikel 95/5, § 1, Wet Strafuitvoering moet de rechtszitting waarop de zaak over de terbeschikkingstelling wordt behandeld, plaatsvinden uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de hoofdstraf. Artikel 95/4 Wet Strafuitvoering bepaalt onder meer dat, indien de veroordeelde niet gedetineerd is, het openbaar ministerie daartoe een met redenen omkleed advies opstelt uiterlijk vier maanden voorafgaand aan de definitieve invrijheidstelling bepaald in de artikelen 44, § 5, 71 en 80 van die wet. Uit artikel 95/5, § 1, Wet Strafuitvoering volgt evenwel dat ingeval het advies van het openbaar ministerie niet binnen deze termijn wordt toegezonden, het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk dient uit te brengen vóór of tijdens de rechtszitting.
  9. Die termijnen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en zijn evenmin vervaltermijnen. De niet-naleving van die termijnen belet de strafuitvoeringsrechtbank niet zich uit te spreken over de terbeschikkingstelling van de veroordeelde.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 5,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 2 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120724.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160531.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.