id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.13 Rolnummer: C.19.0079.N Zaak: R. contra C. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-13 Raadplegingen: 740 - laatst gezien 2026-06-18 13:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De decreetgever beoogt met artikel 5, § 1, 3° Vlaamse Wooncode niet enkel de fysieke, materiële en structurele aanwezigheid van de nodige verwarmingsmiddelen of de mogelijkheid om die middelen op een veilige manier aan te sluiten, maar ook de continue werking van de verwarmingsinstallatie te waarborgen. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HUISHUUR - Verplichtingen van partijen Vrije woorden: Verhuurder - Elementaire woonkwaliteitsvereisten - Verwarming - Aanwezigheid van verwarmingsmiddelen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 5, § 1, 3° - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALGEMEEN Vrije woorden: Vlaamse Wooncode - Artikel 5, § 1, 3° - Elementaire woonkwaliteitsvereisten - Verwarming - Aanwezigheid van verwarmingsmiddelen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 5, § 1, 3° - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0079.N R. R., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, tegen
- D. C.,
- D. C., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het tussenvonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Leuven van 20 juni
- Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer een rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren.
- Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, Woninghuurwet moet het gehuurde goed, onverminderd de normen betreffende de woningen, opgesteld door de Gewesten bij het uitoefenen van hun bevoegdheden, beantwoorden aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid. Krachtens het zesde lid van deze bepaling, heeft de huurder, indien de door de vorige leden voorgeschreven voorwaarden niet zijn vervuld, de keuze ofwel de uitvoering te eisen van de werken die noodzakelijk zijn om het gehuurde goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerste lid, ofwel de ontbinding van de huurovereenkomst te vragen met schadevergoeding.
- Krachtens deze bepaling staan voormelde vorderingen ook open voor de huurder in geval het gehuurde goed niet beantwoordt aan de normen betreffende de woningen opgesteld door de Gewesten.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verweerders in hun appelconclusie aanvoerden, met verwijzing naar artikel 2 Woninghuurwet, dat het gehuurde goed niet voldoet aan de "elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid" omdat "het ontbreken van verwarming op bepaalde momenten en het afzetten van het warm water, [ervoor] zorgt [...] dat het pand niet voldoet aan de elementaire vereisten van bewoonbaarheid"; - de verweerders in zelfde appelconclusie vorderden de eiseres "te veroordelen tot het afzetten van de timer en het toelaten van het gebruik van warm water en verwarming en dit op elk moment van de dag", alsmede tot het betalen van een schadevergoeding wegens mindergenot; - de appelrechter vaststelt dat artikel 5, § 1, 3°, Vlaamse Wooncode vereist dat in elke woning voldoende veilige verwarmingsmiddelen aanwezig zijn; - de appelrechter oordeelt dat het beperken van de verwarming in strijd met artikel 5, § 1, 3°, Vlaamse Wooncode een wanprestatie is waarvoor de eiseres schadevergoeding verschuldigd is aan de verweerders; - de appelrechter op grond van deze redenen de eiseres veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding wegens mindergenot, evenals tot "het toelaten van het gebruik van warm water en verwarming en dit op elk moment van de dag".
- Aangezien het door de verweerders ingeroepen artikel 2 Woninghuurwet uitdrukkelijk ook verwijst naar de normen betreffende de woningen, opgesteld door de Gewesten bij het uitoefenen van hun bevoegdheden, diende de eiseres zich eraan te verwachten dat de appelrechter de bepalingen van de Vlaamse Wooncode inzake de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten in zijn redenering zou betrekken, zodat haar recht van verdediging hierdoor niet is miskend. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waardoor de appelrechter het beschikkingsbeginsel miskent. In zoverre het onderdeel miskenning van dit beginsel aanvoert, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Artikel 5, § 1, 3°, Vlaamse Wooncode bepaalt dat elke woning moet voldoen aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, die door de Vlaamse Regering nader bepaald worden, waarbij op het vlak van de verwarmingsmogelijkheden als vereisten worden vooropgesteld: vooral de aanwezigheid van voldoende veilige verwarmingsmiddelen om de woongedeelten met een woonfunctie tot een normale temperatuur te kunnen verwarmen en, indien nodig, te kunnen koelen tegen redelijke energiekosten, evenals de mogelijkheid om die middelen op een veilige manier aan te sluiten.
- De decreetgever beoogt met voormeld artikel niet enkel de fysieke, materiële en structurele aanwezigheid van de nodige verwarmingsmiddelen of de mogelijkheid om die middelen op een veilige manier aan te sluiten, maar ook de continue werking van de verwarmingsinstallatie te waarborgen. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 384,01 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 4 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220106.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div