← België

CRISTALCO SAS venn. naar Frans c. BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.2 Rolnummer: C.17.0500.N Zaak: CRISTALCO SAS venn. naar Frans c. BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2022-02-07 Raadplegingen: 507 - laatst gezien 2026-06-16 04:16 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Nu het Grondwettelijk Hof in antwoord op de door het Hof van Cassatie gestelde prejudiciële vraag geen schending weerhoudt van de artikelen 10 en 11 Grondwet door artikel 1385undecies Gerechtelijk wetboek dat voorziet in een vervaltermijn van drie maanden die niet vatbaar is voor verlenging wegens afstand, faalt het cassatiemiddel dat dergelijke schending aanvoert naar recht

(1).
(1)Zie Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0500.N, arrest niet gepubliceerd; GwH, 7 november 2019, arrest nr.168/
  1. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Geschil inzake de toepassing van de belastingwet - Vordering - Termijn - Geen verlenging wegens afstand - Geen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385undecies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Hof van Cassatie - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof - Geschil inzake de toepassing van de belastingwet - Vordering - Termijn - Geen verlenging wegens afstand - Geen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385undecies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Geschil inzake de toepassing van de belastingwet - Vordering - Termijn - Geen verlenging wegens afstand - Aangevoerde schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385undecies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0500.N CRISTALCO SAS, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75008 Parijs (Frankrijk), Rue Chateaubriand 27-29, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-regiomanager van de Administratie der Douane en Accijnzen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat
  2. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 maart
  3. Met een arrest van 28 juni 2018 heeft het Hof aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord in het arrest nr. 168/2019 van 7 november
  4. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
  5. Het Hof heeft, alvorens uitspraak te doen, in het arrest van 28 juni 2018 aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: ”Schendt artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat het voorziet in een vervaltermijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal die niet vatbaar is voor verlenging wegens afstand in toepassing van artikel 55 Gerechtelijk Wetboek, terwijl de gemeenrechtelijke verzets- en beroepstermijn wel vatbaar zijn voor verlenging wegens afstand, in toepassing van de artikelen 1048 en 1051 juncto artikel 55 Gerechtelijk Wetboek”.
  6. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 168/2019 van 7 november 2019 geoordeeld: “B.5.
  7. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek schrijft in duidelijke bewoordingen voor binnen welke termijnen de eisende partij gehouden is een vordering inzake de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet in te stellen. Van de partij, die deze vordering slechts kan instellen indien ze voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratieve beroep heeft uitgeoefend, mag redelijkerwijze worden verwacht dat zij blijk geeft van een nauwe betrokkenheid bij het verloop van dat beroep en dat zij derhalve alle dienstige maatregelen tot vrijwaring van haar rechten neemt. De belasting van de niet-ingezetenen steunt op de Belgische oorsprong van hun inkomsten of de plaats van hun goederen in België. Aldus mag worden aangenomen dat de betrokken belastingplichtige ook voldoende vertrouwd is met de Belgische fiscale geschillenregeling. B.5.
  8. De door de wetgever voorgeschreven termijn van drie maanden om een vordering in te stellen die ingaat vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep, kan niet worden beschouwd als een termijn waardoor de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats, noch gekozen woonplaats heeft, ertoe is gehouden haar verdediging te organiseren in omstandigheden die onredelijk moeilijk moeten worden geacht. B.5.
  9. Uit het voorgaande volgt dat de rechten van de partij die een vordering inzake de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet wenst in te stellen en niet de termijnverlenging wegens afstand overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek kan genieten, niet op onevenredige wijze worden beperkt.”
  10. Het Grondwettelijk Hof heeft op die gronden in zijn arrest nr. 168/2019 van 7 november 2019 beslist dat artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt. Het middel dat in zijn beide onderdelen op een andere rechtsopvatting berust, faalt in zoverre naar recht.
  11. In zoverre het middel in zijn eerste onderdeel schending aanvoert van artikel 26, § 1 en § 3, eerste en tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk hof, kan het, ook al ware het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
  12. In zoverre het middel in zijn eerste onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, voert het in werkelijkheid geen motiveringsgebrek maar een onwettigheid aan. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 968,89 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 4 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.