← België

P. contra AANNEMINGSBEDRIJF AERTSSEN nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.9 Rolnummer: C.18.0560.N Zaak: P. contra AANNEMINGSBEDRIJF AERTSSEN nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-13 Raadplegingen: 799 - laatst gezien 2026-06-25 08:51 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Nu de eis tot bindendverklaring van een te wijzen gerechtelijke beslissing van louter conservatoire aard is en enkel tot doel heeft te beletten dat de verweerder op die eis kan aanvoeren dat die beslissing haar niet kan worden tegengeworpen, volstaat het bestaan van die mogelijkheid voor de eisende partij om aan te tonen dat zij bij de vordering tot bindendverklaring belang heeft en staat het niet aan het Hof bij de uitspraak over die vordering te oordelen over betwistingen waarover partijen in het kader van een andere procedure in debat kunnen treden ook al zou hieruit blijken dat eiser geen belang heeft bij de bindendverklaring. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: Vordering tot bindendverklaring van het cassatiearrest - Belang - Beoordeling - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 15 tot 18 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: TUSSENKOMST Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Cassatiegeding - Vordering tot bindendverklaring van het arrest - Belang - Beoordeling - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 15 tot 18 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 De door artikel 16, § 3, derde lid AAV 1996 opgelegde verplichting van de aannemer om in de hypothese van bevelen van de overheid deze laatste in te lichten zodra hij de invloed die de bevelen op het verloop en de kostprijs van de opdracht zouden kunnen hebben kent of zou moeten kennen, is niet bepaald op straffe van niet-ontvankelijkheid van de op die bevelen gesteunde klachten of verzoeken. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Vrije woorden: Bevelen van de overheid - Invloed op het verloop en de kostprijs van de opdracht - Verplichting voor de aannemer - Aard Wettelijke bepalingen: Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken - 26-09-1996 - Art. 16, § 3, eerste tot en met vierde lid - 46 Link Justel databank 19960926-46 Nota: Art. 16, § 3, eerste tot en met vierde lid, AAV, gevoegd als bijlage bij het KB 26 september

  1. Tekst van de beslissing Nr. C.18.0560.N PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN TTG, afgekort POM Antwerpen, overheid van het Vlaams Gewest en van de Vlaamse Gemeenschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, tegen AANNEMINGSBEDRIJF AERTSSEN nv, met zetel te 2940 Stabroek, Laageind 91, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, mede inzake SWECO BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Arenbergstraat 13, bus 1, tot bindendverklaring opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat
  2. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 juni
  3. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 17 april 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van wederantwoord
  4. In zoverre zij niet alleen antwoordt op het door de tot bindendverklaring opgeroepen partij opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep in zoverre het tegen haar is gericht, maar tevens op het door de verweerster aangevoerde verweer over de gegrondheid van de middelen, evenals met betrekking tot de omvang van de vernietiging, is de memorie van wederantwoord niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de tot bindendverklaring opgeroepen partij
  5. De tot bindendverklaring opgeroepen partij werpt een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op in zoverre het tegen haar is gericht: de beide cassatiemiddelen zijn enkel gericht tegen de inwilliging van de hoofdvordering van de verweerster en niet tegen de afwijzing van de tegen haar gerichte vrijwaringsvordering op grond dat de eiseres geen contractuele tekortkoming in haren hoofde bewijst, zodat, waar de afwijzing van de vordering in vrijwaring definitief verworven is, niet blijkt dat de eiseres belang erbij heeft dat de tot bindendverklaring opgeroepen partij zich niet meer op het bestaan van het bestreden arrest zou kunnen beroepen in geval van vernietiging ervan.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiseres in haar laatste appelconclusie van 14 februari 2018 vorderde dat, in de mate dat de vordering van de verweerster ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard, de tot bindendverklaring opgeroepen partij zou worden veroordeeld haar te vrijwaren en dit op grond van haar contractuele aansprakelijkheid ingevolge een verkeerd concept dan wel een gebrekkige opvolging; - het arrest de vordering in vrijwaring van de eiseres tegen de tot bindendverklaring opgeroepen partij afwees als ongegrond bij gebrek aan bewijs van enige contractuele tekortkoming; - door de eiseres geen enkele grief wordt aangevoerd tegen de afwijzing van haar vordering tot vrijwaring.
  7. Krachtens artikel 23 Gerechtelijk Wetboek strekt het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond en dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.
  8. De eis tot bindendverklaring van een te wijzen gerechtelijke beslissing heeft enkel tot doel te beletten dat de verweerder op die eis, eventueel in een ander geding met de eisende partij, kan aanvoeren dat die beslissing tegen haar niet kan worden tegengeworpen. Het bestaan van die mogelijkheid voor de eisende partij volstaat om aan te tonen dat zij belang erbij heeft de beslissing verbindend te horen verklaren voor de verwerende partij. Een vordering met een dergelijk voorwerp is van louter conservatoire aard. Het staat bij de uitspraak over die vordering niet aan het Hof betwistingen te beslechten waarover de partijen eventueel in het kader van een andere tussen hen gevoerde procedure in debat kunnen treden, ook al zou uit de oplossing van die betwistingen blijken dat de eisende partij geen belang heeft bij de bindendverklaring van de beslissing.
  9. Het staat derhalve niet aan het Hof te oordelen of artikel 23 Gerechtelijk Wetboek zich verzet tegen het instellen van eender welk ander geding tussen de eiseres en de tot bindendverklaring opgeroepen partij, waarbij deze laatste belang zou hebben op te werpen dat het tussen te komen arrest haar niet tegenstelbaar is. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de tot bindendverklaring opgeroepen partij, moet worden verworpen. Eerste middel Eerste onderdeel
  10. De appelrechters oordelen dat: - aangezien "geoordeeld werd dat [de eiseres] m.b.t. de privatieve kavels aanzienlijke (verdichtings)meerwerken opdroeg aan [de verweerster] en het vaststaat dat deze meerwerken aanleiding gaven tot bijkomende werkdagen, is [de verweerster] op grond van artikel 16, §1 AAV principieel gerechtigd op het vorderen van schadevergoeding van [de eiseres] voor deze termijnschade"; - het hof van beroep immers aanvaardt "dat [de eiseres] (ingevolge haar eigen bevel) op de hoogte was van de meerwerken en hun omvang en gevolgen kon inschatten - [de eiseres] heeft ten andere nooit een proces-verbaal van ingebrekestelling uitgebracht, zodat zij nu niet ernstig kan beweren dat de termijnoverschrijding aan [de verweerster] zou te wijten zijn, quod non - en dat [de verweerster] deze niet expliciet diende te melden (art. 16 §3 AAV en Cassatie 27 oktober 2014), wat zij overigens wel gedaan heeft met haar brief van 28 februari 2014 en waaromtrent alsdan puur cijfermatig geen betwisting is gevoerd geworden door [de eiseres] in haar antwoord van 6 mei 2014".
  11. Deze door de eiseres aangevochten redenen hebben uitsluitend betrekking op het oordeel van de appelrechters inzake de vergoeding van de termijnschade. Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de appelrechters met deze redenen oordelen over de door de verweerster gevorderde prijs voor de meerwerken, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  12. Met de redenen aangehaald onder r.o. 7 verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
  13. Krachtens artikel 16, § 3, eerste lid, van de algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken, gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken, hierna AAV 1996, is de aannemer verplicht op straffe van verval, het bestuur ten spoedigste en schriftelijk in te lichten wanneer hij feiten of willekeurig welke omstandigheden vaststelt die de goede gang van de aanneming verstoren, die onder de toepassing van § 1 en § 2 vallen en waaromtrent hij bijgevolg een verlenging van de uitvoeringstermijn, de herziening of verbreking van de overeenkomst en/of schadevergoeding kan vragen. Hij moet hierbij bondig de invloed doen kennen die deze feiten hebben of zouden kunnen hebben op de opdracht of de kosten van de aanneming. Krachtens het tweede lid van artikel 16, § 3, AAV 1996 zijn niet ontvankelijk de klachten en verzoeken die door de aannemer niet te gepasten tijde aan het bestuur werden kenbaar gemaakt en waarvan het bijgevolg het bestaan en de invloed op de opdracht niet heeft kunnen nagaan teneinde eventueel de door de toestand vereiste maatregelen te nemen. Krachtens het derde lid van artikel 16, § 3, AAV 1996 zijn deze bepalingen niet toepasselijk op de bevelen van de aanbestedende overheid, zelfs indien deze slechts in het dagboek der werken werden ingeschreven zoals voorgeschreven in de artikelen 37, § 1, en 42, §
  14. In dit geval is de aannemer enkel verplicht de aanbestedende overheid in te lichten zodra hij de invloed die de bevelen op het verloop en de kostprijs van de opdracht zouden kunnen hebben, kent of zou moeten kennen. Krachtens het vierde lid van artikel 16, § 3, AAV 1996 zijn de bedoelde klachten en verzoeken in elk geval niet ontvankelijk indien de ingeroepen feiten en omstandigheden niet werden bekendgemaakt binnen de dertig kalenderdagen, ofwel nadat ze zich hebben voorgedaan, ofwel na de datum waarop de aannemer ze normaal had moeten kennen.
  15. Uit deze bepalingen volgt dat de door artikel 16, § 3, derde lid, AAV 1996 opgelegde verplichting van de aannemer om, in de hypothese van bevelen van de overheid, deze laatste in te lichten zodra hij de invloed die de bevelen op het verloop en de kostprijs van de opdracht zouden kunnen hebben, kent of zou moeten kennen, niet is bepaald op straffe van niet-ontvankelijkheid van de op die bevelen gesteunde klachten of verzoeken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. De overige grieven komen op tegen ten overvloede gegeven redenen en zijn, aangezien zij niet tot cassatie kunnen leiden, niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Tweede middel
  17. De appelrechters oordelen: "Alzo moet [de eiseres] slechts 286 werkdagen vergoeden (...) en dit aan euro 4.440,00 per dag: omtrent de concrete becijfering van de door [de verweerster] aangehaalde onderdelen (verzwaring van administratieve kosten, algemene bouwplaats onkosten en de kosten van projectleider) voert [de eiseres] geen enkele betwisting, zodat het bedrag van euro 1.269.840,00 wordt toegekend". Deze zelfstandige niet-bekritiseerde reden draagt de bestreden beslissing. Ingevolge dit oordeel waren de appelrechters niet meer gehouden te antwoorden op het in het middel bedoelde verweer, dat niet meer dienstig was. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de tot bindendverklaring opgeroepen partij tot de kosten van de betekening van de memorie van antwoord, die werd genoodzaakt door het ten onrechte opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de overige kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.570,00 euro en voor de verweerder op 169,69 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 4 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201002.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.