← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.12 Rolnummer: P.20.0598.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-10-07 Raadplegingen: 750 - laatst gezien 2026-06-19 23:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De bestanddelen van het misdrijf bepaald in artikel 328bis Strafwetboek zijn het verspreiden op om het even welke wijze van stoffen die, zonder op zichzelf een gevaar in te houden, de indruk geven gevaarlijk te zijn, waarbij de dader weet of moet weten dat hierdoor ernstige gevoelens van vrees kunnen worden teweeg gebracht voor een aanslag op personen of op eigendommen waarop een gevangenisstraf van ten minste twee jaar is gesteld; een gedraging die aan deze bestanddelen beantwoordt is strafbaar en dit ongeacht de concrete aanleiding voor de wetgever om dit misdrijf in te voeren; indien stoffen worden verspreid die daadwerkelijk gevaarlijk of schadelijk zijn is niet deze, maar desgevallend een andere strafbaarstelling van toepassing

(1).
(1)I. DE LA SERNA, "Les menaces", in Les infractions, II, Les infractions contre les personnes, Larcier, 2010, 60-61 ; H. VAN LANDEGHEM, "Bedreigingen", in Postal Memorialis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, 2017, B30, p.54; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2019, nr. 338; T. VANDROMME, "Valse bommelding/Vals alarm", Comm. Sr. 2019, p.
  1. Thesaurus CAS: BEDREIGINGEN Vrije woorden: Verspreiden van ongevaarlijke stoffen - Indruk wekken van gevaarlijke stoffen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 328bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 Het onderzoeksgerecht beoordeelt bij de handhaving van de voorlopige hechtenis voor een feit omschreven als inbreuk op artikel 328bis Strafwetboek of er in het licht van de concrete dossiergegevens ernstige aanwijzingen zijn dat het gaat om een ongevaarlijke stof die de indruk geeft gevaarlijk te zijn; die beoordeling vereist niet noodzakelijk dat de stof die werd verspreid, wordt getest of dat hij die de stof heeft verspreid, wordt getest. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Verspreiden van ongevaarlijke stoffen - Indruk wekken van gevaarlijke stoffen - Geen test van de stof - Invloed Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Verspreiden van ongevaarlijke stoffen - Indruk wekken van gevaarlijke stoffen - Geen test van de stof - Invloed Annotaties Publicaties: PR-Politie recht - 2021, nr. 3, p. 142-
  2. - BOLLENS, Sven; VANPARIJS, Sam; Noot'Politiewerk tijdens de coronapandemie en de omvang met coronaspuwers' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0598.N B B A, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 mei
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Het arrest oordeelt dat er wat betreft de telastlegging B van gewapende weerspannigheid onvoldoende aanwijzingen zijn van schuld betreffende de verzwarende omstandigheid van het gebruik van wapens in de zin van artikel 271 Strafwetboek, zodat deze telastlegging geen grond kan vormen voor een voorlopige hechtenis. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet en artikel 328bis Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de omstandigheid dat de eiser niet is getest of nog niet is getest op het coronavirus en bijgevolg dat het gevaarlijk karakter van de stof niet relevant is voor de beoordeling van het door artikel 328bis Strafwetboek bedoelde wanbedrijf; dit wanbedrijf vereist de verspreiding van een stof die op het eerste gezicht gevaarlijk lijkt, maar die na verder onderzoek onschadelijk en ongevaarlijk blijkt; er kunnen maar ernstige aanwijzingen van schuld lastens de eiser worden aangenomen indien wordt vastgesteld dat het speeksel van de eiser onschadelijk is; het toepassen van artikel 328bis Strafwetboek op het fenomeen van "de coronaspuwers" is strijdig met de bedoeling die de wetgever had bij de invoering van dit wanbedrijf; zowel uit de tekst van de bepaling als uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat indien het speeksel van de eiser inderdaad het virus bevat het om een gevaarlijke stof gaat en niet louter een schijnbaar gevaarlijke stof.
  6. Uit de tekst van artikel 328bis Strafwetboek en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat dit wanbedrijf het verenigd zijn vereist van de volgende constitutieve bestanddelen: - het verspreiden op om het even welke wijze; - van stoffen die, zonder op zichzelf een gevaar in te houden, de indruk geven gevaarlijk te zijn; - en waar de dader weet of moet weten dat hierdoor ernstige gevoelens van vrees kunnen worden teweeg gebracht voor een aanslag op personen of op eigendommen, waarop gevangenisstraf van ten minste twee jaar is gesteld.
  7. Een gedraging die aan deze bestanddelen beantwoordt, is strafbaar en dit ongeacht de concrete aanleiding voor de wetgever om dit misdrijf in te voeren.
  8. Indien stoffen worden verspreid die daadwerkelijk gevaarlijk of schadelijk zijn, is niet artikel 328bis Strafwetboek van toepassing, maar desgevallend een andere strafbaarstelling.
  9. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de regelmatigheid van een bevel tot aanhouding en de handhaving van de voorlopige hechtenis voor feiten die zijn omschreven als een inbreuk op artikel 328bis Strafwetboek dient te onderzoeken of er ernstige aanwijzingen van schuld zijn voor de verspreiding door de dader van een ongevaarlijke stof die de indruk geeft gevaarlijk te zijn en dit met het in de bepaling omschreven opzet. Het onderzoeksgerecht beoordeelt of er in het licht van de concrete dossiergegevens ernstige aanwijzingen zijn dat het gaat om een ongevaarlijke stof die de indruk geeft gevaarlijk te zijn. Die beoordeling vereist niet noodzakelijk dat de stof die werd verspreid, wordt getest of dat hij die de stof heeft verspreid, wordt getest. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt met betrekking tot de feiten van de telastlegging A als volgt: - er zijn ernstige aanwijzingen dat de eiser door te spuwen naar de politie een ernstige vrees voor besmetting wilde doen ontstaan; - gelet op de context en de actuele coronaproblematiek zijn er aanwijzingen dat de eiser door zijn gedrag paniek en angst wilde veroorzaken bij de verbalisanten en met zijn speeksel een schijnbaar gevaarlijke stof wilde verspreiden; - de eiser verklaarde aan de politie niet besmet te zijn met het coronavirus en ook niet te zijn getest; - dit gegeven versterkt de ernstige aanwijzing dat de eiser op het ogenblik dat hij spuwde zelf ervan uitging dat zijn speeksel niet gevaarlijk was, maar dat hij wel de bedoeling had deze indruk op te wekken; - de omstandigheid dat de eiser niet was getest en nog steeds niet is getest op het coronavirus, doet daaraan geen afbreuk en neemt het bestaan van de ernstige aanwijzingen van schuld niet weg; - indien er in een latere fase van het onderzoek aanwijzingen zouden naar voor komen dat de eiser wel degelijk besmet was met het coronavirus en met deze voorkennis zou hebben gespuwd naar de verbalisanten, kan de kwalificatie desgevallend worden herzien; - er is in de huidige stand van het onderzoek evenwel geen aanleiding om de kwalificatie te wijzigen. Met die redenen verantwoordt het arrest de bekritiseerde beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 55,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 9 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.