← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.14 Rolnummer: P.20.0611.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-10-07 Raadplegingen: 757 - laatst gezien 2026-06-17 00:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit het enkele feit dat de motivering van het onderzoeksgerecht bestaat in de overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie en er door de inverdenkinggestelde stukken werden neergelegd op de terechtzitting die het openbaar ministerie daardoor noodzakelijkerwijze in zijn vordering niet kan hebben betrokken, volgt niet dat het onderzoeksgerecht blijk geeft van een automatisme dat onverzoenbaar is met de noodzakelijke individualisering van de voorlopige hechtenis

(1).
(1)Cass. 6 maart 2018, AR P.18.0220.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.9, AC 2018, nr. 155. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Motivering - Overname van redenen vordering OM - Indiening van een stuk door de verdediging - Individualisering voorlopige hechtenis - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Motivering - Overname van redenen vordering OM - Indiening van een stuk door de verdediging - Individualisering voorlopige hechtenis - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Overname van redenen vordering OM - Indiening van een stuk door de verdediging - Individualisering voorlopige hechtenis - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 5 Indien bij de handhaving van de voorlopige hechtenis de inverdenkinggestelde aanvoert dat hij geen kennis kon nemen van een stuk behorend tot het strafdossier, aangeeft niet te willen ingaan op het voorstel van het onderzoeksgerecht om de zaak naar een later tijdstip uit te stellen van dezelfde dag en evenmin uitstel van behandeling van de zaak vraagt naar een latere datum, om kennisname van dat stuk mogelijk te maken, dan kan hij zich niet langer beroepen op het gebrek aan kennisname van dit stuk
(1).
(1)Cass. 27 november 2013, AR P.13.1841.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131127.4, AC 2013, nr. 638, RW 2013-14, 1379 noot B. DE SMET. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INZAGE VAN HET DOSSIER Vrije woorden: Indiening van nieuwe stukken - Recht van verdediging - Vraag om uitstel van behandeling - Voorwaarden Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Hoger beroep - Kamer van inbeschuldigingstelling - Inzage van het dossier - Indiening van nieuwe stukken - Vraag om uitstel van behandeling - Voorwaarden Tekst van de beslissing Nr. P.20.0611.N J G P, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieter Vandoolaeghe, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 mei
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, eerste en tweede lid, 21, § 5, 22, zesde en zevende lid, en artikel 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest verwijst enkel naar de motivering en de feiten, zoals uiteengezet in de vordering van het openbaar ministerie; de door de raadsman neergelegde stukken die verband hielden met zijn werk werden niet besproken; deze verwijzing is onverzoenbaar met de noodzakelijke individualisering en met het evolutief karakter van de motivering.
  3. Krachtens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, dat ook van toepassing is voor de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 30, § 3, derde lid, van dezelfde wet, moet de rechter antwoorden op de conclusies van de partijen. Hij moet niet antwoorden op ter rechtszitting overgelegde stukken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Uit het enkele feit dat de motivering van het onderzoeksgerecht bestaat in de overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie en er door de inverdenkinggestelde stukken werden neergelegd op de rechtszitting die het openbaar ministerie daardoor noodzakelijkerwijze in zijn vordering niet kan hebben betrokken, volgt niet dat het onderzoeksgerecht blijk geeft van een automatisme dat onverzoenbaar is met de noodzakelijke individualisering en het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM en de artikelen 21, § 3, 22, derde lid, en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de raadsman van de eiser was niet in de mogelijkheid daags vóór de rechtszitting de nog op die dag aan het dossier toegevoegde stukken in te kijken en met hem te bespreken; de verklaring van D.R.F. bevond zich noch voor de raadkamer noch voor de kamer van inbeschuldigingstelling in het dossier, terwijl uit het verhoor van de eiser blijkt dat D.R.F. heeft verklaard dat de eiser op het ogenblik van de feiten niet thuis was; uit het arrest blijkt dat de appelrechters van oordeel waren dat de consultatie van deze stukken essentieel was, maar omdat de eiser niet in persoon aanwezig was en deze stukken niet met hem konden worden besproken, heeft zijn raadsman geweigerd de zaak uit te stellen tot 11.00 uur om hem de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van deze stukken.
  6. Indien ter gelegenheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis door de inverdenkinggestelde wordt aangevoerd dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van een stuk behorend tot het strafdossier, het onderzoeksgerecht voorstelt de behandeling van de zaak uit te stellen naar een later tijdstip dezelfde dag om alsnog die kennisname mogelijk te maken, de inverdenkinggestelde aangeeft daarop niet te willen ingaan en hij evenmin vraagt om de behandeling van de zaak uit te stellen naar een latere datum om die kennisname mogelijk te maken, dan kan de inverdenkinggestelde zich niet langer beroepen op het gebrek aan kennisname van dit stuk. Hij maakt die kennisname immers zelf onmogelijk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het arrest stelt vast dat de eiser niet verschijnt op de rechtszitting en wordt vertegenwoordigd door zijn raadsman. Het stelt verder vast dat de raadsman van de eiser verzoekt dat er wordt genoteerd dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het verhoor van D.R.F. van 11 mei 2020, maar dat hij niet wenst in te gaan op het voorstel van de appelrechters om de zaak uit te stellen tot 11.00 uur zodat hij kennis kan nemen van de inhoud van dat verhoor. Er blijkt evenmin dat de raadsman van de eiser heeft verzocht om de behandeling van de zaak uit te stellen om alsnog van dit stuk kennis te nemen en met de eiser te bespreken. De eiser kan bijgevolg het gebrek aan kennisname van het bedoelde verhoor niet aanvoeren voor het Hof. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  8. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 9 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131127.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.