id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:
Artt. 203, 204 en 210 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Het niet-aankruisen van een rubriek in het grievenformulier heeft niet tot gevolg dat er met betrekking tot de desbetreffende rubriek geen grief voorligt, wanneer uit de overige vermeldingen in het grievenformulier blijkt dat dit laatste wel degelijk een nauwkeurig bepaalde grief bevat met betrekking tot het onderdeel van de beroepen beslissing dat in de niet-aangekruiste rubriek wordt bedoeld
(1).
(1)KB 18 februari 2016, gewijzigd door het KB 23 november 2017. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Onsplitsbaar geschil - Grievenformulier - Niet aankruisen van een rubriek - Overige vermeldingen in grievenformulier - Beoordeling van de rechter - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid van het Wetboek van strafvordering - 18-02-2016 - 01 ELI link Pub nr 2016009087 Fiches 3 - 4 Uit de loutere omstandigheid dat bij de reactie van het vonnis of arrest de beslissing over de schuld van de beklaagde wordt weergegeven voor de weergave van de redenen die deze beslissing schragen, kan geen miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Redactie van vonnissen en arresten - Weergave schuld beklaagde voor de motieven over schuld - Gevolgen Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Redactie van vonnissen en arresten - Weergave schuld beklaagde voor de motieven over schuld - Gevolgen Fiche 5 Behalve in geval van procesmisbruik en onverminderd de toepassing van artikel 152, §2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, heeft de loutere omstandigheid dat een procespartij aan wie bij toepassing van artikel 152, §1, Wetboek van Strafvordering meerdere conclusietermijnen werden toegekend, geen gebruik maakt van de eerste conclusietermijn of conclusietermijnen, niet tot gevolg dat die procespartij geen gebruik meer kan maken van de hem toegekende navolgende of laatste conclusietermijn
(1).
(1)I. COUWENBERG en F. VAN VOLSEM, Concluderen voor de strafrechter, Intersentia, 2018, p. 54, nr. 145; P. THIRIAR, "Conclusies en conclusietermijnen in strafzaken na potpourri II en recente cassatierechtspraak", N.C. 2018, 119. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Onderzoek ter terechtzitting - Conclusies - Meerdere conclusietermijnen - Verstrijken van een conclusietermijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 152
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 8 Wanneer de uitgesproken straf dezelfde is als die welke bepaald is door de op het misdrijf toepasselijke wet, kan bij toepassing van artikel 422 Wetboek van Strafvordering niemand de vernietiging van het arrest of vonnis vragen op grond van het enige middel dat bij de vermelding van de tekst van de wet een vergissing is begaan. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Uitgesproken straf - Vermelding van toegepaste wetsbepalingen - Ontbreken van een wetsbepaling over een verzwarende omstandigheid - Cassatieberoep - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 422
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Uitgesproken straf - Vermelding van toegepaste wetsbepalingen - Ontbreken van een wetsbepaling over een verzwarende omstandigheid - Cassatieberoep - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 422
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: Vermelding van toegepaste wetsbepalingen - Ontbreken van een wetsbepaling over een verzwarende omstandigheid - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 422- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.20.0304.N F L N M-T D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom Bauwens, advocaat bij de balie Brussel, tegen 1. S S, 2. J J, burgerlijke partijen, verweersters, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 februari 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de memorie van antwoord ter kennis werd gebracht van de eiser, zoals vereist door artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. De memorie van antwoord is niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters stellen niet wettig vast dat het openbaar ministerie nauwkeurig grieven heeft bepaald in zijn grievenschrift en verantwoorden hun beslissing dat het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk is, niet naar recht; het grievenschrift van het openbaar ministerie bevatte geen markering bij de rubrieken "procedure", "schuld", "straf en/of maatregel" en "burgerlijke rechtsvordering", maar vermeldde slechts onder de rubriek "andere" dat het hoger beroep van de verweersters werd gevolgd; dit houdt geen autonoom hoger beroep in, daar het hoger beroep van de verweersters, in zoverre het gericht is tegen de strafrechtelijke beschikkingen van het vonnis, door de appelrechters niet ontvankelijk werd verklaard. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verweersters op 13 december 2018 een verklaring van hoger beroep hebben afgelegd waarbij zij hun hoger beroep richtten tegen alle beschikkingen van het vonnis van 23 november 2018; - op diezelfde datum door de verweersters onderscheiden grievenschriften werden neergelegd waarop zij de rubrieken "schuld" en "burgerlijke rechtsvordering" aankruisten en waarbij zij vermeldden niet akkoord te gaan met de vrijspraak van de eiser voor de telastleggingen A tot en met G en met het feit dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering en de gevorderde vergoeding op grond van de telastlegging H ongegrond verklaart; - op 17 december 2018 door het openbaar ministerie een verklaring van hoger beroep tegen hetzelfde vonnis werd afgelegd en een grievenformulier werd neergelegd waarbij in de aangekruiste rubriek "andere" de volgende vermeldingen werden aangebracht: "Precisering: het openbaar ministerie volgt het ingestelde beroep" en "Redenen: Gelet op het aangetekende hoger beroep en het neergelegde grievenformulier van [de verweersters] (...) volgt het openbaar ministerie het ingestelde hoger beroep en tekent hoger beroep aan wat de lastens [de eiser] uitgesproken vrijspraak betreft"; - het arrest de hogere beroepen van de verweersters niet ontvankelijk verklaart in zoverre gericht tegen de beschikkingen op strafgebied en het volgberoep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaart wat de door de verweersters aangevochten beschikkingen op burgerlijk gebied betreft; - de appelrechters akte verlenen aan het openbaar ministerie en aan de verweersters van hun respectieve afstand van hoger beroep met betrekking tot de beschikkingen over de telastleggingen F en G; - het arrest de hogere beroepen van de verweersters met betrekking tot de telastleggingen A, B, C, D, E en H ontvankelijk en niet vervallen verklaart, evenals het hoger beroep van het openbaar ministerie met betrekking tot de telastleggingen A, B, C, D en E. 4. De omstandigheid dat een hoger beroep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in zoverre het de grieven van een burgerlijke partij volgt en betrekking heeft op de beschikkingen op burgerlijk gebied, heeft niet tot gevolg dat het hoger beroep van het openbaar ministerie op strafgebied niet ontvankelijk is, voor zover uit het grievenschrift van het openbaar ministerie blijkt dat er ook grieven worden aangevoerd op strafrechtelijk gebied. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Het staat aan het appelgerecht om op basis van de inhoud van de verklaring van hoger beroep en vervolgens de overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering geformuleerde grieven de draagwijdte van het hoger beroep en dus de saisine van het appelgerecht te bepalen. Het Hof gaat na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 6. Het arrest stelt niet vast dat uit het grievenformulier van het openbaar ministerie blijkt dat slechts het hoger beroep van de verweersters wordt gevolgd. Het arrest (p. 6, voorlaatste alinea; p. 7, derde alinea) oordeelt wel dat uit het grievenformulier van de procureur des Konings blijkt dat het openbaar ministerie ook hoger beroep aantekent wat betreft de vrijspraak van de eiser, dat dit een autonoom hoger beroep inhoudt en dat de grieven aldus nauwkeurig werden bepaald. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 7. Grieven zijn nauwkeurig bepaald in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering wanneer ze toelaten om met zekerheid de onderdelen van de beroepen beslissing te bepalen waarvan de appellant de hervorming vraagt en aldus de omvang van de saisine in hoger beroep te bepalen. Daartoe kan de appellant gebruik maken van het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenformulier, dat werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 november 2017 tot vervanging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid van het Wetboek van Strafvordering. Dit voorgedrukte grievenformulier bevat een lijst van mogelijke grieven ("procedure", "schuld", "straf en/of maatregel", "burgerlijke rechtsvordering" en "andere") met telkens een mogelijke specificering. Het vermeldt ook dat de gebruiker van het formulier het toepasselijke vakje moet aankruisen "indien van toepassing" en nodigt hem ertoe uit het onderdeel van de beslissing met beknopte opgave van de reden(
- en)aan te duiden. Het niet-aankruisen van een rubriek in het grievenformulier heeft niet tot gevolg dat er met betrekking tot de desbetreffende rubriek geen grief voorligt, wanneer uit de overige vermeldingen in het grievenformulier blijkt dat dit laatste wel degelijk een nauwkeurig bepaalde grief bevat met betrekking tot het onderdeel van de beroepen beslissing dat in de niet-aangekruiste rubriek wordt bedoeld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Gelet op de hiervoor aangehaalde redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak van de eiser voor de telastleggingen A, B, C, D en E ontvankelijk en niet vervallen is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 9. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel in zijn geheel 10. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en de artikelen 3 en 6.1 en 6.2 van de Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en het beginsel dat twijfel ten goede komt aan de beklaagde ("in dubio pro reo"); de appelrechters gaan uit van een vermoeden van schuld, die in het arrest wordt geponeerd vóór de overwegingen die tot het schuldoordeel hebben geleid en interpreteren de gegevens van het strafdossier op een wijze die getuigt van een tunnelvisie. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat het recht op een onpartijdige rechter waarborgt; het arrest oordeelt niet met de vereiste onpartijdigheid en geeft blijk van vooringenomenheid door elk bewijselement dat niet bij de schuldigverklaring past te negeren of weg te schrijven. 11. De eerbiediging van het algemeen rechtsbeginsel inzake het vermoeden van onschuld, dat met name een plicht is voor de rechter die uitspraak moet doen over de gegrondheid van de beschuldiging, wordt beoordeeld met inachtneming van de rechtspleging in haar geheel, met inbegrip van het volledige vonnis of arrest over de schuld. Uit de loutere omstandigheid dat bij de redactie van het vonnis of arrest de beslissing over de schuld van de beklaagde wordt weergegeven vóór de weergave van de redenen die deze beslissing schragen, kan niet worden afgeleid dat het vermoeden van onschuld zou zijn miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Met de redenen die het arrest bevat (p. 8-18, nrs. 4-10), verantwoorden de appelrechters zonder schending van de in het middel aangehaalde bepalingen en zonder miskenning van de in het middel aangehaalde algemene rechtsbeginselen hun beslissing dat de eiser schuldig is aan de feiten, voorwerp van de telastleggingen A, B, C, D en E. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 13. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel 14. Het middel voert schending aan van de artikelen 152, § 1, derde lid, 189 en 209bis Wetboek van Strafvordering: de appelrechters gaan ten onrechte niet over tot het ambtshalve weren van de op 4 november 2019 neergelegde conclusies van de verweersters; hoewel aan de verweersters twee conclusietermijnen werden toegekend, namelijk 31 oktober 2019 en 13 december 2019, werd de eerste conclusie van de verweersters pas neergelegd op 4 november 2019, zonder dat blijkt dat de eiser zich akkoord heeft verklaard met deze laattijdige neerlegging. 15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - op de inleidingszitting van 4 juni 2019 conclusietermijnen werden vastgelegd en de rechtsdag werd bepaald op de rechtszitting van 7 januari 2020, waarbij aan de verweersters twee conclusietermijnen werden toegekend, namelijk 31 oktober 2019 en 13 december 2019, en aan de eiser eveneens twee conclusietermijnen, namelijk 29 november 2019 en 31 december 2019; - door elk van de verweersters op 4 november 2019 een conclusie werd neergelegd ter griffie; - door de eiser op 27 december 2019 een conclusie werd neergelegd ter griffie; - de zaak werd behandeld en in beraad werd genomen op de rechtszitting van 7 januari 2020, zonder dat er door een van de partijen of hun raadslieden een opmerking werd geformuleerd over de neerlegging van de conclusies. 16. De conclusie die voor de verweersters werd neergelegd ter griffie op 4 november 2019, dit is vóór het verstrijken van de aan de verweersters toegekende laatste conclusietermijn op 13 december 2019, werd tijdig neergelegd. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de voor de verweersters op 4 november 2019 neergelegde conclusies laattijdig werden neergelegd, mist het feitelijke grondslag. 17. Behalve in geval van procesmisbruik en onverminderd de toepassing van artikel 152, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering heeft de loutere omstandigheid dat een procespartij aan wie bij toepassing van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering meerdere conclusietermijnen werden toegekend, geen gebruik maakt van de eerste conclusietermijn of conclusietermijnen, niet tot gevolg dat die procespartij geen gebruik meer kan maken van de hem toegekende navolgende of laatste conclusietermijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde middel 18. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit de verhoren van de eerste verweerster blijkt dat ze, toen ze haar verklaringen aflegde, weinig seksuele ervaringen had, dat ze stelde dat ze naast de seksuele betrekkingen met de eiser enkel met haar vriend seks heeft gehad en dat uit haar tweede audiovisueel verhoor blijkt dat ze, wat de anatomie van het mannelijk geslacht betreft, enkel met haar vriend kon vergelijken, miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal 857/15 van 11 februari 2015 houdende het audiovisueel herverhoor van de eerste verweerster; door ook te oordelen dat de eerste verweerster niet op geslachtsziekten werd onderzocht, miskennen de appelrechters tevens de bewijskracht van het proces-verbaal 5383/14 van 15 september 2014. 19. Tijdens haar tweede audiovisueel verhoor verklaarde de eerste verweerster niet dat zij behalve haar vriend ook nog twee andere seksuele partners heeft gehad, maar wel dat zij vóór haar relatie met haar vriend nooit seksuele contacten heeft gehad met een andere jongen, dat zij haar vriend wel heeft bedrogen met twee andere jongens in de vakantie, dat dit een misstap was die zij hebben opgelost, dat die jongen "daar eens gewoon over gewreven heeft (...) op haar onderbroek" en dat zij wat het mannelijk geslacht betreft geen andere jongen dan haar vriend kent en niet weet waarmee zij anders moet vergelijken (proces-verbaal 857/15, p. 19 en p. 39). Met het in het middel aangehaalde oordeel geeft het arrest van die verklaring een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 20. Het arrest verwijst voor het oordeel dat de eerste verweerster niet op geslachtsziekten werd onderzocht niet naar het proces-verbaal 5383/14 en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. Vijfde middel 21. Het middel voert schending aan van artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en artikel 14.7 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel ne bis in idem (het gezag van gewijsde): het arrest verklaart de telastlegging H ten onrechte bewezen en veroordeelt de eiser mede op grond van de telastlegging H tot een gevangenisstraf van veertig maanden, terwijl de door de correctionele rechtbank uitgesproken veroordeling op grond van die telastlegging, bij gebrek aan een ontvankelijk hoger beroep op dit punt, definitief was. 22. Het arrest veroordeelt de eiser voor de telastleggingen A, B, C, D, E en H samen tot een gevangenisstraf van veertig maanden, alsook tot een ontzetting uit de in artikel 31 Strafwetboek bedoelde rechten voor een periode van vijf jaar (arrest, p. 18, voorlaatste alinea). Die straf is naar recht verantwoord door de bewezenverklaarde telastleggingen A, B, C, D en E, zodat het middel, dat enkel betrekking heeft op de telastlegging H, niet tot cassatie kan leiden en bijgevolg niet ontvankelijk is. Zesde middel 23. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt enerzijds dat de strafvordering met betrekking tot de telastlegging H in hoger beroep niet aanhangig is, terwijl het de eiser anderzijds onder meer op grond van de telastlegging H veroordeelt tot een effectieve gevangenisstraf van veertig maanden; het arrest is aldus niet naar recht verantwoord en tegenstrijdig geformuleerd, te meer daar de eiser door de correctionele rechtbank onder meer werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twee maanden met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar. 24. Het middel heeft enkel betrekking op dezelfde telastlegging als bedoeld in het vijfde middel en is om dezelfde reden niet ontvankelijk. Zevende middel 25. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest vermeldt niet de toegepaste wetsbepaling met betrekking tot de verzwarende omstandigheid waaraan de eiser schuldig werd verklaard, namelijk artikel 377 Strafwetboek; het beroepen vonnis, waarnaar het arrest verwijst wat de toegepaste wetsbepalingen betreft, vermeldt immers louter de artikelen 372, 375, 398, 405bis en 405ter Strafwetboek. 26. Wanneer de uitgesproken straf dezelfde is als die welke bepaald is door de op het misdrijf toepasselijke wet, kan bij toepassing van artikel 422 Wetboek van Strafvordering niemand de vernietiging van het arrest of vonnis vragen op grond van het enig middel dat bij de vermelding van de tekst van de wet een vergissing is begaan. 27. Door de overname van de in het beroepen vonnis aangehaalde wetsbepalingen bevat het arrest onder meer de vermelding van de artikelen 372 en 375 Strafwetboek. De aan de eiser opgelegde straf wordt door die bepalingen wettelijk verantwoord. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 109,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 9 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div