id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.2 Rolnummer: F.19.0022.N Zaak: L. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-12-23 Raadplegingen: 1143 - laatst gezien 2026-06-19 03:50 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200611.1N.2 Fiches 1 - 2 Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces; behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt; de belastingrechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onrechtmatig verkregen bewijs - Toelaatbaarheidsvoorwaarden Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Belastingschuld - Bewijsmiddelen - Onrechtmatig verkregen bewijs - Toelaatbaarheidsvoorwaarden Fiche 3 De belastingrechter is niet gebonden door hetgeen door de strafrechter is beslist ter zake de toelaatbaarheid van het overgelegde bewijsmateriaal, maar dient aan de hand van de onder 1° en 2° weergegeven criteria zelfstandig te oordelen over de bruikbaarheid ervan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Vrije woorden: Door de strafrechter onrechtmatig bevonden bewijs - Aanwending voor de fiscale rechtbank - Bruikbaarheid - Criteria Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Fiscaal Recht [T.F.R.] - 2020, nr. 592, p. 1095-
- - BRYS, Kristof; Noot'Antigoon en de KB Lux-zaak, een neverending story' Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2021, nr. 7, p. 583-
- - VANDEN BRANDE, Joke; Note'De ene boom is de andere niet' Tekst van de beslissing Nr. F.19.0022.N G. L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 juni
- Advocaat-generaal Johan Van Der Fraenen heeft op 14 mei 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van Der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Na te hebben vastgesteld dat de enige door de eiser aangevoerde grief erin bestaat dat de bewijsgaring en de bewijzen door de strafrechter definitief strijdig werden bevonden met het recht op een eerlijk proces, stelt de appelrechter vast en oordeelt hij dat: - de twee arresten van het Hof van Cassatie waarnaar de fiscale administratie verwijst, namelijk de arresten van 6 maart 2015 en van 22 mei 2015, wel degelijk relevant zijn voor de beoordeling van het geschil; - in deze zaak moet worden vastgesteld dat de fiscale administratie zelf geen aandeel had in de vastgestelde onregelmatigheid en zij op regelmatige wijze kennis heeft gekregen van de resultaten van het strafonderzoek; - er ook geen redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verzamelde bewijs, waarvan de juistheid niet wordt betwist; - de eiser al zijn rechten van verdediging heeft kunnen uitoefenen waarin de Belgische regels inzake onder meer de strafrechtspleging en de fiscale regelgeving voorzien; - er geen aanwijzingen zijn van rechtsmisbruik of miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur begaan door de fiscale administratie; - de omstandigheid dat de strafrechter oordeelde dat het nieuwe onderzoek ten aanzien van de eiser zijn grondslag kende in of voortvloeide uit het besmette KB-Lux dossier, niet leidt tot absolute bewijsuitsluiting van de nadien vastgestelde gegevens; - het geheel van die overwegingen en de afweging van enerzijds de grondrechten van de eiser en anderzijds de ten gronde niet betwiste vaststellingen van een door de eiser jarenlang begane fiscale fraude, doen besluiten dat er geen reden is tot uitsluiting van de gegevens van het strafdossier en de administratie deze gegevens kon gebruiken ter ondersteuning van de betwiste aanslag; - bij die afweging ook het aspect geldt van het algemeen belang van een eerlijke en juiste belastingheffing; - de eiser zich zonder meer beroept op de formele doorwerking van de door de strafrechter bevonden onrechtmatigheid van de bewijsgaring en de bewijzen op grond van het idee van “de vruchten van de giftige boom”, zonder dat hij in deze zaak concreet enige schending aanduidt van zijn grondrechten, of procedureregels, noch enige aantasting van de betrouwbaarheid van het bewijs, noch ten gronde een inhoudelijke betwisting voert.
- Met deze redenen, waarmee de appelrechter te kennen geeft dat de vraag of in het kader van een strafonderzoek onrechtmatig verkregen bewijselementen kunnen worden aangewend met het oog op de belastingheffing afhankelijk is van een autonome belangenafweging, zodat de beslissing van de strafrechter om deze bewijselementen uit te sluiten niet noodzakelijk moet leiden tot bewijsuitsluiting op fiscaal vlak, verwerpt en beantwoordt de appelrechter het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces. Behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt. De belastingrechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt.
- De belastingrechter is niet gebonden door hetgeen door de strafrechter is beslist ter zake de toelaatbaarheid van het overgelegde bewijsmateriaal, maar dient aan de hand van de onder r.o. 3 weergegeven criteria zelfstandig te oordelen over de bruikbaarheid ervan.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de fiscale administratie geen aandeel had in de vastgestelde onregelmatigheden; - de fiscale administratie op regelmatige wijze kennis heeft gekregen van de resultaten van het strafdossier; - de materiële juistheid van de bewijzen niet worden betwist; - de eiser al zijn rechten van verdediging heeft kunnen uitoefenen; - er geen aanwijzingen zijn van “rechtsmisbruiken of schendingen van de beginselen van behoorlijk bestuur”; - rekening dient te worden gehouden met het algemeen belang van een eerlijke en juiste belastingheffing.
- De appelrechter die vervolgens oordeelt dat “het geheel van die overwegingen en de afweging ervan ten aanzien van enerzijds de grondrechten van [de eiser] en anderzijds de ten gronde niet betwiste vaststellingen van een door [de eiser] jarenlang begane omvangrijke fiscale fraude, doet besluiten dat er geen reden is tot uitsluiting van de gegevens van het strafdossier” zodat de administratie “deze gegevens kon aanwenden ter ondersteuning van de betwiste aanslag”, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde grieven zodat het niet ontvankelijk is. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 258,58 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare terechtzitting van 11 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van Der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200611.1N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240209.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div