id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.3 Rolnummer: F.19.0032.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT FOD FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-02 Raadplegingen: 555 - laatst gezien 2026-06-18 16:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een fiscale ambtenaar maakt geen inbreuk op het beroepsgeheim indien hij op grond van artikel 336 WIB92 voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som, gebruik maakt van een inlichting die, een stuk dat, een proces-verbaal dat of akte die hij in de uitoefening van zijn functie heeft ontdekt of heeft verkregen, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in de artikelen 327 en 328 aangeduide diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of organismen; die aldus regelmatig verworven fiscale informatie kan worden aangewend voor de taxatie van een derde. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Vrije woorden: Fiscale ambtenaren - Beroepsgeheim Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 336 en 337 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Het al dan niet willekeurig karakter van de ambtshalve gevestigde aanslag kan enkel worden getoetst aan de gegevens waarover de aanslagambtenaar op het ogenblik van het opstellen van de aanslag beschikte of kon beschikken. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag van ambtswege en forfaitaire aanslag Vrije woorden: Aanslag van ambtswege - Willekeurigheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 351 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0032.N
- T. D. W.,
- T. V. M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal BBI, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 801, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest nr. 2018/6948 van het hof van beroep te Gent van 9 oktober
- Advocaat-generaal Johan Van Der Fraenen heeft op 14 mei 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van Der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- De appelrechter oordeelt dat: - de kennisgeving van de verweerder aan de eisers van 14 november 2011 voldoet aan de voorwaarden van artikel 333, derde lid, WIB92, aangezien de brief een duidelijk overzicht geeft van de problematiek en het standpunt van de verweerder; - de eisers ook reeds voordien kennis hadden van de visie van de verweerder en op grond waarvan de verweerder in de kennisgeving van 14 november 2011 aanneemt dat de handelwijze door de eisers ook voor de jaren is gehanteerd waarvoor hij de onderzoekstermijn uitbreidt, gelet op de berichten van wijziging van de verweerder aan de eisers van 19 september 2011 en 21 september 2011 en gelet op het feit dat de eisers op minstens een van die berichten hebben geantwoord met een formeel niet akkoord; - de aanwijzingen duidelijk omschreven zijn, aangezien de kennisgeving uiteenzet dat de eerste eiser de eigenaar is van een aantal appartementen die professioneel verhuurd worden via de Residence Aparthotel Wellington cvba, waarvan de eerste eiser bestuurder is, dat de inkomsten die eerste eiser hieruit verkrijgt volgens de verweerder beroepsinkomsten zijn en dat het niet aangeven van dit inkomen als een beroepsinkomen volgens de verweerder een aanwijzing van belastingontduiking is; - de eisers niet kunnen worden gevolgd in de stelling dat in de kennisgeving van 14 november 2011 ten onrechte sprake is van een ‘niet-aangifte' en een ‘onjuiste aangifte', aangezien de eisers enkel de kadastrale inkomsten hebben aangegeven, maar niet de huurinkomsten en het dus een niet-aangifte van huurinkomsten betreft; - het geen giswerk was voor de eisers om het door de verweerder aangenomen frauduleus karakter daarvan in te zien en te begrijpen; - de visie van de administratie en de motivering van de navordering en het frauduleuze aspect ervan, met inbegrip van de motivering van de opgelegde belastingverhoging, meteen zeer duidelijk was; - de fiscale problematiek voor de eisers en voor de boekhoudkundige en fiscale deskundigen waardoor zij zich laten bijstaan, niet moeilijk te begrijpen is.
- De appelrechter verwerpt en beantwoordt aldus het in het onderdeel bedoelde verweer dat voormelde kennisgeving verkeerdelijk gewag maakt van een niet-aangifte, terwijl de eisers de desbetreffende inkomsten wel vermeldden in de aangifte in de personenbelasting maar dan als onroerende inkomsten. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- De appelrechter oordeelt verder dat: - de eerste rechters kunnen worden gevolgd in de redenering dat het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden niet kan worden afgeleid louter uit het feit dat de eisers de inkomsten hebben aangegeven onder de vorm van het kadastraal inkomen onder code 1106 van hun aangifte, maar louter de vaststelling van de aangifte van de kadastrale inkomsten van de appartementen onder code 1106 niet uitsluit dat de eisers wel de intentie hadden om wetens en willens de huurinkomsten niet als een beroepsinkomen aan te geven; - het duidelijk is dat de eisers het niet eens zijn met de visie van de verweerder, maar dat dit niet uitsluit dat ze, rekening houdende met alle concrete elementen van deze zaak, dienden te weten en weten dat die inkomsten in werkelijkheid wel degelijk als beroepsinkomsten kwalificeren; - de concrete aanwijzingen van fraude wel degelijk ook aan te nemen zijn als elementen die zonder enige gerede twijfel toelaten aan te nemen dat de eisers opzettelijk de huurinkomsten niet hebben aangegeven met de bedoeling de juiste verschuldigde belasting te ontduiken.
- De appelrechter beantwoordt aldus het in het onderdeel bedoelde verweer dat de redenering van de verweerder dat uit de aangifte onder code 1106 het frauduleus opzet van eisers zou blijken, incorrect is. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Aangezien het arrest op het verweer dat de kennisgeving van 14 november 2011 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 333, derde lid, WIB92, heeft geantwoord dat die kennisgeving wel degelijk duidelijk omschreven aanwijzingen van belastingontduiking bevat, namelijk de niet-aangifte door de eisers van de inkomsten uit de verhuur van appartementen als beroepsinkomen, diende de appelrechter niet verder te antwoorden op het verweer dat de kennisgeving van 14 november 2011 verkeerdelijk aanhaalt dat de eerste eiser verschillende bestuursfuncties in diverse vennootschappen uitoefent waarvoor geen inkomsten werden aangegeven, aangezien dit verweer geen afzonderlijk middel vormt maar slechts een bijkomend argument is tot staving van de stelling dat de kennisgeving van 14 november 2011 niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 333, derde lid, WIB
- Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de kennisgeving van de verweerder aan de eisers van 14 november 2011 voldoet aan de voorwaarden van artikel 333, derde lid, WIB92, aangezien de kennisgeving duidelijk de aanwijzingen van belastingontduiking omschrijft, zijnde dat de eerste eiser een aantal appartementen op professionele wijze verhuurt, maar de inkomsten uit deze verhuur niet als beroepsinkomsten aangeeft; - de eisers voordien reeds kennis hadden van het standpunt van de verweerder, gelet op de berichten van wijziging van 19 september 2011 en 21 september 2011; - het een relevant en niet betwist gegeven is dat de eisers worden bijgestaan door fiscale deskundigen en hun belastingaangifte wordt ingevuld door een professioneel kantoor dat eveneens de boekhouding van Residence Aparthotel Wellington cvba verzorgt; - ook het feit dat de raadsman van de eisers zich in een antwoord op voormelde berichten van wijziging beperkte tot een eenvoudig ‘niet akkoord' door de verweerder in de kennisgeving van 14 november 2011 kon worden beschouwd als een gebrek aan medewerking en een bevestiging van de aanwijzingen van fraude, zij het dat dit element geen element is dat op zichzelf volstaat als aanwijzing of bewijs van fraude, maar wordt overwogen en meegenomen samen met alle andere aanwijzingen en elementen; - bij de appreciatie over de draagkracht van de aanwijzingen van fraude rekening kan worden gehouden met de ruimere feitelijke context dat de eerste eiser samen met zijn vader en zijn zus actief is in de bouw, renovatie en verschillende andere vastgoedactiviteiten; de verweerder terecht de context schetst dat tegen deze natuurlijke en rechtspersonen tal van fiscale procedures lopen waarin de verweerder navorderingen moet verrichten voor zeer hoge bedragen omdat klaarblijkelijk de fiscale verplichtingen niet worden nageleefd; deze cultuur om systematisch belastingen te ontduiken geen bewijs is van fraude maar wel degelijk een relevante aanwijzing ervan bij de appreciatie over het fraude-opzet in deze zaak.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechter heeft beslist dat de verweerder de familiale context van de eerste eiser in de kennisgeving van 14 november 2011 heeft geschetst en niet in de syntheseberoepsconclusies van de verweerder, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het aldus feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 333, derde lid, WIB92 is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de syntheseberoepsconclusies van de verweerder en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 337 WIB92 is hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van de belastingwetten of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie, buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft. Indien fiscale ambtenaren regelmatig, binnen het kader van de hen toegewezen bevoegdheden, gebruik maken van de wettelijke onderzoeks- en controlemiddelen blijven zij binnen de uitoefening van hun ambt.
- Een fiscale ambtenaar maakt geen inbreuk op het beroepsgeheim indien hij op grond van artikel 336 WIB92 voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som, gebruik maakt van een inlichting die, een stuk dat, een proces-verbaal dat of akte die hij in de uitoefening van zijn functie heeft ontdekt of heeft verkregen, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in de artikelen 327 en 328 aangeduide diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of organismen. Die aldus regelmatig verworven fiscale informatie kan worden aangewend voor de taxatie van een derde. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat fiscale ambtenaren niet zonder schending van het beroepsgeheim gegevens uit het fiscaal dossier van een belastingplichtige als bewijsstuk kunnen aanwenden om een aanslag te vestigen lastens een andere belastingplichtige, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, faalt het onderdeel dat ervan uitgaat dat fiscale ambtenaren niet zonder schending van het beroepsgeheim gegevens uit het fiscaal dossier van een belastingplichtige als bewijsstuk van opzet om de verlengde aanslagtermijn van artikel 354, tweede lid, WIB92 toe te passen, kunnen aanwenden, eveneens naar recht. Derde middel
- De belastingplichtige die van ambtswege is aangeslagen, heeft het recht de aanslag te doen nietig verklaren, indien hij bewijst dat de belastbare grondslag door de administratie willekeurig is vastgesteld, omdat zij een rechtsdwaling heeft begaan of zich op onjuiste feiten heeft gebaseerd of nog uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid. Het al dan niet willekeurig karakter van de ambtshalve gevestigde aanslag kan enkel worden getoetst aan de gegevens waarover de aanslagambtenaar op het ogenblik van het opstellen van de aanslag beschikte of kon beschikken.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de administratie op basis van de ingediende aangifte kon opmaken dat intresten betaald werden op de lening aangegaan voor het aanschaffen van de appartementen, maar daarmee nog niet vaststaat dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92, omdat de eisers niet aantonen en de administratie niet op risico van het opmaken van een willekeurige aanslag kon veronderstellen dat bepaalde aanwijzingen van kosten daadwerkelijk door de eisers werden ge-maakt en gedragen; - de verweerder er terecht op wijst dat van haar evenmin kan worden verwacht dat ze een grondige analyse zou moeten maken van de financiële rekeningen, attesten, gegevens bij andere administraties of de boekhouding van Residence Aparthotel Wellington cvba om te achterhalen door wie welke kosten betaald zijn; - de eisers er ten onrechte van uitgaan dat de administratie op het moment van de vestiging van de aanslag de kosten die de eisers gedragen hebben, dienden te kennen en het bedrag ervan kon becijferen; - uit de rectificatieprocedure blijkt dat de belastingambtenaar heeft vastgesteld dat alle kosten met betrekking tot de onroerende goederen door Residence Aparthotel Wellington cvba worden gedragen; dat de eisers voorafgaand aan de vestiging van de aanslag de mogelijkheid hebben gehad dit te weerleggen of aan te vullen met de bewijzen van zelf gedragen beroepskosten; - de taxatieambtenaar vaststelde dat aan de eerste eiser netto bedragen worden toegekend en daarop het wettelijk forfait heeft toegepast; dat de eisers ervoor gekozen hebben deze wijze van belasting niet te weerleggen, niet in de procedure voorafgaand aan het vestigen van de aanslag, noch in de bezwaarprocedure; - de eisers ervoor gekozen hebben tot op heden niet het door de wet vereiste bewijs voor te leggen; dat zij laattijdig enkele cijfers voorleggen, louter om het willekeurig karakter van de aanslag aan te tonen.
- De appelrechter oordeelt aldus dat de aanslag werd gevestigd op de gegevens waarover de taxatieambtenaar beschikte of kon beschikken en verantwoordt zijn beslissing dat het willekeurig karakter van de taxatie niet is aangetoond naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 445,99 euro, met inbegrip van de bijdrage ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, beperkt tot 20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van Der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200611.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2025:ARR.20251215.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div