← België

SCHOLENGROEP 9 ASSE-WEMMEL-HALLE contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200615.3N.10 Rolnummer: S.19.0041.N Zaak: SCHOLENGROEP 9 ASSE-WEMMEL-HALLE contra S. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-07-06 Raadplegingen: 831 - laatst gezien 2026-06-20 05:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche De artikelen 32tredecies, §1, eerste lid en tweede lid, eerste zin, 32tredecies, §1/1, 1°, en §2, tweede lid Wet Welzijn Werknemers, die de werkgever verbieden de arbeidsverhouding te beëindigen of ten opzichte van de werknemer een nadelige maatregel te treffen omwille van de indiening van een verzoek tot formele psychosociale interventie, sluiten niet uit dat het ontslag of de nadelige maatregel kan gerechtvaardigd worden door redenen die zijn afgeleid uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt

(1).
(1)Vergelijk Cass. 20 januari 2020, AR S.19.0019.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200120.5, AC 2020, nr.
  1. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Wet Welzijn Werknemers - Verzoek psychosociale interventie - Bescherming - Voorwerp - Gevolg Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2021, nr. 3-4, p. 189-
  2. - DECRUYENAERE, Kenny; Noot'Het Hof van Cassatie schept licht in de duisternis van artikel 32tredecies welzijnswet' Tekst van de beslissing fNr. S.19.0041.N SCHOLENGROEP 9 ASSE-WEMMEL-HALLE, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1780 Wemmel, Zijp 14-16, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0850.037.823, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen H.S., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel, van 15 januari
  3. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Eerste onderdeel
  4. Krachtens artikel 32tredecies, § 1, eerste lid, Wet Welzijn Werknemers mag de werkgever noch de arbeidsverhouding van de werknemers bedoeld in § 1/1 beëindigen noch een nadelige maatregel treffen ten aanzien van dezelfde werknemers na de beëindiging van de arbeidsverhoudingen, behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring. Krachtens artikel 32tredecies, § 1, tweede lid, eerste zin, Wet Welzijn Werknemers, mag de werkgever bovendien, tijdens het bestaan van de arbeidsverhoudingen, ten opzichte van dezelfde werknemers, geen nadelige maatregel treffen die verband houdt met het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag, met de klacht, met het instellen van een rechtsvordering of met het afleggen van een getuigenverklaring. Krachtens artikel 32tredecies, § 1/1, 1°, Wet Welzijn Werknemers geniet de werknemer bescherming bedoeld in paragraaf 1 die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de geldende procedures, een verzoek tot formele psychosociale interventie heeft ingediend voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de bescherming bedoeld in paragraaf
  5. Krachtens artikel 32tredecies, § 2, eerste lid, Wet Welzijn Werknemers berust de bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging bij de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding werd beëindigd of de maatregelen werden getroffen binnen twaalf maanden volgend op het indienen van een verzoek tot interventie, het indienen van een klacht of het afleggen van een getuigenverklaring.
  6. De voormelde wetsbepalingen, die de werkgever verbieden de arbeidsverhouding te beëindigen of ten opzichte van de werknemer een nadelige maatregel te treffen omwille van de indiening van een verzoek tot formele psychosociale interventie, sluiten niet uit dat het ontslag of de nadelige maatregel kan gerechtvaardigd worden door redenen die zijn afgeleid uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt.
  7. De appelrechters stellen vast dat: - nadat de verweerder op 25 juni 2015 de financieel directeur met onmiddellijke ingang had ontslagen, een 15-tal directeurs op 2 juli 2015 een “motie van wantrouwen” aan de raad van bestuur hebben gericht waarin de leiderschapsstijl van de verweerder werd betwist; - de bezwaren van de bezorgde directeurs in september 2015 in verschillende vergaderingen met de raad van bestuur werden besproken, waarna de voorzitter van de raad van bestuur bij brief van 6 oktober 2015 het vertrouwen in de verweerder bevestigde, maar hij werd verzocht zijn communicatiestijl aan te passen, de nodige empathie aan de dag te leggen en zich discreet op te stellen; - de verweerder tijdens een vergadering van het college van directeurs stelde dat de raad van bestuur het dossier hiermee als afgesloten beschouwde en dat wie zich hierin niet kon vinden maar ander werk moest gaan zoeken; - op de jaarlijkse algemene vergadering van de scholengroep op 19 oktober 2015 de begroting 2015 niet werd bekrachtigd, de door de bezorgde directeurs gewenste bespreking van hun “motie van wantrouwen algemeen directeur” werd geweigerd omdat dit niet vooraf werd geagendeerd en een aantal deelnemers zich na afloop beklaagden over het verloop van deze vergadering; - de verweerder op 24 oktober 2015 bij de preventieadviseur psychosociale aspecten tegen 6 bezorgde directeurs een formeel verzoek tot psychosociale interventie voor pesterijen heeft ingediend waarin hij een overzicht gaf van de incidenten tussen het neerleggen van de motie van wantrouwen op 2 juli 2015 en de algemene vergadering van 19 oktober 2015; - er nadien verschillende algemene vergaderingen plaats vonden waarop men telkens trachtte het ontslag van de algemene directeur te agenderen, wat om verschillende redenen telkens mislukte; - de externe preventieadviseur in zijn verslag de toestand die er toen heerste beschreef als de uitgroei van een conflict naar een hyperconflict waarbij langs beide kanten alle strijdmiddelen worden ingezet; - op een informele raad van bestuur op 9 december 2015 een mogelijke oplossing werd besproken met de verweerder, maar de bestuursleden de onderzochte uitstapregeling niet wilde overwegen omdat de verweerder geen ontslag wou nemen vóór de algemene vergadering; - de raad van bestuur op 24 december 2015 besliste om het mandaat van de verweerder als algemeen directeur te beëindigen wegens verscheidene redenen, waaronder de herhaalde verzoeken tot beëindiging van het mandaat door de algemene vergaderingen en het verloop ervan, het verslag van het college van directeurs van 13 oktober 2015 en verweerders verklaring over de beslissing van de raad van bestuur van 24 september 2015, de brief van de afgevaardigde bestuurder van GO! van 14 december 2015 met melding van de door de verweerder verzonden e-mails en de wanhopige reacties van ouders, personeelsleden en directies ter gelegenheid van de algemene vergadering van 10 december 2015 en het eruit blijkende gebrek aan vertrouwen. Zij oordelen dat het bewijs niet is geleverd dat de beëindiging van het mandaat als algemeen directeur geen verband houdt met het verzoek tot formele interventie op grond dat: - de bescherming niet gebonden is aan de gegrondheid van het verzoek, maar wel aan het neerleggen van het verzoek bij de externe preventieadviseur; - de wetgever de werknemer ook heeft willen beschermen, tijdens de duur van het onderzoek van de klachten, tegen maatregelen die zouden gebaseerd zijn op de feiten die in de klacht worden vermeld en aldus de aangeklaagde pesterijen zouden verlengen; - in die zin de rechter wel moet nagaan of de nadelige maatregel verband houdt met de grieven vermeld in het neergelegde verzoek tot formele interventie, waarbij niet de gegrondheid van de grieven moet worden nagegaan maar wel het verband moet worden nagezien tussen de nadelige maatregel en de al dan niet terechte grieven, zoals ze volgen uit het neerleggen van de klacht; - de bewijslast voor het ontbreken van dit verband op de werkgever rust; - niet wordt betwist dat er een periode van minder dan 12 maanden lag tussen het verzoek en de nadelige maatregel; - in de beslissing van 24 december 2015 alle discussiepunten in verband met het hyperconflict terug worden hernomen als motivering voor de intrekking van het mandaat met een uitsluitende focus op het aandeel van de verweerder terwijl het conflict evenzeer te maken had met de opstelling van de groep rond de zogenaamde bezorgde directeurs, zodat de uiteindelijke maatregel wel degelijk verband hield met het verzoek tot formele psychosociale interventie en er niet vreemd aan is; - deze maatregel bovendien vermijdbaar was en niet nodig om de rust in de scholengroep terug te brengen daar uit de informele raad van bestuur van 9 december 2015 volgt dat de verweerder bereid was tot een uitstapregeling, mits de nadelige maatregel niet werd genomen, waardoor zou zijn tegemoetgekomen aan de vraag van de afgevaardigd bestuurder en aan de bekommernis van zij die zich beklaagden over het teloorgaan van het vertrouwen; - de eiseres hierdoor niet aantoont dat de beslissing van haar raad van bestuur enkel gericht was op het herstellen van de rust; - men dus uitdrukkelijk het ontslag uit het mandaat van algemeen directeur nastreefde, ongeacht de mogelijkheid om de rust in de school te doen weerkeren door de voorgestelde uitstapregeling, waardoor de eiseres niet bewijst dat de ten aanzien van de verweerder genomen nadelige maatregel geen verband hield met zijn verzoek tot formele interventie; - de raad van bestuur evenmin heeft willen wachten op de adviezen van de preventieadviseur, waardoor men toepassing had kunnen maken van artikel 32septies juncto artikel 13tredecies, § 1, in fine, Wet Welzijn Werknemers; - de voorstellen die de preventieadviseur uiteindelijk deed, niet de vraag inhielden tot beëindiging van het mandaat, maar pogingen bevatten om een meer serene communicatie op gang te brengen; - de preventieadviseur weliswaar vaststelde dat er door de beslissing van de raad van bestuur “aan de toestand” een einde werd gesteld, onverminderd wie zich schijnbaar definitief in de “one up positie” heeft weten te zetten, maar dit einde aan de toestand evenzeer was bereikt met de uitstapregeling, met het voordeel dat er geen “one up” (winnende) positie zou zijn geweest.
  8. De appelrechters die met de voormelde redenen uitsluiten dat een nadelige maatregel kan gerechtvaardigd worden door redenen die zijn afgeleid uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt, verantwoorden aldus hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 15 juni 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200615.3N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2026:ARR.20260203.1 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.877 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.380 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200120.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.