id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200615.3N.2 Rolnummer: S.18.0006.N Zaak: EUROGAMING nv contra W. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-07-06 Raadplegingen: 409 - laatst gezien 2026-06-19 19:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche De forfaitaire opzeggingsvergoeding bedoeld in artikel 39, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet is slechts verschuldigd bij onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst; zij is niet verschuldigd bij regelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Ontstaan van het recht - Aard - Gevolg Annotaties Publicaties: Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] - HACHEZ, Alexandre; VANHAVERBEKE, Pierre; Note 'Non-paiement de la rémunération due en cours de préavis: attention à la qualification de l'objet de la demande du travailleur.' - 2020, n° 655, p.
- Tekst van de beslissing Nr. S.18.0006.N EUROGAMING nv, met zetel te 2200 Herentals, Stapkens 4, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen J.W., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 28 februari
- Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 37, § 1, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet heeft ieder der partijen het recht de arbeidsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is gesloten te beëindigen door opzegging aan de andere. Krachtens artikel 39, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet is de partij die de arbeidsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is gesloten, beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de vereiste opzeggingstermijn gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. De forfaitaire opzeggingsvergoeding bedoeld in voormeld artikel 39, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet is slechts verschuldigd bij onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Zij is niet verschuldigd bij regelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst.
- De appelrechters stellen vast dat: - de verweerder vanaf 1 januari 2005 als bediende was tewerkgesteld bij de eiseres; - volgens een op 1 januari 2013 ondertekende overeenkomst "heronderhandeling loon" genaamd, werd overeengekomen dat het loon opgesplitst werd in een vast bruto loon van 1.760 euro per maand en een bruto loon van 1.740 euro "aan commissie berekend op 15 gewerkte dagen"; - de eiseres met een aangetekende brief van 16 april 2014 aan de verweerder ter kennis bracht een einde te willen stellen aan de arbeidsovereenkomst, met de toevoeging dat de opzeggingstermijn inging op 21 april 2014 en 10 maanden en 4 weken bedroeg; - de verweerder verklaard heeft akkoord te gaan met de vrijstelling van arbeidsprestaties tijdens de opzeggingstermijn en tijdens die termijn geen arbeidsprestaties leverde voor de eiseres; - de eiseres tijdens de opzeggingstermijn maandelijks het vaste loon uitbetaalde, maar geen commissieloon; - de opzeggingstermijn afliep op 19 maart 2015; - de verweerder een bedrag van 35.657,22 euro bruto als opzeggingsvergoeding vordert. Zij oordelen dat: - omwille van de door de verweerder aangenomen houding, waarbij hij ervan heeft afgezien om ten tijde van het ontslag de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst wegens de eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst in te roepen, de arbeidsovereenkomst werd verdergezet tot ze op een andere wijze eindigde, namelijk door de gewone afloop van de opzeggingstermijn, met 19 maart 2015 als laatste ‘werkdag'; - het gegeven dat er sprake is van een ontslag met opzegging, met toepassing van een qua duurtijd door de ontslagen werknemer niet gecontesteerde opzeggingstermijn, op zich niet inhoudt dat de werknemer daarom na afloop van die opzeggingstermijn, omwille van het gegeven dat effectief een opzeggingstermijn werd toegepast en nageleefd, geen bijkomende of aanvullende opzeggingsvergoeding meer kan eisen; - de vordering van een aanvullende of bijkomende opzeggingsvergoeding, anders dan en apart van het tijdens de opzeggingstermijn betaalde loon, evenzeer kan steunen op andere mogelijke gegevens die los staan van de duurtijd van de opzegging, zoals bijvoorbeeld de niet-naleving door de ontslaggevende werkgever van de betaling van een correct loon of een gedeelte daarvan tijdens de door hem aangezegde en qua duurtijd nageleefde opzeggingstermijn; - er geen gegronde reden bestaat om, waar het gaat om eenzelfde situatie inzake de vrijstelling van arbeidsprestaties tijdens de opzeggingstermijn, wel het vaste loon tijdens de opzeggingstermijn uit te betalen, maar niet het commissieloon; - de verweerder wel degelijk gerechtigd is op een aanvullende opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het loon dat door de eiseres tijdens de opzeggingstermijn te weinig werd betaald, bepaald op een gemiddeld maandelijks commissieloon als rekenkundig gemiddelde van het commissieloon dat de verweerder effectief ontvangen heeft in de periode van 12 maanden die aan de opzegging voorafgaan.
- Het arrest dat aldus een aanvullende opzeggingsvergoeding toekent, niet wegens een opzegging met een ontoereikende opzeggingstermijn, maar voor beweerde loonaanspraken tijdens de loop van de opzeggingstermijn, schendt artikel 39, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 15 juni 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200615.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div