id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.4 Rolnummer: P.20.0076.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-04-29 Raadplegingen: 823 - laatst gezien 2026-06-18 19:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM of het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging zijn niet miskend door het enkele feit dat een beklaagde wordt veroordeeld voor een strafbaar feit zonder dat hij persoonlijk erover werd verhoord; het volstaat dat de beklaagde de gelegenheid heeft gehad tegenspraak te voeren over wat hem wordt ten laste gelegd en over de aan de rechter overgelegde gegevens. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Beklaagde - Persoonlijk verhoor - Verplichting - Mogelijkheid tot tegenspraak Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Beklaagde - Persoonlijk verhoor - Verplichting - Mogelijkheid tot tegenspraak Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Recht van verdediging - Beklaagde - Persoonlijk verhoor - Verplichting - Mogelijkheid tot tegenspraak Fiches 4 - 6 Artikel 67bis Wegverkeerswet voert ten laste van de houder van de kentekenplaat van het voertuig waarmee de overtreding is begaan een weerlegbaar vermoeden van daderschap in; de rechter moet aannemen dat de houder van de kentekenplaat de dader is, tenzij die slaagt in de weerlegging van het op hem rustende vermoeden; noch uit deze bepaling van de Wegverkeerswet noch uit artikel 6 EVRM noch uit de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld volgt dat indien de houder van de kentekenplaat schriftelijk meedeelt dat hij niet de bestuurder is van het voertuig op het ogenblik van de overtreding en die bewering desgevallend staaft met stukken, de rechter verplicht is het openbaar ministerie te verzoeken alsnog te laten overgaan tot het verhoor van de betrokkene of gelet op de ontkenning verder onderzoek te laten uitvoeren of de persoonlijke verschijning te bevelen overeenkomstig artikel 185 Wetboek van Strafvordering; noch aan te nemen dat het vermoeden is weerlegd. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67bis Vrije woorden: Titularis van de nummerplaat - Vermoeden van schuld - Weerlegbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vermoeden van onschuld - Wegverkeer - Artikel 67bis - Titularis van de nummerplaat - Vermoeden van schuld - Weerlegbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Wegverkeerswet - Artikel 67bis - Titularis van de nummerplaat - Vermoeden van schuld - Weerlegbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Fiches 7 - 9 De rechter oordeelt onaantastbaar of de houder van de kentekenplaat van het motorvoertuig waarmee de overtreding werd begaan, erin slaagt het op hem op grond van artikel 67bis Wegverkeerswet rustende vermoeden te weerleggen; hij kan daartoe alle feitelijke gegevens in aanmerking nemen waarvan hij de bewijswaarde onaantastbaar beoordeelt; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Cass. 22 november 2016, AR P.14.1909.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.1, AC 2016, nr. 662; Cass. 22 oktober 2013, AR P.13.0040.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131022.3, AC 2013, nr.
- Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Wegverkeer - Titularis van de nummerplaat - Vermoeden van schuld - Bewijswaarde - Weerlegbaarheid - Onaantastbare beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Wegverkeer - Titularis van de nummerplaat - Vermoeden van schuld - Bewijswaarde - Weerlegbaarheid - Onaantastbare beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wegverkeer - Wegverkeerswet - Artikel 67bis - Titularis van de nummerplaat - Vermoeden van schuld - Weerlegbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0076.N A M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 20 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
- Het eerste onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis is foutief en tegenstrijdig gemotiveerd; het feit dat de eiser zijn verweer niet nader heeft kunnen toelichten en dat men geen nader onderzoek heeft gedaan, maakt wel degelijk een schending uit van artikel 6 EVRM; het bestreden vonnis dat er anders over oordeelt, is bijgevolg onjuist en foutief. Het tweede onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis miskent eisers recht van verdediging en recht op een eerlijk proces; hij werd niet verhoord noch tijdens het vooronderzoek noch door de feitenrechter; er werd geen verder onderzoek uitgevoerd naar de mededelingen die de eiser in het antwoordformulier heeft gedaan; de appelrechters hebben daar ook geen gevolg aan gegeven; de beslissing mag niet steunen op feitelijke gegevens waarover de partijen geen tegenspraak hebben kunnen voeren. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de motivering tart iedere verbeelding door de eiser schuldig te verklaren hoewel zijn groene motorfiets in de garage stond op het ogenblik van de feiten. Het tweede onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 4.1, 5, 7, 8.6, 9.7, 10.1.1°, 12.4, 16, 17.2, 21.4.1°, 61.1, en 77.4 Wegverkeersreglement, alsmede miskenning van het adagium "in dubio pro reo": het bestreden vonnis verklaart ten onrechte de eiser schuldig aan de ten laste gelegde feiten hoewel twijfel bleef bestaan bij gebrek aan verder onderzoek.
- Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering houdt geen verplichting in om iedere verdachte van een misdrijf of een beklaagde te verhoren.
- Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM of het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging zijn niet miskend door het enkele feit dat een beklaagde wordt veroordeeld voor een strafbaar feit zonder dat hij persoonlijk erover werd verhoord. Het volstaat dat de beklaagde de gelegenheid heeft gehad tegenspraak te voeren over wat hem wordt ten laste gelegd en over de aan de rechter overgelegde gegevens.
- Artikel 67bis Wegverkeerswet bepaalt: "Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig. De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen. De kennisgeving van de identiteit van de bestuurder dient te gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de dag waarop de houder van de kentekenplaat kan bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. De Koning kan de formaliteiten bepalen die gevolgd dienen te worden bij het weerleggen van het vermoeden en de overmaking van de identiteit. De politierechtbank van de plaats waar de overtreding, bedoeld in het eerste lid, is gepleegd, is bevoegd."
- Deze bepaling voert ten laste van de houder van de kentekenplaat van het voertuig waarmee de overtreding is begaan een weerlegbaar vermoeden van daderschap in. De rechter moet aannemen dat de houder van de kentekenplaat de dader is, tenzij die slaagt in de weerlegging van het op hem rustende vermoeden.
- Noch uit deze bepaling van de Wegverkeerswet noch uit artikel 6 EVRM noch uit de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld volgt dat indien de houder van de kentekenplaat schriftelijk meedeelt dat hij niet de bestuurder is van het voertuig op het ogenblik van de overtreding en die bewering desgevallend staaft met stukken, de rechter verplicht is: - het openbaar ministerie te verzoeken alsnog te laten overgaan tot het verhoor van de betrokkene of gelet op de ontkenning verder onderzoek te laten uitvoeren of de persoonlijke verschijning te bevelen overeenkomstig artikel 185 Wetboek van Strafvordering; - aan te nemen dat het vermoeden is weerlegd.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de houder van de kentekenplaat van het motorvoertuig waarmee de overtreding werd begaan, erin slaagt het op hem op grond van artikel 67bis Wegverkeerswet rustende vermoeden te weerleggen. Hij kan daartoe alle feitelijke gegevens in aanmerking nemen waarvan hij de bewijswaarde onaantastbaar beoordeelt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- De appelrechters oordelen als volgt: - de eiser heeft via het antwoordformulier laten weten wat hij over de feiten wenste te zeggen; - hij heeft naderhand verstek laten gaan voor de eerste rechter en hij verscheen zelf niet in hoger beroep, maar liet zich er vertegenwoordigen door een raadsman; - hij is dan ook ruim in de gelegenheid geweest om zich te doen horen, maar hij heeft zelf van die mogelijkheid afgezien; - hij kan dan ook bezwaarlijk stellen dat zijn recht van verdediging is miskend als hijzelf niet ervoor heeft geopteerd om persoonlijk te worden gehoord terwijl hem de mogelijkheid werd geboden; - het feit dat de eiser een groene motorfiets heeft, belet geenszins dat hij ook een zwarte motorfiets heeft, zoals werd vastgesteld door de verbalisanten; - het feit dat er betreffende de motorfiets een factuur werd opgesteld op datum van de feiten toont geenszins aan dat deze op dat moment ook in herstelling was; - de daarover neergelegde stukken, alsook de verklaring op het antwoordformulier weerleggen niet het vermoeden van artikel 67bis Wegverkeerswet, te meer twee aparte patrouilles de nummerplaat hebben genoteerd en er geen enkele aangifte van de eiser voorligt over een eventueel onrechtmatig gebruik van deze nummerplaat; - het staat dan ook vast dat de eiser de bestuurder van de motorfiets is geweest. Op grond van die redenen, die niet tegenstrijdig zijn, kunnen de appelrechters oordelen dat de eiser niet slaagt in de weerlegging van het op hem rustende vermoeden en verantwoorden ze zijn schuldigverklaring en veroordeling naar recht. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 73,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 16 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131022.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div