← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7 Rolnummer: P.19.1263.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2021-12-06 Raadplegingen: 985 - laatst gezien 2026-06-20 04:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer bewijzen die voor de bodemrechter worden aangevoerd afkomstig zijn van een telefoontap in een dossier dat hem niet is overgelegd, oefent het vonnisgerecht toezicht uit op de wettigheid van die maatregel op grond van de op die telefoontap betrekking hebbende beschikkingen en stukken die hem regelmatig in afschrift tijdens het debat worden overgelegd; niet vereist is dat het vonnisgerecht hierbij noodzakelijk de overlegging beveelt van het volledige strafdossier waarin die telefoontap werd bevolen

(1).
(1)Cass. 25 februari 2009, AR P.08.1818.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090225.2, AC 2009, nr.
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Telefoontap - Bodemrechter - Bewijzen afkomstig van een telefoontap aangewend in een dossier dat niet is voorgelegd - Toezicht op de wettigheid van de maatregel Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 90ter en 90quater, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Telefoontap - Bodemrechter - Bewijzen afkomstig van een telefoontap aangewend in een dossier dat niet is voorgelegd - Toezicht op de wettigheid van de maatregel Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 90ter en 90quater, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 6 Wanneer de strafrechter een getuigenverklaring als niet doorslaggevend voor de schuldigverklaring beschouwt, mag hij die verklaring als steunbewijs in aanmerking nemen, althans in zoverre niet blijkt dat die verklaring dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat ze het resultaat van de zaak heeft bepaald. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Niet-horen ter terechtzitting - Voorwaarden - Taak van de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Niet-horen ter terechtzitting - Voorwaarden - Taak van de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Getuigen - Niet-horen ter terechtzitting - Voorwaarden - Taak van de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Niet-horen ter terechtzitting - Voorwaarden - Taak van de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 8 De in artikel 247, § 4, Strafwetboek bedoelde omkoping die het gebruik tot doel heeft door de persoon die een openbaar ambt uitoefent van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen, vereist niet dat het uitgeoefend openbaar ambt objectief gezien van die aard is dat het de overheid die de handeling moet verrichten, effectief kan beïnvloeden; het volstaat dat de persoon die het voorstel doet in de overtuiging verkeert dat de persoon tot wie hij zich richt over de noodzakelijke invloed beschikt of dat deze laatste zich voordoet alsof hij over een dergelijke invloed zou beschikken. Thesaurus CAS: OMKOPING Vrije woorden: Aanwenden van invloed - Begrip Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Omkoping - Aanwenden van invloed - Begrip Fiches 9 - 11 Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of, rekening houdend met de concrete gegevens en omstandigheden van de zaak, het corruptiepact het gebruik tot doel heeft door een persoon die een openbaar ambt uitoefent, van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen, alsook, in voorkomend geval, of die invloed ook effectief werd aangewend zoals bedoeld in artikel 247, § 4, derde lid, Strafwetboek; het Hof gaat slechts na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet naar recht kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Misdrijf - Omkoping - Constitutieve elementen - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Omkoping - Constitutieve elementen - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Gevolg Thesaurus CAS: OMKOPING Vrije woorden: Misdrijf - Constitutieve elementen - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Gevolg Annotaties Publicaties: Rechtskundig weekblad [RW] - 2020-21, nr. 39, p. 1536-
  2. - BEIRNAERT, K.; Noot'Over de omkopingsvariant van het gebruik van invloed' Tekst van de beslissing Nr. P.19.1263.N I F M M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Patrick Leenders, advocaat bij de balie Limburg. II A Ç, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 november
  3. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de beginselen van tegenspraak en eerbiediging van het recht van verdediging naar aanleiding van de afwijzing van de vraag tot bewijsuitsluiting: het appelgerecht stelt ten onrechte dat het onderzoek naar de regelmatigheid van de telefoontaps op een correcte manier is gebeurd en zonder miskenning van het recht van verdediging van de beklaagden, doordat zij allen inzage hebben gehad in het dossier op grond waarvan de telefoontaps werden toegestaan; in tegenstelling tot wat het arrest stelt, had de eiser I geen inzage in het bewuste dossier; het appelgerecht miskent ook de motiveringsplicht door te stellen dat de taps waren toegelaten gelet op de informatie inzake criminele contacten, terwijl dit niet blijkt uit het dossier; het arrest miskent hierbij ook de tegenspraak doordat het zich baseert op stukken die werden voorgelegd door een medebeklaagde terwijl de conclusietermijnen van de beklaagden gezamenlijk vervielen en miskent verder het recht van verdediging van de eiser I door te weigeren het oorspronkelijke dossier bij te brengen teneinde de wettigheid na te gaan van de telefoontaps.
  5. Het arrest (p. 19) oordeelt dat de beklaagden, waaronder de eiser I, naar aanleiding van de behandeling in hoger beroep ook inzage hebben gekregen vanwege het openbaar ministerie in het volledige strafdossier HA.10.F1.1143/2012 en dat aan het verweer van de beklaagden, waaronder de eiser I, dat hun recht van verdediging zonder volledige inzage van dit strafdossier zou zijn miskend, aldus werd tegemoetgekomen. In zoverre het middel stelt dat de eiser I geen inzage had in het bewuste dossier en dat het arrest zich in dit verband baseert op stukken die werden overgelegd door een beklaagde ten aanzien van wie conclusietermijnen golden die gezamenlijk vervielen, komt het op tegen een onaantastbare beoordeling van de feiten door het appelgerecht en is het niet ontvankelijk.
  6. In zoverre het middel stelt dat, in tegenstelling tot wat het arrest aanneemt, niet blijkt uit het dossier dat de taps waren toegelaten gelet op de informatie inzake criminele contacten, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het eveneens niet ontvankelijk.
  7. Wanneer bewijzen die voor de bodemrechter worden aangevoerd afkomstig zijn van een telefoontap in een dossier dat hem niet is overgelegd, oefent het vonnisgerecht toezicht uit op de wettigheid van die maatregel op grond van de op die telefoontap betrekking hebbende beschikkingen en stukken die hem regelmatig in afschrift tijdens het debat worden overgelegd. Niet vereist is dat het vonnisgerecht hierbij noodzakelijk de overlegging beveelt van het volledige strafdossier waarin die telefoontap werd bevolen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek: het arrest stelt ten onrechte, mede door de overname van de motieven van het beroepen vonnis, dat de facturen fictieve gegevens bevatten met het oogmerk om te schaden en derhalve vals zijn; er werd wel degelijk verkiezingsdrukwerk geleverd, waarbij de desbetreffende prestaties werden betaald door een derde, wat een correcte facturatie en geen fictie uitmaakt, ook al werd het bewuste drukwerk niet geleverd aan deze derde; het arrest oor¬deelt bovendien dat de eiser I hierbij noodzakelijke hulp heeft verleend zonder te specificeren door welke hulp de eiser I zou hebben bijgedragen aan de valsheid.
  9. Uit de redenen van het beroepen vonnis (p. 13-14), die het arrest overneemt (p. 25), blijkt dat de appelrechters van oordeel zijn dat: - de facturen vals zijn omdat de door de firma Master-Y-Visual van Y Z geleverde prestaties voor verkiezingsdrukwerk werden gefactureerd aan Deta-Link Nederland bv van de oorspronkelijk derde beklaagde en laten uitschijnen dat zij betrekking hebben op prestaties voor drukwerk die besteld en aangekocht werden door Deta-Link Nederland bv, terwijl in werkelijkheid de factuur 2012038 van 9 oktober 2012 betrekking heeft op prestaties met betrekking tot verkiezingsdrukwerk die Y Z heeft geleverd aan de eiser II voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 waaraan deze als kandidaat deelnam; - de factuur 2013003 van 2 januari 2013 betrekking heeft op een verdoken vergoeding voor de omkoping en een fictie inhoudt omdat er geen correspon¬derende prestaties waren; - de eiser II door de ficties die zijn opgenomen in de factuur van 9 oktober 2012 de decretaal verplichte aangifte van verkiezingsuitgaven en sponsoring heeft omzeild, daar deze factuur is geadresseerd aan een derde, namelijk de firma Deta-Link Nederland bv, die niets te maken heeft met de verkiezingen; - de tweede factuur van 2 januari 2013 werd opgesteld om het misdrijf van omkoping te verdoezelen, met name door een facturatie aan een tussenpersoon, en aldus de tweede betaling van 2.500,00 euro voor Deta-Link Nederland bv te kunnen verantwoorden ten aanzien van derden zonder een rechtstreeks spoor van een betaling aan de eiser II; - de gegevens van het strafdossier aantonen dat de factuur van 9 oktober 2012 is opgesteld met de bedoeling op een verdoken wijze Y Z en zijn onderneming Master-Y-Visual te betalen voor dienstprestaties inzake ver¬kiezingsdrukwerk die aan de eiser II werden geleverd en aldus de wetgeving inzake de verkiezingsuitgaven te omzeilen. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters van oordeel zijn dat de beide facturen vals zijn omdat ze betrekking hebben op fictieve prestaties, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  10. Het middel voert ook aan dat er sprake was van een correcte facturatie, waarbij de eindbestemmeling van de factuur prestaties betaalt die werden geleverd aan een derde en dat de factuur 2013003 van 2 januari 2013 geen betrekking had op fictieve prestaties maar op “een vorm van verkiezingssponsoring”. In zoverre komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
  11. Met betrekking tot de door de eiser I geleverde noodzakelijke hulp stelt het arrest (p. 26) dat de eiser I wist waaraan hij meewerkte en noodzakelijke hulp heeft geboden opdat de valse facturen konden worden opgesteld en de omkoping kon worden georganiseerd, waarbij de appelrechters, mede door de overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 16), oordelen dat: - de eiser I de oorspronkelijk derde beklaagde heeft geïntroduceerd bij de eiser II en tussen beide heeft bemiddeld en zeer actief heeft geholpen met de verkiezingscampagne van de eiser II, waarbij hij ook actief zocht naar sponsors en werkkrachten; - tijdens een telefoongesprek van 28 september 2012 de eiser II aan de eiser I vroeg of hij toch niet bijkomend kon sponsoren voor 5.000,00 euro dan wel of hij iemand kende die dat kon, daar dit nodig was voor het drukwerk; - de eiser I in een later gesprek meldde dat hij een ondernemer, namelijk de derde beklaagde, kende die hem had gevraagd of hij geen mensen kende met een hoge functie bij Infrax, daar hij voor die laatste werken wilde uitvoeren; - de eiser I contact opnam met de derde beklaagde en dan met de eiser II en vervolgens een lunchafspraak regelde waarop een en ander werd besproken; - als resultaat hiervan werd afgesproken dat de derde beklaagde de eiser II zou “sponsoren” en dus die kosten van verkiezingsdrukwerk op zich zou nemen in ruil voor zijn tussenkomsten bij Infrax; - op diezelfde vergadering een betaling voor de eiser II van 2.500,00 euro (factuur van 2 januari 2013) werd afgesproken; - op de telefoontap duidelijk te horen is dat de eiser II en de eiser I onderling bellen over de modaliteiten van de facturatie en de bedragen, waarna de eiser I de derde beklaagde contacteert om dat af te spreken, waarbij er sprake is van 5.000,00 euro en een facturatie voor het drukwerk van 2.500,00 euro; - het duidelijk is dat de eiser I noodzakelijke hulp heeft geboden bij het plegen van het misdrijf van opstellen van valse stukken en zich niet louter heeft beperkt tot het aan elkaar voorstellen van de eiser II en de derde beklaagde; - zonder de bemiddelende hulp van de eiser I de misdrijven met betrekking tot het opstellen van valse stukken niet hadden kunnen worden gepleegd. Aldus is de beslissing dat de eiser I noodzakelijke hulp heeft geboden bij het plegen van valsheid in geschrifte met betrekking tot de facturen van 9 oktober 2012 en van 2 januari 2013 regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 246 Strafwetboek: het arrest motiveert niet welke daden van uitvoering de eiser I zou hebben gepleegd waardoor hij schuldig zou zijn aan actieve omkoping; de eiser I heeft louter gemeenschappelijke kennissen met elkaar in contact gebracht en had geen uitstaans met de verkiezingen, het drukwerk en de vennootschappen van de derde beklaagde; sponsoring van politici en politiek dienstbetoon zijn toegelaten en de eiser I heeft de eiser II louter geholpen door na te gaan wat de te volgen legale procedure is om in aanmerking te komen voor aanbestedingen in België; de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van actieve omkoping zijn verkeerd gekwalificeerd en de desbetreffende beslissing is niet regelmatig met redenen omkleed.
  13. Het arrest veroordeelt de eiser I voor de telastleggingen A (behalve voor wat betreft het gebruik van de valse facturen) en D samen tot een hoofdgevangenisstraf van acht maanden met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar en een geldboete van 1.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 6.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Die straf is naar recht verantwoord door de bewezenverklaarde telastlegging A, zodat het middel, dat enkel betrekking heeft op de telastlegging D, niet tot cassatie kan leiden en bijgevolg niet ontvankelijk is. Middelen van de eiser II Eerste middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de strafvordering niet onontvankelijk hoewel bewijs teloor is gegaan door het verstrijken van de tijd en dit onafhankelijk van de eiser II; de appelrechters geven in dit verband geen afdoende antwoord op de door de eiser II in zijn appelconclusie aangehaalde verweermiddelen, waarbij hij had aangevoerd dat door het verstrijken van de in artikel 197, § 5, tweede lid, Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 bepaalde bewaartermijn voor de bewijsstukken in verband met de verkiezingsuitgaven, bepaalde bewijsstukken teloor zijn gegaan.
  15. Het middel gaat er ten onrechte van uit dat artikel 197, § 5, tweede lid, Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, dat werd ingevoerd door artikel 7 Decreet van 3 juni 2016 houdende wijziging van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat de omzetting van de aanbevelingen van GRECO betreft, van toepassing is op de lokale verkiezingen van oktober
  16. In zoverre faalt het middel naar recht.
  17. De eiser II voerde in zijn appelconclusie aan dat: - hij alle bewijsstukken betreffende de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen met betrekking tot de lokale verkiezingen 2012 had binnengebracht bij zijn politieke partij, die instond voor de administratieve verwerking ervan; - artikel 197, § 5, tweede lid, Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, zoals het ten tijde van de feiten van toepassing was, voorziet in een bewaartermijn van twee jaar na de datum van de verkiezingen voor de bewijsstukken van de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen; - hij pas in 2016 voor de eerste maal in kennis werd gesteld van zijn vervolging wegens inbreuken in verband met de verkiezingsuitgaven van 2012 en de bewijsstukken, gelet op het verstrijken van de voormelde bewaartermijn, niet meer ter beschikking waren; - hij hierdoor de gegrondheid van de telastleggingen niet afdoende kon betwisten en niet elk verweermiddel meer kon aanvoeren; - door het teloorgaan van het bewijs zijn recht van verdediging, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, dermate werd geschaad dat de strafvordering onontvankelijk moest worden verklaard.
  18. Mede door de overname van de overwegingen van het beroepen vonnis (arrest, p. 17, laatste alinea), oordelen de appelrechters dat het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 niet voorziet in de bestraffing van passieve en actieve omkoping en evenmin in de bestraffing van het opstellen van valse facturen, terwijl de strafbaarstelling van onjuiste aangiftes volgens dit decreet slechts een onachtzaamheidsmisdrijf inhoudt en een vervolging wegens valsheid in geschriften, dat een bedrieglijk opzet of een oogmerk om te schaden veronderstelt, niet in de weg staat (beroepen vonnis, p. 11-12). Het arrest veroordeelt de eiser II wegens valsheid in geschriften met betrekking tot de door de firma Master-Y-Visual aan Deta-Link Nederland bv gerichte facturen nr. 2012038 van 9 oktober 2012 en nr. 2013003 van 2 januari 2013 en wegens gebruik van de valse factuur nr. 2012038 van 9 oktober 2012 (telastlegging A), wegens passieve omkoping (telastlegging B) en wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken met betrekking tot de aangiftes van verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen voor de verkiezingsuitgaven in verband met de lokale en provinciale verkiezingen van 14 oktober 2012 (telastlegging C).
  19. Na te hebben geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden, wijzen de appelrechters erop dat de eiser II volstaat met een algemene verwijzing naar artikel 197, § 5, tweede lid, Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 zonder te preciseren welke bewijsstukken betreffende de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen, behalve deze die het strafonderzoek heeft opgeleverd, zouden zijn teloorgegaan, en dat het niet aannemelijk wordt gemaakt dat de bewijsstukken die het strafonderzoek heeft opgeleverd op enige wijze onbetrouwbaar zouden zijn geworden door het verloop van de tijd, waardoor er geen redenen zijn om de strafvordering op deze gronden onontvankelijk te verklaren. Met deze overwegingen beantwoordt het arrest het door de eiser II aangevoerde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  20. In zoverre het middel aanvoert dat er door het verstrijken van de tijd bewijsgegevens zijn teloorgegaan, onafhankelijk van het gedrag van de eiser II, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd doordat de appelrechters enerzijds oordelen dat de getuigenverklaringen van A B en Y Z niet doorslaggevend zijn voor de schuldigverklaring en een verhoor ter rechtszitting van deze getuigen bijgevolg niet nodig is, en, anderzijds, door de overname van de redenen van het beroepen vonnis, de schuldigverklaring van de eiser II baseren op de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen van A B en Y Z, waardoor het aannemelijk is dat die verklaringen het resultaat van de zaak hebben bepaald.
  22. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het toekennen van een mindere bewijswaarde aan dergelijke verklaringen, het voorhanden zijn van een video-opname van het tijdens het vooronderzoek afgenomen verhoor wat een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring moet toelaten, het bestaan van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring ondersteunt of bevestigt, de mogelijkheid om aan de getuige geschreven vragen te bezorgen of de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken op het vlak van de geloofwaardigheid van de getuige of interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde, tenzij één van de criteria van dermate overwegend belang is dat dit criterium volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt.
  23. De appelrechters oordelen (p. 23) dat: - de verklaringen van deze getuigen geenszins de enige of doorslaggevende elementen zijn waarop de schuldigverklaring steunt; - de doorslaggevende bewijselementen voor alle telastleggingen de facturen in kwestie waren, alsook de telefoontaps, waardoor ook de verdachtmaking van omkoping door middel van valse facturen aan het licht is gekomen; - de overige bewijselementen, inclusief de verklaringen van allerhande getuigen deze hypothese verder hebben ondersteund, maar op zich niet doorslaggevend waren.
  24. Wanneer de strafrechter een getuigenverklaring als niet doorslaggevend voor de schuldigverklaring beschouwt, mag hij die verklaring als steunbewijs in aanmerking nemen, althans in zoverre niet blijkt dat die verklaring dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat ze het resultaat van de zaak heeft bepaald. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  25. Het beroepen vonnis, waarvan het arrest de redenen overneemt (p. 25), verwijst wat het oordeel over de schuldvraag betreft in het bijzonder naar de volgende elementen van het strafdossier (p. 12 e.v.): - de vaststellingen van de verbalisanten; - de resultaten van het telefonieonderzoek; - de analyse van de tussen de beklaagden uitgewisselde gesprekken en berichten, alsook van de berichten en gesprekken van de eiser II met getuige Z; - de voorliggende overtuigingsstukken, met name
(1)de aangifte van ver¬kiezingsuitgaven door kandidaten formulier A105,
(2)de aangifte van herkomst van de geldmiddelen voor verkiezingsuitgaven formulier A106 en
(3)de facturen nrs. 2012038 van 09.10.2012 en 2013003 van 02.01.2013 van Master-Y-Visual aan Deta-Link Nederland bv; - de verklaringen van de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg Limburg; - de verklaringen van getuige A B; - de verklaringen van getuige Z en de door hem voorgelegde stukken, waarbij een deel van de verklaring van deze getuige in het beroepen vonnis wordt aangehaald (p. 15); - de vaststellingen van de verbalisanten in verband met de administratieve stukken van zowel Deta-Link Nederland bv als Master-Y-Visual, alsook het onderzoek naar de betalingen; - de vaststellingen van de verbalisanten tijdens het onderzoek naar de overige verkiezingsuitgaven van de eiser II; - de verklaringen van de eiser II, afgelegd op 25 augustus 2016 en 14 juni 2017 met respect van zijn recht van verdediging, alsook deze die hij op de rechtszitting van de rechtbank heeft afgelegd; - de verklaringen van de eiser I, afgelegd op 15 september 2016 met respect van zijn recht van verdediging, alsook deze die hij heeft afgelegd op de rechtszitting van de rechtbank; - de verklaringen van de derde beklaagde, afgelegd op 8 november 2016 en op 19 mei 2017 met respect van zijn recht van verdediging. Noch uit deze overwegingen, noch uit enige andere overweging van het beroepen vonnis of het arrest blijkt dat de appelrechters aan de verklaringen van A B en Y Z een dermate belang zouden hebben gehecht dat het aannemelijk is dat deze verklaringen, of een ervan, het resultaat van de zaak, meer bepaald hun beoordeling van de schuld van de eiser II aan de hem telastgelegde feiten, zouden hebben bepaald. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Derde middel
  1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 90ter, 90quater, 90quinquies, 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser II dat de machtigingen tot verlengingen van de afluistermaatregel op het nummer van de eiser I niet waren gewettigd; door te oordelen dat een verlenging van een afluistermaatregel is gewettigd omdat er sprake is van contacten met andere verdachten, is het arrest niet naar recht verantwoord.
  2. De eiser II voerde in zijn appelconclusie aan dat er tijdens het verloop van de afluistermaatregel niet voldoende ernstige elementen werden ontdekt die de verlengingen van die maatregel konden wettigen, de gevoerde gesprekken dermate vaag waren dat er geen nadere details werden weergegeven over de besproken materie en de loutere vermelding van contacten met verscheidene gekende personen zonder in concreto aan te duiden in hoeverre de inhoud van die contacten aanwijzingen konden vormen voor het plegen van strafbare feiten, geen rechtvaardiging kon inhouden voor de machtigingen tot verlenging van de tapmaatregel.
  3. Wat de regelmatigheid van de telefoontap in het drugdossier betreft, oor¬deelt het arrest (p. 20-21) onder meer als volgt: - de initiële machtiging tot telefoontap werd door de onderzoeksrechter wettig gemotiveerd met vermelding van de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, waarbij de onderzoeksrechter de verdenkingen van drughandel met name motiveerde door te verwijzen naar feiten in een Duitse zaak waarbij onder andere een zekere M S betrokken zou zijn geweest; - deze inlichtingen uit het Duitse dossier hebben mede geleid tot de veroordeling van de genaamde M S voor drugfeiten in België; - hierdoor was de onderzoeksrechter gerechtigd om een tapmaatregel te bevelen op het telefoonnummer van de eiser I, zich baserend op inlichtingen dat ook hij criminele contacten onderhield met M S in het kader van drughandel, daar een tapmaatregel ook kan worden bevolen ten aanzien van personen van wie op grond van precieze feiten wordt vermoed dat zij geregeld in verbinding staan met een persoon op wie een verdenking rust; - voorafgaand aan de eerste tapbeschikking werden de veelvuldige contacten met M S bevestigd door een retroactief onderzoek; - ook de navolgende beschikkingen voor verlenging van deze tapmaatregel werden steeds gemotiveerd en geactualiseerd, waarbij in de verlengingen van 1 juni 2012, 27 juni 2012, 23 juli 2012, 22 augustus 2012 en 21 september 2012 telkens wordt gemotiveerd, onder verwijzing naar de navolgende processen-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie te Hasselt met telkens een stand van zaken van het lopende onderzoek en van de telefoontap, dat de aanwijzingen voor de precieze feiten van drughandel lijken te worden bevestigd door de lopende telefoontap op het nummer van de eiser I; - uit de navolgende processen-verbaal waarnaar de machtigingsbeslissingen verwijzen, blijkt dat de drempel om een verlenging van de lopende tapmaatregel te bevelen telkens werd gehaald, aangezien er sprake bleef van contacten tussen de eiser I en andere verdachten. Met die overwegingen beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer en verantwoordt het naar recht de beslissing over de rechtsgeldigheid van de machtigingen tot verlenging van de tapmaatregel. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 246, § 1, en 247, § 4, Strafwetboek: de beslissing waarbij de eiser II schuldig wordt verklaard aan passieve omkoping is niet naar recht verantwoord; het in contact brengen door een openbaar ambtenaar van een ondernemer met een openbare overheid of bestuur met als doel de ondernemer mee te kunnen laten dingen bij een aanbestedingsprocedure van die overheid, kan niet worden beschouwd als het aanwenden van invloed; het tot tweemaal toe organiseren van een restaurantvergadering tussen een ondernemer en de technisch directeur van de intercommunale, waarbij de eiser II de onderneming geïntroduceerd heeft, heeft aangedrongen om hem werk te bezorgen en ook heeft aangedrongen op een ontmoeting met de dienst aanbestedingen van de intercommunale, is geen invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikte om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van een handeling te verkrijgen zoals bedoeld in artikel 247, § 4, Strafwetboek; er is aldus niet voldaan aan een constitutief element van het misdrijf van passieve omkoping.
  5. De eiser II wordt onder de telastlegging B veroordeeld wegens passieve omkoping met de omstandigheid dat de omkoping het gebruik tot doel heeft door de persoon die een openbaar ambt uitoefent, van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen, en met de omstandigheid dat de omgekochte persoon de invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikte, effectief heeft aangewend, met name omdat hij als gemeenteraadslid en schepen van de stad Genk en als bestuurslid van de intercommunale Infrax Limburg via tussenpersonen verdoken betalingen voor verkiezingsuitgaven heeft aangenomen van de derde beklaagde en van de Nederlandse onderneming Deta-Link Nederland bv om zijn positie en zijn invloed bij de intercommunale Infrax Limburg te gebruiken zodat deze laatste openbare aanbestedingen zou toewijzen aan de ondernemingen van de derde beklaagde, waaronder Deta-Link Nederland bv en Necess Infra.
  6. De appelrechters baseren zich voor de schuldigverklaring van de eiser II aan de aldus omschreven passieve omkoping op onder meer de volgende overwegingen van het beroepen vonnis (p. 21-22), die het arrest overneemt (p. 25 en 26): - de eiser II heeft via een derde verdoken betalingen voor zijn verkiezingsuitgaven aangenomen van de derde beklaagde en diens vennootschap Deta-Link Nederland bv en bovendien een constructie opgezet om een bijkomende som van 2.500,00 euro te ontvangen voor zijn “bemiddeling” bij Infrax, die te beschouwen is als een openbaar bestuur; - de derde beklaagde was duidelijk in zijn verklaringen aan de politie, waar hij verklaarde dat hij 5.000,00 euro over had om via de eiser II werken bij Infrax binnen te halen, waarbij hij dit bedrag ook heeft betaald aan de eiser II, die hem de indruk had gegeven dat hij dat kon regelen; - het is bewezen dat de eiser II heeft laten uitschijnen dat hij uit hoofde van zijn ambt over invloed beschikte bij Infrax en dat hij in ruil voor de betaling van 5.000,00 euro zijn invloed en positie zou gebruiken zodat Infrax aanbestedingen zou toewijzen aan Deta-Link Nederland bv en Necess Infra, vennootschappen waarin de derde beklaagde belangen heeft; - het doel van de handeling bestond dus uit “het gebruik van de echte of vermeende invloed waarover men uit hoofde van een openbaar ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of nalaten van die handeling te verkrijgen”, hetgeen volstaat om een strafbare handeling voor omkoping te hebben; - favoritisme jegens een inschrijver op een overheidsopdracht kan binnen het bereik van omkoping vallen; - de gegevens van het strafdossier tonen aan dat de eiser II de invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikte, effectief en herhaaldelijk heeft gebruikt; hij heeft tot tweemaal toe een restaurantvergadering georganiseerd met de derde beklaagde en de technisch directeur van Infrax waarbij hij de derde beklaagde en zijn firma’s heeft geïntroduceerd en heeft aangedrongen om hen werk te bezorgen; daarnaast heeft hij aangedrongen op een ontmoeting met de dienst aanbestedingen van Infrax: hij heeft daarover gemaild en gebeld, wat niet alleen blijkt uit de resultaten van telefonie- en mailonderzoeken, maar ook uit de verklaringen van de directeur en de werknemers van de dienst aanbestedingen van Infrax, waaruit ook duidelijk blijkt dat de druk die de eiser II gelegd heeft abnormaal was; - wat hier is gebeurd, overstijgt het loutere “dienstbetoon” van een politicus; de eiser II heeft zich laten betalen om invloed uit te oefenen op Infrax en heeft vervolgens ook stappen ondernomen om daadwerkelijk die invloed te laten gelden.
  7. De in artikel 247, § 4, Strafwetboek bedoelde omkoping die het gebruik tot doel heeft door de persoon die een openbaar ambt uitoefent van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen, vereist niet dat het uitgeoefend openbaar ambt objectief gezien van die aard is dat het de overheid die de handeling moet verrichten, effectief kan beïnvloeden. Het volstaat dat de persoon die het voorstel doet in de overtuiging verkeert dat de persoon tot wie hij zich richt over de noodzakelijke invloed beschikt of dat deze laatste zich voordoet alsof hij over een dergelijke invloed zou beschikken.
  8. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of, rekening houdend met de concrete gegevens en omstandigheden van de zaak, het corruptiepact het gebruik tot doel heeft door een persoon die een openbaar ambt uitoefent, van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen, alsook, in voorkomend geval, of die invloed ook effectief werd aangewend zoals bedoeld in artikel 247, § 4, derde lid, Strafwetboek. Het Hof gaat slechts na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet naar recht kunnen worden verantwoord.
  9. Met de hiervoor vermelde redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat er in de gegeven omstandigheden sprake is van omkoping die het gebruik tot doel heeft door de eiser II van de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn openbaar ambt beschikt om een handeling van een openbaar bestuur te verkrijgen en dat de eiser II de invloed waarover hij uit hoofde van zijn ambt beschikte, hiertoe ook effectief heeft aangewend. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 197 Strafwetboek: de beslissing waarbij de eiser II schuldig wordt verklaard aan het gebruik van de valse factuur nr. 2012038 van 9 oktober 2012 is niet naar recht verantwoord; de loutere onthouding om een valse factuur op te nemen in de aangifte van de verkiezingsuitgaven houdt geen strafbaar gebruik in, daar dit laatste een positieve gebruikshandeling vereist.
  11. Het arrest veroordeelt de eiser II voor valsheid in geschriften met betrekking tot de facturen nrs. 2012038 en 2013003 en gebruik van de valse factuur nr. 2012038 (telastlegging A), private omkoping met de in artikel 247, § 4, derde lid, Strafwetboek bedoelde omstandigheid (telastlegging B) en valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken met betrekking tot de aangiftes van de verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen (telastlegging C) samen tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar en een geldboete van 1.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 6.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, tot een ontzetting uit de in artikel 31 Strafwetboek bedoelde rechten gedurende een termijn van vijf jaar en tot de verbeurdverklaring bij equivalent van een vermogensvoordeel van 2.500,00 euro. Die straf is naar recht verantwoord door de bewezenverklaarde telastleggingen B en C en de bewezenverklaarde valsheid in geschriften, bedoeld in de telastlegging A, zodat het middel, dat enkel betrekking heeft op het in de telastlegging A bedoelde gebruik van de valse factuur nr. 2012038, niet tot cassatie kan leiden en bijgevolg niet ontvankelijk is. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 180,55 euro, waarvan de eiser I 90,27 euro is verschuldigd en de eiser II 90,28 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 16 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090225.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.