id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verzet - Ongedaan verzet - Recht te verschijnen - Recht zich te verdedigen - Afstand - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN PROCESHANDELING Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoek ter terechtzitting - Recht te verschijnen - Recht zich te verdedigen - Verzet - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 10 Het begrip ?wettige reden van verschoning' bevat die gevallen die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, dan wel om zich te onttrekken aan het gerecht; die afstand of die wil kan niet alleen blijken uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook worden afgeleid uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet opdaagt of niet aanwezig blijft op de rechtszitting waarop zij behoorlijk is opgeroepen, terwijl zij voldoende de gevolgen van die beslissing kon inschatten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Recht zich te verdedigen - Recht te verschijnen - Afstand - Onttrekking aan het gerecht - Afwezigheid op de terechtzitting - Behoorlijke oproeping - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verzet - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Recht zich te verdedigen - Recht te verschijnen - Afstand - Onttrekking aan het gerecht - Afwezigheid op de terechtzitting - Behoorlijke oproeping - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN PROCESHANDELING Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoek ter terechtzitting - Recht te verschijnen - Recht zich te verdedigen - Verzet - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Afwezigheid op de terechtzitting - Behoorlijke oproeping - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 11 - 13 De rechter kan het verzet ongedaan verklaren van een partij die tijdens de behandeling van haar zaak de rechtszitting heeft verlaten en dus heeft geweigerd haar verdediging te voeren wegens de verwerping van haar verzoek tot uitstel; daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het enkele feit dat dit verzoek bedoeld was om die partij in staat te stellen een wrakingsverzoek in te dienen, ook al strekt een dergelijk verzoek in principe tot de vrijwaring van het recht op een eerlijk proces en het recht op de behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Ongedaan verzet - Kennis van de dagvaarding - Wettige reden van verschoning - Wrakingsverzoek - Verzoek tot uitstel - Verlaten van de rechtszitting - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Strafzaken - Wrakingsverzoek - Verzoek tot uitstel - Verlaten van de rechtszitting - Verzet - Ongedaan verzet - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Wrakingsverzoek - Verzoek tot uitstel - Verlaten van de rechtszitting - Verzet - Ongedaan verzet - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 14 Uit artikel 440, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat een advocaat voor alle proceshandelingen die hij stelt in een zaak waarin hij zijn cliënt voor de strafrechter vertegenwoordigt, wordt geacht op te treden binnen de perken van het mandaat dat die cliënt hem heeft verleend; dat vermoeden kan niet worden weerlegd
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM en Cass. 3 juni 2020, AR P.20.0302.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.5, AC 2020, nr. 354. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoek ter terechtzitting - Vertegenwoordiging - Proceshandelingen - Mandaat - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 440, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 15 - 16 De artikelen 848 tot 850 Gerechtelijk Wetboek die de ontkentenis van proceshandelingen regelen, zijn niet van toepassing op zaken die worden behandeld volgens de rechtspleging georganiseerd door het Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM en Cass. 3 juni 2020, AR P.20.0302.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.5, AC 2020, nr. 354; GwH 22 februari 2018, arrest 21/2018, www.const-court.be. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Strafzaken - Ontkentenis van proceshandelingen - Advocaat - Vertegenwoordiging - Mandaat - Grenzen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 848, 849 en 850 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoek ter terechtzitting - Vertegenwoordiging - Mandaat - Ontkentenis van proceshandelingen - Grenzen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 848, 849 en 850 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.19.1223.N H P J D R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 1 april 2019 (hierna arrest I) en 18 november 2019 (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan tegen het arrest I en twee middelen tegen het arrest II. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 9 maart 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie. De eiser heeft op 27 maart 2020 een door artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. Op de rechtszitting van 17 juni 2020 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel tegen het arrest I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 2 en 833 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: de appelrechters hebben geweigerd aan de advocaten die de eiser ter rechtszitting van 25 februari 2019 vertegenwoordigden een uitstel toe te staan om een verzoek tot wraking van twee raadsheren in te dienen en zij hebben de zaak op die rechtszitting ten gronde behandeld en in beraad genomen; nochtans moet de rechter in beginsel op een dergelijk verzoek ingaan; de appelrechters hebben aan de eiser het recht ontnomen om door middel van een wrakingsverzoek de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het hof van beroep te betwisten.
- Het feit dat een wrakingsverzoek ertoe strekt de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter te betwisten, heeft niet tot gevolg dat de rechter verplicht is aan een partij een uitstel toe te staan met het oog op het indienen van een wrakingsverzoek dat die rechter kennelijk niet ontvankelijk of niet gegrond acht. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 837 en 838 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters motiveren de verwerping van eisers verzoek tot uitstel met het oog op het indienen van een verzoek tot wraking op grond van een eigen beoordeling van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het voorgenomen wrakingsverzoek; die beoordeling is voorbehouden aan de rechter die bevoegd is om over de wraking te oordelen.
- De appelrechters oordelen: - op de rechtszitting van 25 februari 2019 werd de eiser aanvankelijk vertegenwoordigd door zijn advocaten; - onmiddellijk na de oproeping van de zaak heeft de advocaat van de eiser om een uitstel verzocht teneinde een verzoekschrift te kunnen neerleggen tot wraking van twee van de drie raadsheren die de zetel alsdan samenstelden; hij heeft op die rechtszitting een conclusie met hetzelfde verzoek overgelegd; - de advocaten van de eiser wilden niet toelichten wat de grond tot wraking dan wel zou kunnen zijn; - indien de beweerde grond tot wraking was ontstaan tijdens de behandeling van de zaak op een rechtszitting vóór het tussenarrest van 29 oktober 2018, had het verzoekschrift tot wraking op dat ogenblik moeten worden voorgedragen. Een ontvankelijke wraking op grond van een incident van vóór de uitspraak van dat arrest lijkt in de actuele stand van het geding niet mogelijk; - ook indien de grond tot wraking verband zou houden met de redenen of de beslissingen van het arrest van 29 oktober 2018 zelf, diende de wraking te worden voorgedragen zodra de eiser ervan op de hoogte was en is dit in de actuele stand van het geding niet meer mogelijk. De eiser wist of minstens diende zich eraan te verwachten dat het hof van beroep na dat arrest de zaak in dezelfde samenstelling voort zou behandelen; - overigens zou de grond tot wraking volgens de advocaten van de eiser slechts bestaan ten opzichte van twee van de drie raadsheren die de zetel op 25 februari 2019 samenstelden; de beweerde grond tot wraking lijkt dan ook geen verband te houden met dat arrest van 29 oktober 2018, want anders gold diezelfde grond ook ten aanzien van de derde raadsheer die dat arrest heeft gewezen en die eveneens zetelde op 25 februari 2019; - de beweerde grond tot wraking kan tot slot ook bezwaarlijk betrekking hebben op een incident dat zich zou hebben voorgedaan na de uitspraak van het arrest van 29 oktober 2018, nu de advocaat van de eiser zijn verzoek om de behandeling van de zaak uit te stellen teneinde het verzoek tot wraking te kunnen indienen, heeft gedaan onmiddellijk nadat het hof van beroep de zaak op de rechtszitting van 25 februari 2019 heeft opgeroepen; tussen de uitspraak van het arrest op 29 oktober 2018 en de oproeping van de zaak op de rechtszitting van 25 februari 2019 heeft zich geen enkel zittingsincident kunnen voordoen dat aanleiding tot de wraking zou kunnen geven; - in deze omstandigheden oordeelt het hof van beroep dat het verzoek tot uitstel van de zaak, zoals het mondeling ter rechtszitting werd geformuleerd en zoals in conclusies aan het hof van beroep is voorgelegd, dilatoir is en dat er geen reden is om hier gevolg aan te geven.
- Eensdeels houdt die motivering geen beoordeling in van enig wrakingsverzoek van de eiser, maar enkel van zijn vraag om de behandeling van de zaak uit te stellen teneinde zulk verzoek later in te dienen. Anderdeels gingen de appelrechters met die motivering na of er op het eerste zicht redenen voorhanden waren waarop het verzoek tot uitstel kon worden gegrond en besluiten zij dat dit niet het geval is. Aldus hebben de appelrechters zich geen beoordeling toegeëigend die hen niet toekwam, maar is hun beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel tegen het arrest I
- Het middel voert schending aan van artikel 12, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing: het arrest oordeelt dat de tegen de eiser ingestelde strafvordering ontvankelijk is, ook al werden de misdrijven van valsheid in geschriften (telastleggingen A.1 tot A.4) in het buitenland gepleegd, omdat de eiser in België werd aangetroffen bij de huiszoeking van 13 juni 2006; aan de voorwaarde dat de verdachte in België wordt gevonden dient echter te zijn voldaan op het moment van het instellen van de strafvordering, dit is 10 mei 2006; aldus stelt het arrest niet vast dat de eiser in België is gevonden op het moment van het instellen van de strafvordering.
- Artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat iedere Belg of persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk, die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een feit dat door de Belgische wet misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, in België kan worden vervolgd indien op het feit straf gesteld is door de wet van het land waar het is gepleegd. Die titel bepaalt in artikel 12, eerste lid, zoals van toepassing, dat behoudens uitzonderingen de vervolging van de vermelde misdrijven alleen plaatsvindt wanneer de verdachte in België wordt gevonden.
- Aan die laatste voorwaarde moet zijn voldaan op het moment van het instellen van de strafvordering. Dit betekent echter niet dat de verdachte in België moet worden gevonden op het moment zelf van het instellen van de strafvordering. Het is vereist, maar volstaat dat de verdachte zich na het plegen van het misdrijf en vóór of ten laatste op het moment van het instellen van de strafvordering, enige tijd in België heeft opgehouden en er is ontmoet of gevonden.
- Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de strafvordering voor de telastleggingen A.1 tot A.4 en de voorwaarde dat de verdachte in België wordt gevonden in de zin van voormeld artikel 12, eerste lid, oordeelt het arrest (p. 10) dat de eiser de Belgische nationaliteit heeft en in België is gevonden bij de huiszoeking op 13 juni 2006 in de woning te Knokke-Heist, Lispannenlaan
- Het (p. 16-17) oordeelt verder, met betrekking tot de telastleggingen C.3, dat de eiser gedurende de gehele incriminatieperiode (dit is tussen 1995 en 2008) in werkelijkheid in België verbleef voor zowel zijn persoonlijke als zijn zakelijke aangelegenheden. Op grond van die redenen, waarop het arrest bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie niet nader moest ingaan, verantwoordt het naar recht de beslissing dat de strafvordering voor wat betreft de telastleggingen A.1 tot A.4 ontvankelijk is wegens het voldaan zijn aan de hier bedoelde voorwaarde. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel tegen het arrest I
- Het middel voert schending aan van de artikelen 193 en 196 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser wegens valsheid in geschriften zonder uitdrukkelijk vast te stellen dat is voldaan aan alle constitutieve bestanddelen van dat misdrijf; daartoe is de rechter nochtans verplicht, ook zonder conclusie waarin de beklaagde die constitutieve bestanddelen betwist; meer bepaald vermeldt het arrest nergens dat de in de telastleggingen A.1 tot A.4 vermelde documenten authentieke of openbare geschriften betreffen, dan wel bank- of handelsgeschriften of private geschriften, die zich opdringen aan het openbaar vertrouwen.
- Uit de als geschonden vermelde wetsbepalingen volgt niet dat de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een misdrijf in de bewoordingen van de wet, bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie uitdrukkelijk moet vaststellen dat voldaan is aan alle constitutieve bestanddelen van dat misdrijf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eiser is onder de telastleggingen A.1 tot A.4 vervolgd wegens vier feiten van valsheid in handels-, bank of private geschriften, met vermelding van de bewoordingen van de wet en met opgave van de feitelijke gegevens waarop elke telastlegging berust. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan die misdrijven en voegt onder meer eraan toe dat de in de telastleggingen bedoelde documenten de eiser onder meer in staat stelden zich te onttrekken aan de belastingplicht. Aldus verantwoordt het eisers veroordeling aan die telastleggingen naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel tegen het arrest II
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het verzet van de eiser tegen het arrest I ongedaan omdat geen wettige reden van verschoning volgt uit het feit dat eisers voormalige advocaten de rechtszitting van 25 februari 2019 hebben verlaten wegens het weigeren van een uitstel voor het indienen van een wrakingsverzoek dat steunt op een ongeloofwaardige grondslag en dat duidelijk kadert in een verweer dat enkel als bedoeling had zich niet te hoeven verdedigen over de grond van de zaak en zich te onttrekken aan het gerecht; een wettige reden van verschoning is een reden die geen overmacht uitmaakt en waarmee de versteklatende partij die kennis had van de dagvaarding aannemelijk maakt dat haar afwezigheid op de rechtszitting niet was ingegeven door de wens om afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht; met dit laatste wordt bedoeld dat de beklaagde is gevlucht of alleszins zijn werkelijke verblijfplaats tracht te verhullen om zich onvindbaar te maken voor de rechterlijke autoriteiten; het arrest dat niet vaststelt dat de eiser zich in die zin wilde onttrekken aan het gerecht, kan uit de feitelijke vaststellingen die het bevat niet wettig afleiden dat de afwezigheid van de eiser en zijn raadslieden op de vermelde rechtszitting niet was ingegeven door een wettige reden van verschoning. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 187, § 6, 1°, en 208 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: bij de beslissing over het al dan niet ongedaan verklaren van het verzet van een partij die de rechtszitting heeft verlaten, dient de rechter te kijken naar de onderliggende reden voor die handelwijze; wanneer die handelwijze het gevolg is van een beslissing van de strafrechter die de wil om zich te verdedigen fnuikt, is de afwezigheid van de verdediging gerechtvaardigd door een wettige reden van verschoning omdat die partij in dat geval niet kan worden geacht impliciet afstand te hebben gedaan van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen; dit is het geval wanneer de strafrechter, zoals hier, tijdens de laatst geplande zitting vóór de sluiting van het debat weigert een in beginsel kort uitstel van de behandeling van de zaak te verlenen om de partij toe te laten een wrakingsverzoek in te dienen en zodoende haar recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter te vrijwaren.
- Het arrest verklaart het verzet van de eiser ongedaan zowel wegens zijn verzaking aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen als wegens zijn intentie zich aan het gerecht te onttrekken. De eerst vermelde reden, die volstaat voor het ongedaan verklaren van het verzet, vereist niet de vaststelling dat de eiser zich onvindbaar heeft willen maken voor de rechterlijke autoriteiten door te vluchten of zijn werkelijke verblijfplaats te verhullen. In zoverre kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het tweede onderdeel is afgeleid uit de onwettigheid die de eiser vergeefs heeft aangevoerd in het eerste middel, eerste onderdeel, tegen het arrest I, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden wordt overgelaten aan het soevereine oordeel van de rechter.
- Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever misbruiken van de verzetsprocedure, in het bijzonder het strategisch gebruik van het verstek als vertragingsmanoeuvre, heeft willen tegengaan door de mogelijkheid te beperken om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- Uit de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, dan wel om zich te onttrekken aan het gerecht. Die afstand of die wil kan niet alleen blijken uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar kan ook worden afgeleid uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet opdaagt of niet aanwezig blijft op de rechtszitting waarop zij behoorlijk is opgeroepen, terwijl zij voldoende de gevolgen van die beslissing kon inschatten. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar, maar het Hof gaat na of hij uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- De rechter kan het verzet ongedaan verklaren van een partij die tijdens de behandeling van haar zaak de rechtszitting heeft verlaten en dus heeft geweigerd haar verdediging te voeren wegens de verwerping van haar verzoek tot uitstel. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het enkele feit dat dit verzoek bedoeld was om die partij in staat te stellen een wrakingsverzoek in te dienen, ook al strekt een dergelijk verzoek in principe tot de vrijwaring van het recht op een eerlijk proces en het recht op de behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.
- Het arrest oordeelt in essentie als volgt: - de eiser was vertegenwoordigd door zijn advocaat op de rechtszittingen van het hof van beroep van 19 september 2016, 18 december 2017 en 3 december 2018, dit laatste na een tussenarrest van 29 oktober
- Hij was op de vastgestelde rechtsdag van 25 februari 2019 bij de aanvang van de behandeling van de zaak vertegenwoordigd door twee advocaten; - de appelrechters zijn niet ingegaan op het verzoek van die advocaten om de zaak uit te stellen teneinde een verzoek tot wraking van twee raadsheren van de zetel te kunnen indienen, omdat dit verzoek in de door de appelrechters vastgestelde omstandigheden leek ingegeven door louter dilatoire doeleinden; - de huidige bewering van de eiser dat het verzoek tot uitstel voor het indienen van een wrakingsverzoek zijn oorsprong zou vinden in een hoge graad van vijandschap tussen één van zijn advocaten en twee raadsheren van de zetel in het kader van een andere zaak, mist elke geloofwaardigheid, terwijl die reden in de hier behandelde zaak bovendien geen wrakingsgrond voor de eiser kan opleveren; - het is derhalve duidelijk dat het verweer van de eiser op de rechtszitting van 25 februari 2019 werd opgeworpen met de enkele bedoeling zich niet te hoeven verdedigen over de grond van de zaak en zich te onttrekken aan het gerecht. Het oordeelt eveneens dat de beslissing van eisers advocaten om op de rechtszitting van 25 februari 2019 verstek te laten gaan steunde op een regelmatige lastgeving vanwege de eiser. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat eisers verzet ongedaan is omdat hij geen gewag maakt van een wettige reden van verschoning. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Tweede middel tegen het arrest II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij niet op de hoogte was van het initiatief van zijn toenmalige raadslieden om ter rechtszitting van 25 februari 2019 een uitstel te vragen met het oog op het indienen van een wrakingsverzoek en de rechtszitting te verlaten na de weigering van dat verzoek, alsook dat het uit artikel 440, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek afgeleide vermoeden dat de advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, niet uitsluit dat de nalatigheid van de raadsman voor die procespartij een situatie van overmacht of een wettige reden van verschoning kan uitmaken omdat die gedragingen aan die procespartij niet toerekenbaar zijn; de redenen van het arrest laten aan procespartijen en derden niet toe te begrijpen waarom de appelrechters op dit punt niet ingaan op de argumentatie van de eiser.
- Artikel 440, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist.”
- Uit die bepaling volgt dat een advocaat voor alle proceshandelingen die hij stelt in een zaak waarin hij zijn cliënt voor de strafrechter vertegenwoordigt, wordt geacht op te treden binnen de perken van het mandaat dat die cliënt hem heeft verleend. Dat vermoeden kan niet worden weerlegd. De artikelen 848 tot 850 Gerechtelijk Wetboek, die de ontkentenis van proceshandelingen regelen, zijn immers niet van toepassing op de zaken die worden behandeld volgens de rechtspleging georganiseerd door het Wetboek van Strafvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering en artikel 440, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest kan uit de vaststellingen die het bevat, niet afleiden dat de afwezigheid van de eiser en zijn toenmalige raadslieden op de rechtszitting van het hof van beroep niet was ingegeven door een situatie van overmacht dan wel een wettige reden van verschoning; artikel 440, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek sluit immers niet uit dat onoordeelkundige handelingen of nalatigheden van de raadslieden van een procespartij, ook al werden die gesteld binnen de algemene grenzen van het mandaat ad litem, voor de procespartij zelf in bepaalde omstandigheden een situatie van overmacht of een wettige reden van verschoning kunnen uitmaken; de rechter dient dit te beoordelen aan de hand van alle concrete omstandigheden van de zaak en in het bijzonder of dat handelen of nalaten met het medeweten van de procespartij heeft plaatsgevonden.
- Het arrest oordeelt niet dat de voormalige advocaten van de eiser onoordeelkundig hebben gehandeld of een nalatigheid hebben begaan. In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
- Op grond van de redenen die het vermeldt, kan het arrest wettig oordelen dat de handelwijze van eisers advocaten ter rechtszitting van 25 februari 2019 voor de eiser geen overmacht of wettige reden van verschoning oplevert, zodat zijn verzet ongedaan is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 17 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200617.2N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200915.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221207.2F.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div