← België

VLAAMSE GEWEST contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.22 Rolnummer: C.19.0299.N Zaak: VLAAMSE GEWEST contra M. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2021-12-09 Raadplegingen: 734 - laatst gezien 2026-06-19 22:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de wet geen onderscheid maakt, mag ook geen onderscheid worden gemaakt, zodat onder "een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer" zowel een algehele als een gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit van een maand of meer moet worden verstaan. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: Schade - Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds - Lichamelijk letsel - Tijdelijke invaliditeit van een maand of meer - Begrip - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Artt. 19bis-11, § 1, 7°, en 19bis-13, § 3, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1989011371 KB 11 juli 2003 houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds - 11-07-2003 - Art. 23, § 1 - 98 ELI link Pub nr 2003011513 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor verzekeringen [T.Verz.] - 2021, nr. 2, p. 200-

  1. - ROGGE, Jean; Noot'Een partiële tijdelijke invaliditeit van 1 maand of meer als voorwaarde voor een aanzienlijk lichamelijk letsel' Tekst van de beslissing Nr. C.19.0299.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen
  2. F. M., eerste verweerder,
  3. BELGISCH GEMEENSCHAPPELIJK WAARBORGFONDS, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Liefdadigheidsstraat 33, bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0407.229.655, tweede verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/
  4. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 25 februari
  5. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  6. Krachtens artikel 19bis-11, § 1, 7°, WAM kan elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds vergoeding verkrijgen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt, indien dat motorrijtuig niet kan geïdentificeerd worden.
  7. Krachtens artikel 19bis-13, § 3, eerste lid, WAM kan in het geval bedoeld bij artikel 19bis-11, § 1, 7°, en wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan op het Belgische grondgebied, de Koning de verplichtingen van het Fonds beperken tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels. Overeenkomstig artikel 23, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds wordt in het geval bedoeld bij artikel 19bis-11, § 1, 7°, van de wet de vergoedingsverplichting van het Fonds beperkt tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels.
  8. Krachtens artikel 19bis-13, § 3, tweede lid, WAM is deze beperking evenwel niet toegelaten wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig. Krachtens het derde lid wordt als aanzienlijk lichamelijk letsel beschouwd, een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel:
  9. de dood van de benadeelde;
  10. een bestendige invaliditeit van 15 pct. of meer;
  11. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;
  12. een hospitaalopname van zeven dagen of meer heeft veroorzaakt. De Koning kan overeenkomstig het vierde lid de voorwaarden, waaronder een lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, nader bepalen of de lijst ervan aanvullen.
  13. Waar de wet geen onderscheid maakt, mag ook geen onderscheid gemaakt worden. Hieruit volgt dat onder “een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer” zowel een algehele als een gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit van een maand of meer moet worden verstaan.
  14. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eerste verweerder ingevolge het ongeval van 21 december 2012 de volgende persoonlijke ongeschiktheid heeft opgelopen: achtereenvolgens 50 pct. gedurende 11 dagen, 25 pct. gedurende 15 dagen, 15 pct. gedurende 16 dagen, 10 pct. gedurende 28 dagen, 7 pct. gedurende 61 dagen, 5 pct. gedurende 61 dagen en 3 pct. gedurende 174 dagen; - de tweede verweerder van oordeel is dat in artikel 19bis-13, § 3, WAM, onder de passage “een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer”, noodzakelijkerwijze een tijdelijke invaliditeit van 100 pct. moet worden begrepen; - de rechtbank zich aansluit bij de visie van de tweede verweerder dat de wetgever met de passage “een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer” noodzakelijkerwijze een tijdelijke invaliditeit van 100 pct. heeft bedoeld; - een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer die bijvoorbeeld maar 1 pct. zou bedragen, inderdaad onmogelijk als een “aanzienlijk lichamelijk letsel” kan worden beschouwd; - de tekst van de wet dus onvoldoende uitgewerkt is en bijgevolg wel degelijk moet worden geïnterpreteerd.
  15. De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat de eiser, wat de voertuigschade van de eerste verweerder betreft, geen vordering in vrijwaring tegen de tweede verweerder heeft, schendt artikel 19bis-13, § 3, derde lid, 3°, WAM. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de vrijwaringsvordering van de eiser tegen de tweede verweerder en de hieraan verbonden kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Limburg, zetelend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans en in openbare rechtszitting van 18 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.22 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231002.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.