id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.79 Rolnummer: C.19.0343.N Zaak: D. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-06-10 Raadplegingen: 1289 - laatst gezien 2026-06-20 06:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Bij een aansprakelijkheidsvordering rust de bewijslast van de tot aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide, behoudens wettelijke of contractuele afwijking, in de regel op de benadeelde
(1).
(1)Cass. 11 januari 2019, AR C.18.0210.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.2, AC 2019, nr. 15 met concl. van eerste advocaat-generaal R. Mortier, toen advocaat generaal. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1315 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1315 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 5 Wanneer de benadeelde aanvoert dat hij schade heeft geleden doordat de arts heeft nagelaten hem bepaalde informatie te verschaffen, moet hij niet alleen bewijzen dat de arts hem de informatie daadwerkelijk had moeten geven, maar ook dat hij dat niet heeft gedaan
(1).
(1)Cass. 11 januari 2019, AR C.18.0210.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.2, AC 2019, nr. 15 met concl. van eerste advocaat-generaal R. Mortier, toen advocaat generaal. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Miskenning van algemene zorgvuldigheidsplicht - Schending van informatieverplichting - Bewijslast - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1315 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt - 22-08-2002 - Art. 8, §§ 1, eerste lid, en 2 - 45 ELI link Pub nr 2002022737 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Miskenning van algemene zorgvuldigheidsplicht - Schending van informatieverplichting - Bewijslast - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1315 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt - 22-08-2002 - Art. 8, §§ 1, eerste lid, en 2 - 45 ELI link Pub nr 2002022737 Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALLERLEI Vrije woorden: Patiëntenrechten - Schending van informatieverplichting - Bewijslast - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1315 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt - 22-08-2002 - Art. 8, §§ 1, eerste lid, en 2 - 45 ELI link Pub nr 2002022737 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0343.N J. D. W., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen A. D. S., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 april
- Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF
- Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs le-veren van de feiten die zij aanvoert. Krachtens artikel 1315 Burgerlijk Wetboek moet hij die de uitvoering van een ver-bintenis vordert het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.
- Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat bij een aansprakelijkheidsvor-dering de bewijslast van de tot aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide, behoudens wettelijke of contractuele af-wijking, in de regel op de benadeelde rust.
- Krachtens artikel 8, § 1, eerste lid, Wet Patiëntenrechten heeft de patiënt het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussen-komst van de beroepsbeoefenaar. Krachtens artikel 8, § 2, Wet Patiëntenrechten hebben de inlichtingen die aan de patiënt verstrekt worden, met het oog op het verlenen van diens toestemming be-doeld in § 1, betrekking op het doel, de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie, de voor de patiënt relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en ri-sico's verbonden aan de tussenkomst, de nazorg, de mogelijke alternatieven en de financiële gevolgen. Ze betreffen bovendien de mogelijke gevolgen in geval van weigering of intrekking van de toestemming, en andere door de patiënt of de be-roepsbeoefenaar relevant geachte verduidelijkingen, desgevallend met inbegrip van de wettelijke bepalingen die met betrekking tot een tussenkomst dienen te worden nageleefd.
- Wanneer de benadeelde aanvoert dat hij schade heeft geleden doordat de arts heeft nagelaten hem de in voormeld artikel 8 Wet Patiëntenrechten bepaalde informatie te verschaffen, moet hij niet alleen bewijzen dat de arts hem de infor-matie daadwerkelijk had moeten geven, maar ook dat hij dat niet heeft gedaan.
- De appelrechter oordeelt dat: - de eiser de verplichting had de verweerster voorafgaand te informeren over de mogelijke implicaties van de voorgenomen ingreep; - het aan de eiser behoort om afdoend te bewijzen dat hij de verweerster vooraf-gaand heeft geïnformeerd over de complicatie die zich voordeed; - de eigen verklaringen van de eiser in dit verband geen bewijswaarde hebben; - een consultatieverslag en het verslag van de operatiekamer niet toelaten om zonder meer te vermoeden dat de eiser de verweerster informeerde over de mogelijke complicaties eigen aan de specifieke ingreep; - evenmin uit het wachten door de verweerster na de consultatie gedurende en-kele maanden alvorens de ingreep te laten uitvoeren en uit het enkele feit dat de raadsgeneesheren van de verweerster eerst de piste van een mogelijke fout van de eiser bij de ingreep onderzochten, het vermoeden blijkt dat de verweer-ster was ingelicht.
- De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat bij gebrek aan bewijs moet worden aangenomen dat de eiser zijn informatieverplichting heeft miskend, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvan-kelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van grif-fier Vanity Vanden Hende. V. Vanden Hende S. Mosselmans K. Moens B. Wylleman G. Jocqué E. Dirix VOORZIENING IN CASSATIE VOOR: de heer D. W. J., eiser in cassatie, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerika-lei 187/302, TEGEN: mevrouw D. S. A., verweerster in cassatie, Aan de Mevrouw de Eerste Voorzitter en de Heer Voorzitter van het Hof van Cassatie, Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie, Hooggeachte Dames en Heren, Eiser heeft de eer een arrest aan Uw beoordeling voor te leggen dat op te-genspraak tussen de partijen op 8 april 2019 werd uitgesproken door de B1t kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen (A.R. 2018/AR/705). FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
- Eiser is orthopedist in het AZ Turnhout. Verweerster liet op 1 september 2015 een kijkoperatie uitvoeren. Zij laat gelden dat haar werd gemeld dat ze pijn had omdat een pees van haar grote teen gekneld zat in de tunnel waar die door loopt. Na de operatie had zij volgens haar verklaring bij het ontwaken zeer veel pijn. Zij voerde aan dat eiser zou hebben toegegeven tijdens de operatie een bloedvat geraakt te hebben en een zenuw beschadigd te hebben. Het bloedvat zou niet goed hersteld zijn waardoor een uitstulping ontstond.
- Volgens verweerster volgden er nadien nog verschillende ingrepen. Vol-gens haar versie heeft zij nog steeds pijn en is zij meerdere maanden arbeidsonge-schikt geweest. Zij liet gelden dat haar nooit vooraf gezegd werd dat er een moge-lijkheid bestond tot complicaties, maar zou daarentegen haar medegedeeld zijn dat ze na een revalidatie van twee weken terug op de been zou zijn.
- Verweerster ging over tot dagvaarding van eiser bij exploot betekend op 3 mei 2017 voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout. Zij vorderde om eiser te horen veroordelen tot een provisioneel bedrag van 2500 € en om een geneesheer deskundige aan te stellen.
- Bij vonnis van 8 maart 2018 oordeelde de rechtbank dat uit het schrijven van eiser aan de huisarts blijkt dat verweerster duidelijk de tijd heeft gehad om na te denken over het voorstel om een operatie uit te voeren, dat het zo is dat elke operatie complicaties met zich kan meebrengen zonder dat er fouten zijn gemaakt, dat zulks elke normale en zorgvuldige persoon weet en dat eiser terecht zegt dat verweerster geen oorzakelijk verband aantoont nu, zelfs als er een probleem zou zijn met de toestemming, waarvoor er in dezen echter geen aanwijzingen aanwezig zijn, de schade zich evengoed had kunnen voordoen omdat er bij de operatie so-wieso een complicatie kan optreden. Op die grondslag oordeelde de rechtbank dat verweerster niet kan worden toegelaten tot een onderzoeksmaatregel omdat zij niet het vereiste begin van bewijs levert.
- Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend door verweerster bij ver-zoekschrift ingediend ter griffie op 10 april
- Bij arrest van 8 april 2019 oordeelt het hof van beroep dat eiser de ver-plichting had de patiënt voorafgaand te informeren over de mogelijke complicaties van de voorgenomen ingreep, dat hij dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn patiënte in te lichten, dat eiser niet slaagt in deze bewijs-last zodat bij gebrek aan bewijs moet worden aangenomen dat hij zijn informatie-verplichting heeft miskend en aldus een inbreuk heeft gepleegd op artikel 8 Pati-entenwet van 22 augustus
- Het hof van beroep oordeelt verder dat verweerster slaagt in het bewijs van het causaal verband gezien in de gegeven omstandigheden moet worden aange-nomen dat zij de medische ingreep niet zou hebben gevraagd indien ze had gewe-ten dat de ingreep “enigszins delicaat” was omdat in de buurt van de geknelde spierpees een zenuw en een bloedvat dicht bij elkaar zitten en het zich voordoen van de betrokken complicatie zou leiden tot ergere klachten dan zij had. Alvorens te oordelen over het bestaan en de omvang van de schade wordt een deskundigenonderzoek bevolen.
- Tegen dit arrest komt eiser op met het volgend middel tot cassatie. ENIG MIDDEL TOT CASSATIE Geschonden wetsbepalingen ? De artikelen 1315, 1382, 1383 en 1384, en, voor zoveel als nodig, arti-kelen 1146 tot 1153 van het Burgerlijk Wetboek; ? Artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek; ? Voor zoveel als nodig artikel 8 Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt (hierna de Patiëntenrechtenwet). Aangevochten beslissing De appelrechter oordeelt dat de patiënt recht heeft om voorafgaandelijk geïnformeerd te worden en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de arts (artikel 8 Patiëntenrechtenwet) en dat eiser bij toepassing van voormelde rechtsre-gel de verplichting had verweerster voorafgaand te informeren over de mogelijke complicaties van de voorgenomen ingreep gezien uit de regels betreffende de be-wijslast (artikel 1315 BW en 870 Ger.W.) volgt dat de geneesheer-specialist dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn patiënt in te lichten en niet dat laatstgenoemde dient te bewijzen dat de vereiste informatie niet werd gegeven. De appelrechter leidt hieruit af dat eiser bijgevolg behoort een afdoende bewijsvoering te doen van zijn bewering dat hij de patiënte voorafgaand heeft ge-informeerd omtrent de complicatie die zich voordeed en dat hij in deze bewijslast niet slaagt zodat moet worden aangenomen dat hij hier zijn informatieverplichting heeft miskend en aldus een fout heeft begaan. Deze beslissing steunt op de volgende redengeving: “De beweerde beroepsfout 4.2.
- (Verweerster) verwijt aan (eiser) één beroepsfout, het gebrek aan vooraf-gaande informatie over de uitgevoerde ingreep. 4.2.4 De patiënt heeft het recht om voorafgaandelijk geïnformeerd te worden en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de arts (artikel 8 Wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, hierna de Patiënten-rechtenwet). Behalve in geval van hoogdringendheid, onmogelijkheid te in-formeren of weigering om geïnformeerd te worden , verstrekt een zorgvul-dige arts de patiënt op voorafgaande en duidelijke wijze de inlichtingen ver-eist om met kennis van zaken te kunnen instemmen met de voorziene medi-sche tussenkomst. Deze inlichtingen hebben betrekking op het doel, de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie, de voor de patiënt rele-vante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico’s verbonden aan de tus-senkomst, de nazorg, de mogelijke alternatieven en de financiële gevolgen. Ze betreffen bovendien de mogelijke gevolgen in geval van weigering of in-trekking van de toestemming en de andere door de patiënt of de beroepsoe-fenaar relevant geachte verduidelijkingen (vgl. Cass. 26 juni 2009, Arr. Cass. 2009, 1829). Bij toepassing van voormelde rechtsregel had (eiser) hier de verplichting de (verweerster) voorafgaand te informeren over de mogelijke complicaties van de voorgenomen ingreep. Uit de regels betreffende de bewijslast (arti-kel 1315 BW en artikel 870 Ger. W.- volgt dat de geneesheer(-specialist) dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn patiënt in te lichten, en niet dat de laatstgenoemde het negatieve feit dient te bewijzen dat de vereiste informatie hem niet werd gegeven (vgl. Cass 25 juni 2015, www.cass.be). Aan (eiser) behoort het bijgevolg een afdoende bewijsvoering te doen van zijn bewering dat hij t(verweerster) voorafgaand heeft geïnformeerd omtrent de complicatie die zich voordeed. De eigen verklaringen van (eiser) hebben in dit verband geen bewijswaar-de. Niemand kan zichzelf immers een bewijs verschaffen. (Verweerder) verwijst als bewijs nog nar de inhoud van zijn brief aan de huisarts van (verweerster) van 11.5.2015 en naar de inhoud van het verslag van de operatiekamer van 1.9.2015 waarin wordt vermeld: “informed con-sent”. Het (hof van beroep) oordeelt dat deze vermelding in de context van de inhoud van de brief (een consultatieverslag) en het verslag van de opera-tiekamer niet toelaat zonder meer te vermoeden dat de (eiser) (verweerster) informeerde pover de mogelijke complicaties eigen aan de specifieke in-greep. Uit het feit dat (verweerster) na haar consultatie bij (eiser) enkele maanden wachtte alvorens de ingreep te laten uitvoeren, kan naar het oordeel van het (hof van beroep), evenmin het vermoeden worden afgeleid dat (eiser) haar inlichtte over de bewuste complicatie. Ook de inhoud van de verslaggeving van de raadsgeneesheren van (ver-weerster) kan (eiser) geen soelaas bieden. Het enkele feit dat de raadsge-neesheren eerst de piste van een mogelijke fout van (eiser) bij de ingreep onderzochten, laat niet toe te besluiten dat (eiser) (verweerster) voor de in-greep inlichtte over de complicaties ervan. 4.2.5 Bij gebrek aan bewijs moet worden aangenomen dat (eiser) hier zijn infor-matieverplichting heeft miskend, bijgevolg inbreuk heeft gepleegd op artikel 8 Patiëntenrechtenwet en zodoende een fout heeft begaan.” (arrest, blz. 4-6) Grieven Krachtens artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek moet hij die de uitvoe-ring van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Krachtens artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert. Uit deze bepalingen volgt dat de partij die het bestaan van een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 (of, voor zoveel als nodig, in de zin van de arti-kelen 1146 tot 1153) van het Burgerlijk Wetboek aanvoert, het bestaan van deze fout moet aantonen. Dat geldt ook wanneer de fout bestaat in een niet-handelen, inzonderheid in het niet-voldoen aan een uit de algemene zorgvuldigheidsnorm dan wel uit een bijzondere wet (te dezen artikel 8 van de Patiëntenrechtenwet) afgeleide informa-tieverplichting. De rechter vermag weliswaar te oordelen dat een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft te worden geleverd, maar vermag niet de eisende partij van dit bewijs te ontslaan en de te-genpartij het bewijs van het tegengestelde positief bewijs op te leggen. Door aldus verweerster te ontslaan van het bewijs van de fout die zij aan-voert in de zin van de artikelen 1382 en 1383 (of voor zoveel nodig 1146 tot 1153) van het Burgerlijk Wetboek, en eiser het bewijs van het tegengestelde posi-tief bewijs op te leggen, miskent de appelrechter de regels inzake bewijslastverde-ling bij een vordering gesteund op onrechtmatige daad of, voor zovel alsn nodig, contractuele tekortkoming (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbe-palingen, doch in het bijzonder artikel 1315 BW en 870 Ger. Wb.). TOELICHTING Uw Hof heeft geoordeeld dat de patiënt die aanvoert dat de arts niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan, en dat hij daardoor schade heeft geleden, het bewijs daarvan dient te leveren. De rechter vermag weliswaar te oordelen dat een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft te worden geleverd, maar vermag niet de eisende partij van dit bewijs te ontslaan en de tegenpartij het bewijs van het tegengestelde positief bewijs op te leggen (Cass. 16 december 2004, AR C.03.0407.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19, Arr.Cass. 2014, afl. 12, 2081; Cass. 16 december 2004, T.Gez. 2004-05, 298, noot S. LIERMAN). De appelrechter verwijst evenwel naar een recent arrest van Uw Hof, waar-in werd geoordeeld dat uit de regels betreffende de bewijslast volgt dat de advo-caat dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn cliënt in te lichten, en niet dat laatstgenoemde het negatieve feit dient te bewijzen dat de vereiste informatie hem niet werd gegeven (Cass. 25 juni 2015, Arr.Cass. 2015, afl. 6-8, 1763) Eiser is van mening dat het arrest van Uw Hof van 25 juni 2015 niet kan worden toegepast op de voorliggende casus. Zo is in casu sprake van een buitencontractuele aansprakelijkheid voort-vloeiend uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, en niet van een contractuele aansprakelijkheid zoals in de relatie tussen advocaat en cliënt. Uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek kunnen in hoofde van de professionele beroepsbeoefenaar inderdaad informatieverplichtingen worden afge-leid, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak (B. WEYTS en T. VANS-WEEVELT, Handboek aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 130-131, nr. 181). Welnu, de partij die het bestaan van een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aanvoert, moet het bestaan van deze fout aantonen (Cass. 18 november 1997, Arr.Cass. 1997, 1157; Cass. 23 septem-ber 1997, Arr.Cass. 1997, 847). Dat geldt ook indien de fout bestaat in de niet-naleving van een uit de ar-tikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek dan wel uit een bijzondere wet zoals de Patiëntenrechtenwet afgeleide informatieplicht. Weliswaar vermag de rechter te oordelen dat een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft te worden geleverd, maar hij vermag niet de ei-sende partij van dit bewijs te ontslaan en de tegenpartij het bewijs van het tegen-gestelde positief bewijs op te leggen. Dit werd nogmaals bevestigd in het arrest van Uw Hof van 11 januari 2019 (C.18.0210.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.2, met conclusie van advocaat-generaal R. Mortier). Op deze gronden en overwegingen besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiser dat het U, hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht. Antwerpen, 5 juli 2019 Johan Verbist Bijlage: bij de indiening ter griffie wordt bij deze voorziening het exploot van be-tekening aan verweerster gevoegd. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.79 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div