← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.1 Rolnummer: P.20.0346.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2020-07-01 Raadplegingen: 664 - laatst gezien 2026-06-20 07:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 211 Wetboek van Strafvordering geldt voor vonnissen gewezen in hoger beroep en is bijgevolg niet van toepassing op het hof van beroep dat in eerste en laatste aanleg oordeelt over feiten die ten laste worden gelegd aan een beklaagde met voorrecht van rechtsmacht. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Motivering van de straf - Voorrecht van rechtsmacht - Artikel 211 Wetboek van Strafvordering - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Motivering van de straf - Artikel 211 Wetboek van Strafvordering - Toepasselijkheid Fiches 3 - 4 Uit de bepalingen van artikel 3, vierde lid, laatste zin, Probatiewet en artikel 195, Wetboek van Strafvordering, volgt, eensdeels, dat de rechter die een gevraagde opschorting weigert, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn, en, anderdeels, dat de rechter door het opleggen van een straf en het met redenen omkleden van die straf overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bovendien de redenen opgeeft waarom niet kan worden ingegaan op de vraag tot opschorting

(1).
(1)Cass. 14 februari 1990, AR 7908, AC 1990, nr. 363. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEOPSCHORTING Vrije woorden: Vraag tot probatieopschorting - Weigering - Motivering - Draagwijdte Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vraag tot probatieopschorting - Weigering - Motivering - Draagwijdte Fiches 5 - 6 Het feit dat de overheid met talrijke sensibiliseringscampagnes de bevolking reeds meermaals heeft gewezen op het gevaar van overdreven snelheid, met speciale acties betreffende wegenwerken, is een feit van algemene bekendheid dat uit zijn aard tot het debat behoort en dat dus steeds is onderworpen aan tegenspraak; de appelrechters dienen de beklaagde dan ook niet uitdrukkelijk te verwittigen om hem toe te laten daarover tegenspraak te voeren en een dergelijke verwittiging is evenmin vereist om te oordelen dat de beklaagde uit die sensibilisering geen lering heeft getrokken aangezien dit alleen een gevolgtrekking is afgeleid uit het voormelde algemeen bekende feit en het bewezen verklaarde feit
(1).
(1)Cass. 24 maart 2020, AR P.20.0320, AC 2020, nr. 212 (i.v.m. coronapandemie); Cass. 13 september 2016, AR P. 16.0396.N, AC 2016, nr. 484, NC 2018
(4), 384 en noot A. WINANTS, "De strijd tegen het terrorisme en de eerbiediging van de algemene rechtsbeginselen". Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Motivering - Elementen waarop de rechter zijn beslissing baseert - Recht van verdediging - Tegenspraak - Gegevens van algemene bekendheid - Sensibiliseringscampagnes in verband met overdreven snelheid - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Motivering van de vonnissen en arresten - Elementen waarop de rechter zijn beslissing baseert - Draagwijdte - Sensibiliseringscampagnes in verband met overdreven snelheid - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0346.N G. G. R. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, eerste kamer, van 20 februari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 29, § 3, Wegverkeerswet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest verwerpt het verzoek van de eiser om hem de opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te kennen; het steunt daarvoor op algemene bewoordingen, waarbij bij wijze van algemene regel wordt geoordeeld over het opleggen van een sanctie voor een snelheidsovertreding bij wegenwerken; aldus motiveert het arrest op onvoldoende geïndividualiseerde wijze de opgelegde geldboete en het opgelegde rijverbod dat de minimumduur van acht dagen overschrijdt.
  3. Artikel 211 Wetboek van Strafvordering geldt voor vonnissen gewezen in hoger beroep en is bijgevolg niet van toepassing op het hof van beroep dat in eerste en laatste aanleg oordeelt over feiten die ten laste worden gelegd aan een beklaagde met voorrecht van rechtsmacht. In zoverre het onderdeel schending van dat artikel aanvoert, faalt het naar recht.
  4. Artikel 3, vierde lid, laatste zin, Probatiewet bepaalt dat de beslissing waarbij de opschorting wordt geweigerd met redenen moet zijn omkleed overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt waarom de rechter een straf of maatregel uitspreekt, alsook de maat van die straf of maatregel rechtvaardigt, voor zover die straf of maatregel en de maat ervan aan de vrije beoordeling van de rechter zijn overgelaten. Uit die bepalingen volgt, eensdeels, dat de rechter die een gevraagde opschorting weigert, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn, en, anderdeels, dat de rechter door het opleggen van een straf en het met redenen omkleden van die straf overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bovendien de redenen opgeeft waarom niet kan worden ingegaan op de vraag tot opschorting.
  5. Na de vermelding van de gegevens met betrekking tot eisers persoonlijke toestand wijst het arrest op het gevarenrisico van het voeren van een overdreven snelheid, in het bijzonder bij wegenwerken, alsook op de sensibiliseringscampagnes van de overheid, waaruit de eiser kennelijk geen lessen heeft getrokken. Het arrest oordeelt ook dat het niet ingaat op eisers verzoek hem de opschorting toe te kennen omdat dit niet tegemoetkomt aan de preventieve en repressieve doelstellingen van de straftoemeting. Verder oordeelt het dat de geldboete en het rijverbod gepaste straffen zijn om de eiser ervan te weerhouden zich in de toekomst nog aan gelijkaardige inbreuken schuldig te maken. Ten slotte oordeelt het dat het rijverbod voor de eiser geen buitensporige moeilijkheden veroorzaakt. Met die redenen, die het middel niet alle in de kritiek betrekt, motiveert het arrest op een voor de eiser geïndividualiseerde wijze waarom het de door hem gevraagde opschorting weigert en het hem de geldboete en het rijverbod oplegt die het bepaalt. Aldus zijn die beslissingen regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegenspraak: het arrest oordeelt dat de talrijke sensibiliseringscampagnes van de overheid de bevolking reeds meermaals hebben gewezen op het gevaar van het te diep intrappen van het gaspedaal, met speciale acties ten opzichte van wegenwerken, maar dat de eiser daaruit kennelijk geen lering heeft getrokken; de appelrechters hebben deze gegevens, die niet van algemene bekendheid zijn, niet aan de tegenspraak van de eiser onderworpen.
  7. Het feit dat de overheid met talrijke sensibiliseringscampagnes de bevolking reeds meermaals heeft gewezen op het gevaar van overdreven snelheid, met speciale acties betreffende wegenwerken, is een feit van algemene bekendheid dat uit zijn aard tot het debat behoort en dat dus steeds is onderworpen aan tegenspraak. Bijgevolg dienden de appelrechters de eiser niet uitdrukkelijk te verwittigen om hem toe te laten daarover tegenspraak te voeren. Een dergelijke verwittiging was evenmin vereist om te oordelen dat de eiser uit die sensibilisering geen lering heeft getrokken. Dit is namelijk alleen een gevolgtrekking afgeleid uit het voormelde algemeen bekende feit en het bewezen verklaarde feit. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 23 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.