id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.11 Rolnummer: P.20.0351.N Zaak: FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-07-01 Raadplegingen: 746 - laatst gezien 2026-06-20 19:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Ook al houdt inzake douane en accijnzen het feit van de overtreding zelf in dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht, behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling, en de overtreder dus het wettelijke vermoeden van schuld kan doen omkeren, toch neemt dit wettelijk omkeerbare schuldvermoeden niet weg dat de dader weet moet hebben gehad van het feit van de overtreding; bij het misdrijf dat bestaat in het verzuim aan een wettelijke verplichting te voldoen, volgt die kennis uit de kennis van de wettelijke verplichting zelf en bij een ander misdrijf moet die kennis bij de dader worden aangetoond
(1).
(1)Cass. 4 december 2018, AR P.18.0825.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.2, AC 2018, nr. 680; H. BERCKMOES en F. GOOSSEN, "Overmacht in strafzaken", noot onder Cass. 16 september 2014, RW 2015-16, 785-789; J. ROZIE, "In abstracto of in concreto? Over de subjectivering van de bonus pater familias-standaard bij de toetsing van de schuldontheffingsgronden van overmacht en dwaling", NC 2016, 223-236. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Misdrijf - Verzuimsmisdrijf - Handelingsmisdrijf - Moreel bestanddeel Fiche 2 Artikel 3, §1, van het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen verbiedt dat men zich, behalve in de wettelijk bepaalde gevallen, op de openbare weg begeeft met een door een explosie- of verbrandingsmotor aangedreven voertuig, zonder na te gaan of de daarvoor gebruikte brandstof denaturanten of merkstoffen bevat; dergelijk misdrijf maakt geen handelingsmisdrijf uit, maar een verzuimsmisdrijf
(1).
(1)Cass. 4 december 2018, AR P.18.0825.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.2, AC 2018, nr. 680; H. BERCKMOES en F. GOOSSEN, "Overmacht in strafzaken", noot onder Cass. 16 september 2014, RW 2015-16, 785-789; J. ROZIE, "In abstracto of in concreto? Over de subjectivering van de bonus pater familias-standaard bij de toetsing van de schuldontheffingsgronden van overmacht en dwaling", NC 2016, 223-236. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: KB 19 mei 2014 - Artikel 3, § 1 - Rijden op de openbare weg met een door explosie- of verbrandingsmotor aangedreven voertuig - Brandstof die denaturanten of merkstoffen bevat - Misdrijf - Aard Wettelijke bepalingen: KB 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen - 19-05-2014 - Art. 3, § 1 - 04 ELI link Pub nr 2014003245 Fiche 3 Behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling, houdt de loutere overtreding van het voorschrift van artikel 3, §1, van het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen in dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht omdat de kennis van het feit van de overtreding volgt uit de kennis van de wettelijke verplichting zelf
(1).
(1)Cass. 4 december 2018, AR P.18.0825.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.2, AC 2018, nr. 680; H. BERCKMOES en F. GOOSSEN, "Overmacht in strafzaken", noot onder Cass. 16 september 2014, RW 2015-16, 785-789; J. ROZIE, "In abstracto of in concreto? Over de subjectivering van de bonus pater familias-standaard bij de toetsing van de schuldontheffingsgronden van overmacht en dwaling", NC 2016, 223-
- Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: KB 19 mei 2014 - Artikel 3, § 1 - Rijden op de openbare weg met een door explosie- of verbrandingsmotor aangedreven voertuig - Brandstof die denaturanten of merkstoffen bevat - Misdrijf - Moreel bestanddeel Wettelijke bepalingen: KB 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen - 19-05-2014 - Art. 3, § 1 - 04 ELI link Pub nr 2014003245 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor strafrecht [T.Strafr.] - 2021, nr. 3, p. 137-
- - CLAES, Ana Laura; Noot'Het schuldvermoeden in het douane-en accijnsstrafrecht' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0351.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 75, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, alsook met als raadsman mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, tegen J. V., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen, thans artikel 54 van het koninklijk besluit van 28 juni 2015 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit, alsook artikel 433 van de Programmawet van 27 december 2004 zoals van kracht vóór de wijziging ervan bij de wet van 18 december 2015 en de artikelen 434, 438 en 439 van die laatste wet: het arrest spreekt de verweerder vrij van het feit van het voorhanden hebben en het gebruik van vloeibare carburant, bevattende “Solvent Yellow 124” en rood kleursel, voor het aandrijven van de verbrandingsmotor van een motorvoertuig dat op de openbare weg reed en dat geen machine of tractor was gebruikt bij de exploitatie van landbouw- en tuinbouwbedrijven, in de bosbouw en de zoetwatervisteelt; de overtreding van het voorschrift van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 19 mei 2014 houdt een verzuimsmisdrijf in; de loutere overtreding van die bepaling impliceert derhalve dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht omdat de kennis van het feit van de overtreding volgt uit de kennis van de wettelijke verplichting zelf, behoudens bewijs van overmacht of onoverwinnelijke dwaling; op grond van de feiten die het vaststelt, kan het arrest niet naar recht oordelen dat de verweerder een onoverkomelijke dwaling heeft begaan door zich op de openbare weg te begeven met een trekker waarvan de brandstof de merkstof “Solvent Yellow 124” bevatte; bovendien kan onoverkomelijke dwaling de pleger van het misdrijf enkel ten goede komen op voorwaarde dat zij betrekking heeft op één van de bestanddelen van het misdrijf, dit is hier de kennis van de wettelijke verplichting volgend uit voormeld artikel 3, § 1; het niet weten dat de brandstof van de door de verweerder bestuurde trekker een merkstof bevatte, maakt enkel een feitelijke dwaling uit die niet onoverkomelijk is omdat de verweerder wist of moest weten dat hij steeds in alle omstandigheden de gasolie in de brandstoftank van zijn trekker moest controleren op denaturanten of merkstoffen vooraleer zich met de trekker op de openbare weg te begeven.
- In de regel houdt inzake douane en accijnzen het feit van de overtreding zelf in dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht, behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling. De overtreder kan dus het wettelijke vermoeden van schuld doen omkeren. Dit wettelijk omkeerbare schuldvermoeden neemt niet weg dat de dader weet moet hebben gehad van het feit van de overtreding. Bij het misdrijf dat bestaat in het verzuim aan een wettelijke verplichting te voldoen, volgt die kennis uit de kennis van de wettelijke verplichting zelf. Bij een ander misdrijf moet die kennis bij de dader worden aangetoond.
- Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inzake accijnzen betreffende controlemaatregelen voor brandstoffen bepaalt dat de vloeibare motorbrandstoffen die hier te lande voorhanden zijn, verkocht of gebruikt worden voor de aandrijving van de in die bepaling vermelde explosie- of verbrandingsmotoren, geen denaturanten of merkstoffen mogen bevatten. Krachtens paragraaf drie van dat artikel wordt onder zulke merkstof onder meer verstaan, de merkstof “Solvent Yellow 124” zoals omschreven in de “Colour Index International”. Die bepaling verbiedt dat men zich, behalve in de wettelijk bepaalde gevallen, op de openbare weg begeeft met een door een explosie- of verbrandingsmotor aangedreven voertuig, zonder na te gaan of de daarvoor gebruikte brandstof de merkstof “Solvent Yellow 124” bevat. Dat misdrijf maakt geen handelingsmisdrijf uit, maar een verzuimsmisdrijf.
- Hieruit volgt dat de loutere overtreding van het voorschrift van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 19 mei 2014 inhoudt dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht omdat de kennis van het feit van de overtreding volgt uit de kennis van de wettelijke verplichting zelf, behoudens indien de dader zich kan beroepen op overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Dit impliceert in de voorliggende situatie dat de vrachtwagenbestuurder die een trekker bestuurt waarvan tijdens een controle op de weg wordt vastgesteld dat die wordt aangedreven door brandstof die merkstof “Solvent Yellow 124” bevat, aantoont: - ofwel dat hij geen kennis had noch redelijkerwijze kon hebben van de verplichting om vóór zijn vertrek de brandstof te controleren, in welk geval hij onoverwinnelijk kan hebben gedwaald in rechte; - ofwel dat hij die controle heeft gedaan, maar er zich desondanks toch brandstof met de merkstof “Solvent Yellow 124” in de tank bevindt ingevolge bepaalde omstandigheden die hij niet kende of redelijkerwijze kon kennen, in welk geval hij onoverwinnelijk kan hebben gedwaald in feite; - ofwel dat zijn wilsvrijheid om die controle te doen is aangetast in de concrete omstandigheden waarin hij was geplaatst, in welk geval zijn gedraging het voorwerp kan uitmaken van overmacht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de schuld van een beklaagde wordt opgeheven wegens het bestaan van overmacht of onoverwinnelijke dwaling in rechte of in feite. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die deze begrippen miskennen.
- Het arrest oordeelt dat de verweerder onoverwinnelijk heeft gedwaald op grond dat: - hij niet de enige chauffeur is van de trekker waarin een klein gehalte van de merkstof “Solvent Yellow 124” in de brandstof die dit voertuig op de openbare weg aandreef, werd aangetroffen; - van een chauffeur van een transportbedrijf die de richtlijnen van zijn werkgever opvolgt, niet kan worden verwacht dat hij stalen neemt van de brandstoftank telkens een andere chauffeur met de trekker heeft gereden en niemand gehouden is tot het onmogelijke; - het aangetroffen lage gehalte “Solvent Yellow 124” en het ontbreken van sporen van rode kleurstof in het staal wijst op een verregaande verdunning of vermenging met toegelaten olie na meerdere tankbeurten, zodat zeker niet tijdens de laatste tankbeurt “rode diesel” was getankt. Uit die redenen kan het arrest niet wettig dat rechtsgevolg afleiden. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat één tiende van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten op 56,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 23 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div