← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.15 Rolnummer: P.20.0612.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-07-01 Raadplegingen: 539 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer uit het proces-verbaal van de rechtszitting van de strafuitvoeringsrechtbank niet blijkt dat de directeur de aanstelling van een deskundige heeft geadviseerd en dat uit hetzelfde proces-verbaal blijkt dat de verzoeker, nadat het openbaar ministerie had voorgesteld om de verzoeker opnieuw te laten onderzoeken, heeft geargumenteerd dat de aanstelling van een deskundige wellicht wenselijk was, volgt daaruit dat de aanstelling van een deskundige enkel als mogelijkheid is geopperd, maar niet door de verzoeker werd gevorderd zodat de strafuitvoeringsrechtbank niet ertoe gehouden is de niet-aanstelling van een deskundige uitdrukkelijk te motiveren. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling - Vordering tot aanstelling van een deskundige - Afwijzing - Motivering Fiche 2 Artikel 56, §2, Wet Strafuitvoering legt aan de strafuitvoeringsrechtbank de verplichting op om de beslissing tot toekenning of afwijzing van een strafuitvoeringsmodaliteit met bijzondere redenen te omkleden als die beslissing afwijkt van het advies van de directeur of het advies van het openbaar ministerie; deze bijzondere motiveringsverplichting is enkel van toepassing indien uit het advies van de directeur of van het openbaar ministerie blijkt dat zij de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit negatief dan wel positief adviseren en de rechtbank het verzoek van de veroordeelde toekent dan wel afwijst. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Wet Strafuitvoering - Artikel 56, § 2 - Beslissing tot afwijzing of toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit - Advies van de directeur of van het openbaar ministerie - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0612.N R. C. S., veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Mathieu Langerock, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 27 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis is onduidelijk en onvoldoende gemotiveerd; het beantwoordt eisers verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling door te stellen dat een invrijheidstelling gelijk staat aan een residentiële opname; dit is een deductiefout; een voorwaardelijke invrijheidstelling vereist niet het voorleggen van een residentiële opname; het vonnis beantwoordt bovendien niet de vraag van de eiser, het openbaar ministerie en de gevangenisdirecteur tot aanstelling van een deskundige.
  3. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 mei 2020 blijkt niet dat de directeur de aanstelling van een deskundige heeft geadviseerd. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  4. Uit hetzelfde proces-verbaal blijkt dat de eiser, nadat het openbaar ministerie had opgemerkt dat er een grote discrepantie bestond tussen het verslag van de psychosociale dienst en het deskundigenverslag en had voorgesteld om de eiser opnieuw te laten onderzoeken, heeft geargumenteerd dat er een patstelling was en het misschien beter was om een deskundige aan te stellen om te onderzoeken wat de huidige toestand van de eiser was en om op die manier de toestand te deblokkeren. Daaruit blijkt dat de aanstelling van een deskundige enkel als mogelijkheid is geopperd, maar niet dat de eiser heeft gevorderd dat een deskundige zou worden aangesteld. In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.
  5. De strafuitvoeringsrechtbank is in die omstandigheden niet ertoe gehouden de niet-aanstelling van een deskundige uitdrukkelijk te motiveren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  6. Het vonnis wijst het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling af gelet op het ontbreken van een recidivebeperkend reclasseringsplan en het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Het oordeelt dat: - uit het deskundigenonderzoek blijkt dat de eiser een prototype narcist is met een hoge PCL-R score bij psychopathische kenmerken; - bij vonnissen van 29 oktober 2019 het elektronisch toezicht en de beperkte detentie voor de maximale termijn werden afgewezen gelet op het feit dat er nog veel werk aan de winkel was op het vlak van feitenbespreking en probleeminzicht; - het de rechtbank niet duidelijk is waarom de eiser thans verzoekt tot een voorwaardelijke invrijheidstelling aangezien hij geen residentiële opname voorlegt; - het door de eiser thans voorgelegde plan onvoldoende recidivebeperkend is; - de zeer theatrale houding van de eiser op de rechtszitting de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis bevestigt en geen ruimte laat voor het opnemen van verantwoordelijkheid voor de feiten en slachtofferempathie. Met die redenen oordeelt het vonnis niet dat in het algemeen een voorwaardelijke invrijheidstelling enkel mogelijk is mits een residentiële opname, maar wel dat in het licht van eisers concrete situatie een voorwaardelijke invrijheidstelling zonder residentiële opname een risico inhoudt op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Met die redenen, die geenszins onduidelijk zijn, omkleedt de strafuitvoeringsrechtbank de afwijzing van eisers verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling regelmatig met redenen en is die beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 48 Wet Strafuitvoering: de wet stelt niet dat een voorwaardelijke invrijheidstelling gelijk staat aan een residen¬tiële opname.
  8. Het middel dat dezelfde strekking heeft als het eerste middel is, om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen, te verwerpen. Derde middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 56, § 2, Wet Strafuitvoering: het vonnis vermeldt niet de redenen waarom niet wordt tegemoetgekomen aan de vraag van zowel de eiser, de gevangenisdirecteur als van het openbaar ministerie om een deskundige aan te stellen.
  10. Artikel 56, § 2, Wet Strafuitvoering legt aan de strafuitvoeringsrechtbank de verplichting op om de beslissing tot toekenning of afwijzing van een strafuitvoeringsmodaliteit met bijzondere redenen te omkleden als die beslissing afwijkt van het advies van de directeur of het advies van het openbaar ministerie.
  11. Deze bijzondere motiveringsverplichting is enkel van toepassing indien uit het advies van de directeur of van het openbaar ministerie blijkt dat zij de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit negatief dan wel positief adviseren en de rechtbank het verzoek van de veroordeelde toekent dan wel afwijst. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Zowel de directeur als het openbaar ministerie hebben in hun schriftelijk advies de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit negatief geadviseerd. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 mei 2020 blijkt niet dat de directeur en het openbaar ministerie een positief advies hebben verleend. Dit kan niet worden afgeleid uit het gegeven dat het openbaar ministerie heeft voorgesteld om de eiser opnieuw te laten onderzoeken. Bijgevolg diende de rechtbank de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet met bijzondere redenen te omkleden als bedoeld door artikel 56, § 2, Wet Strafuitvoering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 5,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 23 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAC.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.