← België

S. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2 Rolnummer: P.20.0020.N Zaak: S. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige - Unierecht Invoerdatum: 2020-07-01 Raadplegingen: 1174 - laatst gezien 2026-06-20 08:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De bepaling van artikel 267 AWDA houdt weliswaar geen vervaltermijn voor het opstellen van een proces-verbaal in, maar het laattijdig opstellen van een proces-verbaal kan niettemin ertoe leiden dat het niet als bewijs kan worden aangewend indien daardoor het recht van verdediging van de geverbaliseerde wordt miskend. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikel 267 - Opstellen van processen-verbaal - Termijn - Laattijdige opstelling - Redelijke termijn - Recht van verdediging - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Douane en accijnzen - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikel 267 - Opstellen van processen-verbaal - Termijn - Laattijdigheid - Recht van verdediging - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Douane en accijnzen - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikel 267 - Opstellen van processen-verbaal - Termijn - Laattijdigheid - Redelijke termijn - Recht van verdediging - Draagwijdte - Gevolg Fiches 4 - 6 Met artikel 227, §1, AWDA viseert de wetgever alle vormen van deelneming, ook deze die niet binnen het toepassingsgebied van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek vallen en een belanghebbende in de zin van die bepaling is de derde die, wetende dat hij zijn medewerking verleent aan het misdrijf, zich verstaat met de dader of daders van de fraude hetzij om een voordeel uit de fraude te verkrijgen, hetzij om de fraude te vergemakkelijken of toe te laten dat ze blijft voortbestaan, en die ook het opzet heeft om dit te doen; artikel 227, §1, AWDA vereist niet noodzakelijk dat de belanghebbende zich reeds vóór de voltrekking van het misdrijf waarin hij een belang heeft, met de daders ervan heeft verstaan, waaruit volgt dat het, in het geval bedoeld in artikel 8, §4, Accijnswet 2009, geen belang heeft of de afspraak tussen de belanghebbende en de daders is gemaakt vóór of na het wegbrengen van de goederen uit het belastingentrepot

(1).
(1)Cass. 19 januari 2016, AR P.14.1519.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3, AC 2016, nr. 39 met concl. van plvv. advocaat-generaal M. DE SWAEF. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Accijnswet 2009 - Artikel 8, § 4 - Onttrekking aan de schorsingsregeling inzake accijnzen - Deelneming aan het misdrijf - Artikel 227, § 1, AWDA - Draagwijdte - Gevolg Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikel 227, § 1 - Deelneming aan het misdrijf - Accijnswet 2009 - Artikel 8, § 4 - Onttrekking aan de schorsingsregeling inzake accijnzen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Accijnswet 2009 - Artikel 8, § 4 - Onttrekking aan de schorsingsregeling inzake accijnzen - Artikel 227, § 1, AWDA - Draagwijdte - Gevolg Fiche 7 Aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn bepaald in artikel 6.1 EVRM is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van "een beschuldiging", dit is vanaf het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen die beschuldiging
(1).
(1)Cass. 23 mei 2017, AR P.17.0186.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3, AC 2017, nr. 347. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Aanvang Fiches 8 - 9 Geen enkele bepaling verplicht de rechter om bij de motivering van de door hem uitgesproken gevangenisstraf de hoegrootheid te specificeren van het voordeel dat de beklaagde door het plegen van een misdrijf heeft beoogd. Thesaurus CAS: STRAF - VRIJHEIDSSTRAFFEN Vrije woorden: Gevangenisstraf - Motivering - Beoogde voordeel - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Strafzaken - Gevangenisstraf - Motivering - Beoogde voordeel - Gevolg Fiches 10 - 11 De krachtens de artikelen 220, §1, 221, §1, en 257, §3, AWDA uit te spreken verbeurdverklaring heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de verbeurd te verklaren goederen en evenmin dat de ontduiker bekend is
(1).
(1)Cass. 19 januari 2016, AR P.14.1519.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3, AC 2016, nr. 39 met concl. van plvv. advocaat-generaal M. DE SWAEF. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Onttrekking van goederen aan het douanetoezicht - Verbeurdverklaring - Aard Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Onttrekking van goederen aan het douanetoezicht - Aard Fiche 12 De veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging houdt geen verbeurdverklaring in van de niet-aangehaalde goederen en is evenmin preventief of repressief van aard, maar houdt enkel verband met de vaststelling van de door het misdrijf veroorzaakte schade en vormt aldus een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekort komt aan de verplichting om de zaak te leveren, zodat de rechter alle beklaagden ten laste van wie hij de verbeurdverklaring uitspreekt, hoofdelijk moet veroordelen tot de betaling van die tegenwaarde bij de niet-overlegging.; de veroordeling inzake douane en accijnzen tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan is geen straf, noch naar Belgisch recht noch in de autonome interpretatie ervan in artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en artikel 49 Handvest Grondrechten Europese Unie, maar een civielrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling tot verbeurdverklaring; dat de veroordeling wordt uitgesproken ten gevolge van een veroordeling voor een strafbaar feit en tijdens een procedure die van strafprocesrechtelijke aard is, verleent aan die veroordeling niet het karakter van straf
(1).
(1)Cass. 4 oktober 2016, AR P.14.1881.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1, AC 2016, nr. 540; Cass. 13 september 2016, AR P.15.0124.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.1, AC 2016, nr. 479; Cass. 28 juni 2016, AR P.14.1132.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.1, AC 2016, nr. 423; Cass. 28 juni 2016, AR P.14.1588.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2, AC 2016, nr. 424; Cass. 19 januari 2016, AR P.14.1519.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3, AC 2016, nr. 39 met concl. van plvv. advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 29 april 2014, NC 2014, 318 en noot P. WAETERICNK, "Juridische ?creativiteit' ten dienste van de ?kaalpluk' bij accijns- en douanefraude"; Cass. 15 februari 2011, AR P.09.1566.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110215.4, AC 2011, nr. 130 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Onttrekking van goederen aan het douanetoezicht - Verbeurdverklaring van de goederen - Veroordeling tot betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging - Aard - Draagwijdte - Gevolg Fiches 13 - 15 De veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging houdt geen verbeurdverklaring in van de niet-aangehaalde goederen en is evenmin preventief of repressief van aard, maar houdt enkel verband met de vaststelling van de door het misdrijf veroorzaakte schade en vormt aldus een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekort komt aan de verplichting om de zaak te leveren, zodat de rechter alle beklaagden ten laste van wie hij de verbeurdverklaring uitspreekt, hoofdelijk moet veroordelen tot de betaling van die tegenwaarde bij de niet-overlegging.; de veroordeling inzake douane en accijnzen tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan is geen straf, noch naar Belgisch recht noch in de autonome interpretatie ervan in artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en artikel 49 Handvest Grondrechten Europese Unie, maar een civielrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling tot verbeurdverklaring; dat de veroordeling wordt uitgesproken ten gevolge van een veroordeling voor een strafbaar feit en tijdens een procedure die van strafprocesrechtelijke aard is, verleent aan die veroordeling niet het karakter van straf
(1).
(1)Cass. 4 oktober 2016, AR P.14.1881.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1, AC 2016, nr. 540; Cass. 13 september 2016, AR P.15.0124.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.1, AC 2016, nr. 479; Cass. 28 juni 2016, AR P.14.1132.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.1, AC 2016, nr. 423; Cass. 28 juni 2016, AR P.14.1588.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2, AC 2016, nr. 424; Cass. 19 januari 2016, AR P.14.1519.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3, AC 2016, nr. 39 met concl. van plvv. advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 29 april 2014, NC 2014, 318 en noot P. WAETERICNK, "Juridische ?creativiteit' ten dienste van de ?kaalpluk' bij accijns- en douanefraude"; Cass. 15 februari 2011, AR P.09.1566.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110215.4, AC 2011, nr. 130 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Douane en accijnzen - Onttrekking van goederen aan het douanetoezicht - Verbeurdverklaring van de goederen - Veroordeling tot betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging - Aard - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Legaliteitsbeginsel - Douane en accijnzen - Onttrekking van goederen aan het douanetoezicht - Verbeurdverklaring van de goederen - Veroordeling tot betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging - Aard - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Artikel 49 Handvest Grondrechten Europese unie - Douane en accijnzen - Onttrekking van goederen aan het douanetoezicht - Verbeurdverklaring van de goederen - Veroordeling tot betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging - Aard - Draagwijdte - Gevolg Fiches 16 - 17 Wanneer er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan over het feit dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan geen straf is die valt onder artikel 49, eerste lid, Handvest Grondrechten Europese Unie, is er geen grond om het Hof van Justitie van de Europese Unie te bevragen
(1).
(1)Cass. 19 mei 2016, AR C.13.0256.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160519.2, AC 2016, nr. 330 met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Hof van Justitie - Legaliteitsbeginsel - Artikel 49 Handvest Grondrechten Europese unie - Douane en accijnzen - Onttrekking van goederen aan het douanetoezicht - Verbeurdverklaring van de goederen - Veroordeling tot betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging - Aard van de veroordeling - Gevolg Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Hof van Justitie - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 49 Handvest Grondrechten Europese unie - Legaliteitsbeginsel - Douane en accijnzen - Onttrekking van goederen aan het douanetoezicht - Verbeurdverklaring van de goederen - Veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde bij niet-voortbrenging - Aard van de veroordeling - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0020.N I Ni. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8210 Loppem, Rijselsestraat 2, waar de eiser woonplaats kiest, II BELOGISTIQUES bvba in vereffening, met als vereffenaar Johan Deleenheer, met zetel te 8800 Roeselare, Accent Business Park, Kwadestraat 149/31, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Peter Callebaut, advocaat bij de balie Dendermonde, III R. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sammy Bouzoumita, advocaat bij de balie Gent, de cassatieberoepen I, II en III tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen van de provincie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum ‘Ter Plaeten', Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cas-satie, alsook bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 4 december
  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. De eisers II en III voeren geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser I dat het redelijketermijnvereiste volgend uit artikel 267 AWDA en dienvolgens het recht van verdediging van de eiser I zijn miskend doordat de processen-verbaal van 8 januari 2015 en 12 april 2017, die betrekking hebben op de thans vervolgde feiten van onttrekking van accijnsgoederen aan een schorsingsregeling inzake accijnzen, niet tijdig zijn opgesteld en overgemaakt nadat de eiser I daarover op 11 juli 2013 is gehoord; de motivering in het arrest slaat immers enkel op eisers verweer over de overschrijding van de redelijke termijn volgend uit artikel 6.1 EVRM en op de laattijdigheid van een proces-verbaal van 15 mei 2017, dat geen betrekking heeft op de eiser I en waarover de eiser I niets heeft aangevoerd.
  3. Artikel 267 AWDA bepaalt: "Wanneer de misdrijven, fraudes of overtredingen van de wet worden geconstateerd bij processen-verbaal, zullen deze akten dadelijk, of zo spoedig mogelijk worden opgemaakt, door ten minste twee daartoe bevoegde personen, waarvan de ene moet zijn aangesteld of van commissie voorzien vanwege de administratie der douane en accijnzen." Die bepaling houdt weliswaar geen vervaltermijn voor het opstellen van een proces-verbaal in, maar het laattijdig opstellen van een proces-verbaal kan niettemin ertoe leiden dat het niet als bewijs kan worden aangewend, indien daardoor het recht van verdediging van de geverbaliseerde wordt miskend.
  4. De beslissing van de rechter moet in zijn geheel worden gelezen en de redenen ervan dienen de ene door de andere te worden uitgelegd. Zodoende kunnen redenen die de rechter vermeldt in antwoord op een bepaald verweer of ter ondersteuning van een bepaalde beslissing, ook een antwoord vormen op een ander verweer in de zin van artikel 149 Grondwet of de voornaamste redenen voor een andere beslissing uitmaken in de zin van artikel 6.1 EVRM.
  5. Het arrest (p. 74, 75, 80, 104, 105 en 109) oordeelt onder meer als volgt: - zelfs in de veronderstelling dat de redelijke termijn in strafzaken daadwerkelijk zou zijn overschreden, is het geenszins aangetoond dat dit een impact zou hebben gehad op de bewijsvoering in het nadeel van de beklaagden of op hun recht van verdediging omdat de beklaagden reeds ingevolge eerdere verhoren, die ten overstaan van onder meer een medebeklaagde op gang kwamen vanaf mei 2014, geruime tijd wisten dat er zich potentiële douaneproblemen stelden; - er is voor geen enkele van de beklaagden, ook niet voor de eiser I die op 11 juli 2013 louter als getuige werd verhoord, een valabele reden voorhanden om de strafvordering op die basis onontvankelijk te verklaren; - uit artikel 267 AWDA volgt niet dat er voor het opstellen van een proces-verbaal een vervaltermijn bestaat. Het laattijdig opstellen van een proces-verbaal kan niettemin tot nietigheid ervan aanleiding geven indien door dit laattijdig opstellen het recht van verdediging van de geverbaliseerde werd miskend. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar; - de eiser I werd op 11 juli 2003 geenszins verhoord als verdachte en er was toen geen sprake van een strafrechtelijke vervolging. Het betrof een puur fiscale controle verricht op grond van de fiscale controlebepalingen toepasselijk in Monaco; - de eiser I heeft op die datum ten overstaan van de Monegaskische fiscale inspecteur erkend dat de goederen niet zijn binnengekomen in Monaco, maar dat hij ze tegen betaling van 1,25 procent van de waarde van de goederen puur fictief op zijn PC heeft aangezuiverd; - de eiser I werd pas voor het eerst blootgesteld aan strafrechtelijke dreiging en vervolging door middel van de kennisgeving van het proces-verbaal van 12 april 2015, waarvan de aangetekende kennisgeving door hem is ondertekend op 19 april
  6. Met het geheel van die redenen geeft het arrest te kennen dat het recht van verdediging van de eiser I niet is miskend door het tijdsverloop tussen zijn verklaring en het opstellen en overmaken van de processen-verbaal waarvan sprake. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en vermeldt het de voornaamste redenen op grond waarvan de beslissing kan worden begrepen. Dat bepaalde redenen verband houden met het redelijketermijnvereiste volgend uit artikel 6.1 EVRM of met een proces-verbaal dat enkel betrekking heeft op medebeklaagden, doet daaraan geen afbreuk. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 220 en 227 AWDA, de artikelen 6, 7, 8, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 en 45 van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen (hierna Accijnswet 2009) en de artikelen 66 en 67 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser I ten onrechte als deelnemer aan feiten van onttrekking van accijnsgoederen aan de schorsingsregeling inzake accijnzen wegens het fictief aanzuiveren van die goederen in Monaco; het betreft een ogenblikkelijk misdrijf dat is voltooid op het moment waarop de goederen zich niet meer bevinden onder de bescherming van de accijnsregeling, maar eraan zijn onttrokken; de onttrekking vindt plaats op het moment van de aanvang van de overbrenging van de goederen; het bewezen verklaren van deelname aan het hier bedoelde misdrijf vereist dat er sprake is van noodzakelijke hulp die zich situeert vóór de feitelijke onttrekking van de goederen aan de schorsingsregeling; aan dat vereiste is niet voldaan indien niet vaststaat of de zendingen het depot van vertrek hebben verlaten dan wel welk traject de ladingen hebben gevolgd; minstens blijkt uit de motivering van het arrest niet wanneer de onttrekking zich heeft voorgedaan en of de fictieve aanzuivering is voltrokken vóór de feitelijke onttrekking; ook indien de eiser I minstens belanghebbende was, zoals het arrest vaststelt, moet zijn deelneming zich vóór het voltooien van het misdrijf situeren; bij gebrek daaraan kan het arrest de eiser I niet veroordelen wegens mededaderschap aan onttrekking, minstens laten de redenen van het arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
  8. In de zaak II van referte II is de eiser I vervolgd om, als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende, zich in de periode van 21 mei 2013 tot en met 12 juni 2013 te Brugge, met de vergunning belastingentrepot van Belogistiques bvba, schuldig te hebben gemaakt aan het onttrekken aan de schorsingsregeling inzake accijnzen, op onregelmatige wijze met het opzet de algemene administratie der douane en accijnzen te bedriegen, van accijnsgoederen verzonden onder dekking van 73 elektronische administratieve documenten (e-AD's), waarvoor frauduleus werd geattesteerd dat zij in Monaco werden in ontvangst genomen.
  9. Artikel 8, § 4, Accijnswet 2009 bepaalt: "Indien onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en er tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid is vastgesteld die resulteerde in uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), wordt de onregelmatigheid geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending en op het tijdstip van aanvang van de overbrenging".
  10. Artikel 227, § 1, AWDA bepaalt dat bij uitbreiding van artikel 226 AWDA en onverminderd het bepaalde in de artikelen 66, 67, 69 en 505 Strafwetboek, zij, ten laste van wie wordt bewezen dat ze aan een smokkelfeit hebben deelgenomen als verzekeraars, als hebbende laten verzekeren of als belanghebbende op om het even welke wijze, worden gestraft met de tegen de daders gestelde straffen. Met artikel 227, § 1, AWDA viseert de wetgever alle vormen van deelneming, ook deze die niet binnen het toepassingsgebied van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek vallen. Belanghebbende in de zin van die bepaling is de derde die, wetende dat hij zijn medewerking verleent aan het misdrijf, zich verstaat met de dader of daders van de fraude hetzij om een voordeel uit de fraude te verkrijgen, hetzij om de fraude te vergemakkelijken of toe te laten dat ze blijft voortbestaan, en die ook het opzet heeft om dit te doen.
  11. Anders dan waarvan het middel uitgaat, vereist artikel 227, § 1, AWDA niet noodzakelijk dat de belanghebbende zich reeds vóór de voltrekking van het misdrijf waarin hij een belang heeft, met de daders ervan heeft verstaan.
  12. Hieruit volgt dat het, in het geval bedoeld in artikel 8, § 4, Accijnswet 2009, geen belang heeft of de afspraak tussen de belanghebbende en de daders is gemaakt vóór of na het wegbrengen van de goederen uit het belastingentrepot. In zoverre faalt het middel naar recht.
  13. Het arrest (p. 104-106) oordeelt dat: - de eiser I in zijn bevraging op 11 juli 2013 door de Monegaskische fiscale inspecteur bevestigt dat de accijnsgoederen niet in zijn entrepot in ontvangst zijn genomen en dat hij de elektronisch administratieve documenten van de goederen heeft aangezuiverd tegen betaling van 1,25 procent van de waarde ervan; - het fictief aanzuiveren van de elektronisch administratieve documenten van de desbetreffende accijnsgoederen door de eiser I een noodzakelijke hulp betrof om het hoofdmisdrijf te voltrekken; - de hulp van de eiser I het "sluitstuk" was om de goederen succesvol aan de schorsingsregeling te onttrekken omdat op die manier het ware traject verdoezeld en verborgen blijft; - de eiser I door die welbepaalde handelingen te stellen, die hem persoonlijk kunnen worden toegeschreven, zich als mededader effectief schuldig maakte aan het voorliggende misdrijf; - de eiser I minstens als belanghebbende die deelnam aan de fraude moet worden beschouwd omdat hem 1,25 procent van de aanzienlijke tegenwaarde van de goederen was beloofd voor zijn delictueel handelen bestaande uit het fictief aanzuiveren van de goederen.
  14. Het arrest (p. 93-96) oordeelt ook dat: - de medebeklaagden worden vervolgd om in de periode van 21 mei 2013 tot en met 12 juni 2013 onder dekking van 73 elektronisch administratieve documenten op onregelmatige wijze 73 zendingen accijnsgoederen te hebben onttrokken aan de schorsingsregeling inzake accijnzen, waarbij frauduleus werd geattesteerd dat deze accijnsgoederen in Monaco in ontvangst werden genomen; - deze telastlegging tegen hen bewezen is, gelet onder meer op het gegeven dat bij 27 van de 73 documenten vertrekkende vanuit het belastingentrepot van Belogistiques bvba, de bedrijven "Pan Euro" en "Pan Euro Transport" als eerste vervoerders stonden geboekstaafd en bij navraag aan de Zwitserse douane deze laatste bedrijven volstrekt onbestaande bleken en de medebeklaagden hiervan op de hoogte moesten zijn gezien het relatief hoog aantal transporten door deze onbestaande bedrijven.
  15. De appelrechters die de vermelde telastlegging bewezen verklaren op grond van die redenen, geven eensdeels te kennen dat de accijnsgoederen effectief het belastingentrepot van Belogistiques bvba hebben verlaten en oordelen anderdeels dat de eiser I met kennis van zaken, opzettelijk en tegen een vergoeding zijn medewerking heeft verleend aan de hier bedoelde onttrekking. Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht en kan het Hof zijn wettigheidstoezicht uitoefenen. Niet vereist is dat de appelrechters bovendien vaststellen op welk moment de afspraak tot samenwerking tussen de beklaagden tot stand kwam, op welk moment de goederen het entrepot hebben verlaten of welk traject ze hebben afgelegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  16. In zoverre het middel opkomt tegen de beslissing van het arrest over eisers deelneming op grond van artikel 66 Strafwetboek, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het redelijketermijnvereiste: het arrest steunt de schuld van de eiser I op zijn zelf-incriminerende verklaring, maar aanvaardt deze verklaring ten onrechte niet als het beginpunt van de redelijke termijn omdat de eiser I in deze verklaring werd gehoord als getuige en hij toen nog niet strafrechtelijk werd vervolgd; om de redelijke termijn te doen lopen is er volgens het arrest een officiële bekendmaking vereist dat er tegen een persoon een ernstige verdenking bestaat van een gepleegd misdrijf; het beginpunt van de redelijke termijn is de aanvang van de "vervolging" in de autonome zin die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan dit begrip heeft gegeven; dit is niet de officiële bekendmaking van de verdenking of de formele inbeschuldigingstelling, maar het ogenblik waarop de verdachte weet dat hij zich moet verdedigen.
  18. Volgens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Die bepaling strekt ertoe te vermijden dat een beklaagde te lang in onzekerheid leeft over het lot van de tegen hem ingestelde strafvervolging. Aanvangspunt voor de berekening van die redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van "een beschuldiging", dit is vanaf het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen die beschuldiging.
  19. Het arrest (p. 109) oordeelt dat de interpellatie van de eiser I op 11 juli 2013 niet als een strafrechtelijk verhoor kan worden beschouwd, alsook dat de eiser I pas voor het eerst werd blootgesteld aan strafrechtelijke dreiging en vervolging door de kennisgeving van het proces-verbaal van 12 april 2015, die gebeurde door een aangetekend schrijven dat door de eiser I voor ontvangst werd ondertekend op 19 april
  20. Met die redenen oordeelt het arrest niet dat het aanvangspunt van de redelijke termijn ten aanzien van de eiser I een officiële bekendmaking van de verdenking of een formele inbeschuldigingstelling vereist, maar wel een blootstelling aan strafrechtelijke dreiging en vervolging. Het onderdeel dat uitgaat van een onjuiste lezing, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels inzake motivering: enerzijds stelt het arrest vast dat eisers verklaring van 11 juli 2013 geen vertrekpunt kan zijn van de redelijke termijn omdat hij toen is gehoord als getuige; anderzijds bestempelt het de eiser I als iemand die het voorwerp was van een fiscale controle terwijl er nog geen strafonderzoek hangende was; krachtens artikel 71 Wetboek van Strafvordering veronderstelt de hoedanigheid van getuige echter dat er reeds een strafonderzoek bestaat; aldus zijn de motieven van het arrest tegenstrijdig, wat neerkomt op de afwezigheid van motivering over de aanvang van de strafvervolging inzake het aanvangspunt van de redelijke termijn.
  22. Uit de redenen van het arrest (ro 36, 51, 52 en 153) blijkt dat het met het woord "getuige" niet verwijst naar een persoon die in het kader van een lopend strafonderzoek kennis draagt van het misdrijf of de omstandigheden ervan, zoals bepaald in artikel 71 Wetboek van Strafvordering, maar enkel dat de eiser I destijds geen verklaring heeft afgelegd als verdachte in een strafprocedure. In zoverre gaat het onderdeel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  23. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vierde middel
  24. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt de aan de eiser I opgelegde gevangenisstraf op het grof profijt dat hij nastreefde; het bepaalt echter nergens hoeveel het toegezegde voordeel precies inhoudt; de verwijzing naar een commissie van 1,25 procent in eisers verklaring laat niet toe de hoegrootheid van dit voordeel concreet te bepalen; aangezien het arrest niet toelaat te controleren of er sprake is van grof profijt, is de straf en het verzwaren ervan onvoldoende gemotiveerd en kan het Hof zijn wettigheidstoezicht niet uitoefenen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de bewijsregels in strafzaken en het begrip feitelijk vermoeden: het arrest kan uit de loutere toezegging dat de eiser I een commissie van 1,25 procent zou ontvangen niet afleiden dat hij "grof" profijt heeft nagestreefd.
  25. Uit artikel 149 Grondwet volgt niet dat de rechter de door hem opgelegde straffen bijzonder moet motiveren, behoudens daartoe strekkende conclusie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  26. Geen enkele bepaling verplicht de rechter om bij de motivering van de door hem uitgesproken gevangenisstraf de hoegrootheid te specificeren van het voordeel dat de beklaagde door het plegen van een misdrijf heeft beoogd. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.
  27. Het arrest steunt de maat van de aan de eiser I opgelegde gevangenisstraf niet louter op het door hem beoogde profijt. In zoverre het middel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
  28. Eensdeels oordeelt het arrest (p. 105, laatste alinea) dat uit eisers verklaring afdoende blijkt dat er hem met 1,25 procent van de aanzienlijke tegenwaarde van de goederen grof geld was beloofd voor zijn delictueel handelen bestaande uit het fictief aanzuiveren van de goederen. Anderdeels blijkt de aard, de hoeveelheid en de waarde van de accijnsgoederen uit eisers veroordeling tot betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging van de fictief aangehaalde goederen en zijn veroordeling tot de verschuldigde accijnzen. Uit die redenen kan het arrest wettig afleiden dat de eiser grof profijt nastreefde en dit mee in rekening brengen bij het bepalen van de strafmaat. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  29. Het middel voert schending aan van artikel 50 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 266 en 311 AWDA: het arrest veroordeelt de eiser I hoofdelijk met medebeklaagden tot betaling van nalatigheidsinteresten van 9,60 procent per jaar te rekenen vanaf de elfde dag na 8 januari 2015; overeenkomstig artikel 311 AWDA kan die interest slechts bij laattijdige betaling van rechten verschuldigd zijn; een betaling kan niet laattijdig zijn als de schuldenaar niet op de hoogte is van de vraag of de noodzaak tot betaling; een afschrift van het proces-verbaal van 8 januari 2015, waarin de verschuldigdheden vervat zijn, is slechts aan de eiser I toegestuurd bij brief van 12 april
  30. Het arrest veroordeelt de eiser I niet om interest te betalen op de ontdoken bedragen vanaf de elfde dag na 8 januari
  31. Het (p. 140) preciseert integendeel dat de nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn vanaf de elfde dag na de datum van betekening van het proces-verbaal van 8 januari
  32. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Zevende middel
  33. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, artikel 49 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 14 Grondwet en de artikelen 7 en 7bis Strafwetboek en miskent het door de eiser I hoofdelijk met de medebeklaagden te veroordelen tot de "verbeurdverklaring" van de tegenwaarde van de accijnsgoederen bij niet-overlegging ervan, legt het arrest hem een straf op waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat; die verbeurdverklaring wordt immers opgelegd ingevolge de veroordeling voor een strafbaar feit en de procedure tot het opleggen en uitvoeren ervan is van straf(proces)rechtelijke aard; het voorschrift dat aanleiding geeft tot de veroordeling is gericht op alle personen en de veroordeling tot betaling is niet bedoeld om de schade te herstellen, maar om de overtreder effectief in zijn patrimonium te treffen en derden af te schrikken; met het oordeel dat de verbeurdverklaring van de tegenwaarde van de accijnsgoederen geen straf uitmaakt, maar een burgerlijke maatregel waardoor de hoofdelijkheid wettelijk kan worden toegepast, schendt het arrest ook artikel 50 Strafwetboek en miskent het het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, artikel 49 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 14 Grondwet en de artikelen 7 en 7bis Strafwetboek: door de eiser I hoofdelijk met de medebeklaagden te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde van de accijnsgoederen bij niet overleggen, legt het arrest hem een straf op waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat; de uitgesproken sanctie komt in de plaats van de straf van de verbeurdverklaring bij niet-overlegging; door de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde wordt via de omweg van de civielrechtelijke schadevergoeding het voorwerp van de verbeurdverklaring vervangen door een ander voorwerp; de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde wordt immers opgelegd ingevolge de veroordeling voor een strafbaar feit en de procedure tot het opleggen en uitvoeren ervan is van straf(proces)rechtelijke aard; het voorschrift dat aanleiding geeft tot de veroordeling is gericht op alle personen en de veroordeling tot betaling is niet bedoeld om de schade te herstellen, maar om de overtreder effectief in zijn patrimonium te treffen en derden af te schrikken; met het oordeel dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de goederen waarop de accijnzen verschuldigd zijn, geen straf uitmaakt, maar een burgerlijke maatregel, waardoor de hoofdelijkheid wettelijk kan worden toegepast, schendt het arrest ook artikel 50 Strafwetboek en miskent het het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf. Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten de volgende prejudiciële vragen worden gesteld: "
  34. Dient het begrip ‘straffen' in het in het Unierecht vervatte legaliteitsbeginsel inzake straffen, dat is opgenomen in artikel 49.1 Handvest Grondrechten Europese Unie, in die zin te worden begrepen dat het de door een rechter opgelegde verplichte betaling omvat van de tegenwaarde van verbeurdverklaarde goederen, voorwerp van het misdrijf, indien die goederen niet zouden worden overgemaakt, die wordt uitgesproken ten aanzien van alle personen die worden veroordeeld ingevolge een douane-inbreuk bestaande uit het binnenbrengen en voorhanden hebben voor commerciële doeleinden in een niet-vergund magazijn van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken zonder aangifte of zonder betaling van de toepasselijke accijnzen en verpakkingsheffingen?
  35. Indien het antwoord op de eerste vraag positief is, dient het in het Unierecht vervatte legaliteitsbeginsel inzake straffen, dat is opgenomen in artikel 49.1 Handvest Grondrechten Europese Unie, in die zin te worden begrepen dat het uitsluit dat een EU-lidstaat op grond van een douane-inbreuk, bestaande uit het binnenbrengen en voorhanden hebben voor commerciële doeleinden in een niet-vergund magazijn van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken zonder aangifte of zonder betaling van de toepasselijke accijnzen en verpakkingsheffingen, een straf oplegt die bestaat uit een verbeurdverklaring van de goederen die het voorwerp van de douane-inbreuk zijn én de betaling van de tegenwaarde van de goederen in geval van gebrek aan wederoverlegging van de verbeurdverklaarde goederen, terwijl de betaling van de tegenwaarde niet expliciet als straf wordt voorzien maar wordt beschouwd als een civielrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling tot de wel bij wet voorziene verbeurdverklaring en dus als een toepassing van de uit het nationale recht voortvloeiende regel (artikel 1382 BW) dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldenaar of wanneer hij, door zijn toedoen, tekortkomt aan de verplichting om de zaak te leveren?" Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest maakt eensdeels gewag van de "verbeurdverklaring" van de tegenwaarde van de fictief aangehaalde goederen en anderdeels van de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan; in de mate dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan geen straf uitmaakt, is de beslissing wettig; in de mate waarin de tegenwaarde van de fictief aangehaalde goederen wordt verbeurdverklaard, is de beslissing onwettig omdat deze verbeurdverklaring van de tegenwaarde een straf uitmaakt en niet bij wet is voorzien; hierdoor kan het arrest op twee verschillende wijzen worden verantwoord, waardoor deze beslissing volgens één van die uitleggingen niet wettig is verantwoord; het arrest is aldus dubbelzinnig gemotiveerd.
  36. De krachtens de artikelen 220, § 1, 221, § 1, en 257, § 3, AWDA uit te spreken verbeurdverklaring heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de verbeurd te verklaren goederen en evenmin dat de ontduiker bekend is. Bij de verbeurdverklaring van niet-aangehaalde goederen rust op de veroordeelde de verplichting om deze voor te brengen. Artikel 44 Strafwetboek bepaalt dat de veroordeling tot de bij wet bepaalde straffen altijd wordt uitgesproken onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan de partijen mochten verschuldigd zijn. De veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde houdt als dusdanig geen verbeurdverklaring in van de niet-aangehaalde goederen en zij is evenmin preventief of repressief van aard, maar zij houdt enkel verband met de vaststelling van de door het misdrijf veroorzaakte schade. Zij vormt aldus een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekort komt aan de verplichting om de zaak te leveren.
  37. De veroordeling inzake douane en accijnzen tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan is geen straf, noch naar Belgisch recht noch in de autonome interpretatie ervan in artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en artikel 49 Handvest Grondrechten Europese Unie, maar een civielrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling tot verbeurdverklaring. Dat de veroordeling wordt uitgesproken ten gevolge van een veroordeling voor een strafbaar feit en tijdens een procedure die van strafprocesrechtelijke aard is, verleent aan die veroordeling niet het karakter van straf.
  38. De tegenwaarde van verbeurdverklaarde niet-aangehaalde goederen, in geval van niet-overlegging, vormt een schadevergoeding in de zin van artikel 50 Strafwetboek. De rechter moet dan ook alle beklaagden ten laste van wie hij de verbeurdverklaring uitspreekt, hoofdelijk veroordelen tot de betaling van die tegenwaarde bij de niet-overlegging.
  39. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  40. De begrippen "verbeurdverklaring van de tegenwaarde van de fictief aangehaalde goederen" en "veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan" hebben hier dezelfde draagwijdte. In de beide lezingen is de beslissing wettig. In zoverre mist het zevende middel, derde onderdeel, feitelijke grondslag.
  41. Er kan redelijkerwijze geen twijfel bestaan over het feit dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan geen straf is die valt onder artikel 49, eerste lid, Handvest Grondrechten Europese Unie. Er is dan ook geen grond om het Hof van Justitie van de Europese Unie te bevragen zoals voorgesteld. Zesde middel
  42. Het middel voert schending aan van de artikelen 7, 7bis en 50 Strafwetboek, artikel 221, § 1, AWDA en artikel 45 Accijnswet 2009, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf: het arrest (p. 140) veroordeelt de eiser I hoofdelijk met medebeklaagden tot de verbeurdverklaring van de alcoholhoudende dranken waarop de accijnzen verschuldigd zijn; de bijzondere verbeurdverklaring is een straf en het is de rechter niet toegelaten om verschillende personen hoofdelijk tot eenzelfde straf te veroordelen, ook al betreft het een bijkomende straf; het arrest wijst het middel van een medebeklaagde van de hand waarin kritiek werd geuit op de hoofdelijkheid waaronder de verbeurdverklaring wordt uitgesproken, ten onrechte af met de reden dat "het hier niet gaat om een straf maar een burgerlijke maatregel met mogelijke wettelijke toepassing van de hoofdelijkheid vervat in artikel 50 Sw."
  43. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de eiser I in de zaak II van referte II hoofdelijk met medebeklaagden veroordeelt tot "de verbeurdverklaring van de goederen waarop de accijnzen verschuldigd zijn. Gelet op het feit dat deze goederen fictief werden aangehaald, vordert de administratie de tegenwaarde van de fictief aangehaalde goederen ten belope van 1.489.630 EUR, zijnde de tegenwaarde van de voormelde alcoholhoudende dranken, bestaande uit: - 16993,94 hectoliter bier hetzij 198.600,00 hectolitergraden Plato - 716,95 hl niet mousserende wijn". Uit de bewoordingen van die veroordeling en de in het middel aangehaalde reden blijkt dat het arrest de eiser I enkel hoofdelijk veroordeelt tot de betaling van de tegenwaarde van de fictief aangehaalde goederen bij niet-overlegging ervan. Het middel gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  44. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 545,55 euro, waarvan de eiser I, eiseres II en eiser III elk 181,85 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 23 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250625.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251007.2N.19 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251216.2N.34 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110215.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160519.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.