id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.22 Rolnummer: P.20.0618.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN CASSATIE contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2020-07-01 Raadplegingen: 544 - laatst gezien 2026-06-19 19:43 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 131/2016 van 20 oktober 2016 en rekening houdend met de arresten nr. 9/2018 van 1 februari 2018, nr. 35/2018 van 22 maart 2018 en nr. 82/2018 van 28 juni 2018 van datzelfde Hof en artikel 502, Wetboek van Strafvordering, volgt dat wanneer het Hof van Cassatie in een zaak van voorrecht van rechtsmacht lastens een magistraat van een hof van beroep, de zaak heeft verwezen naar een ander hof van beroep teneinde een onderzoeksmagistraat aan te wijzen om op te treden als onderzoeksrechter, het Hof wanneer het gerechtelijk onderzoek is beëindigd de rechtspleging moet regelen op een wijze die vergelijkbaar is met die welke geldt bij de gemeenrechtelijke procedure van regeling van de rechtspleging; dat dit derhalve inhoudt dat wanneer er toepassing wordt gemaakt van de door artikel 216bis, §2, Wetboek van Strafvordering, bepaalde procedure van verruimde minnelijke schikking, het aan het Hof toekomt, na controle van de wettelijke toepassingsvoorwaarden bepaald in artikel 216bis, §1, Wetboek van Strafvordering, van de eventuele vergoeding van de slachtoffers of de fiscale en sociale administraties, van de uit vrije wil en weloverwogen aanvaarding van de minnelijke schikking en van de proportionaliteit ervan met de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, deze verruimde minnelijke schikking te bekrachtigen
(1).
(1)Zie de vordering van het OM; A. WINANTS, "Enkele beschouwingen over het voorrecht van rechtsmacht", in F. DERUYCK (ed.), Strafrecht in/uit balans, Kluwer 2020, 129-
- Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Magistraat van een hof van beroep - Verwijzing door het Hof naar een ander hof van beroep voor aanstelling van een onderzoeksmagistraat - Beëindiging van het onderzoek - Verruimde minnelijke schikking - Regeling van de rechtspleging - Bevoegdheid van het Hof - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Magistraat van een hof van beroep - Verwijzing door het Hof naar een ander hof van beroep voor aanstelling van een onderzoeksmagistraat - Beëindiging van het onderzoek - Verruimde minnelijke schikking - Regeling van de rechtspleging - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Magistraat van een hof van beroep - Verwijzing door het Hof naar een ander hof van beroep voor aanstelling van een onderzoeksmagistraat - Beëindiging van het onderzoek - Verruimde minnelijke schikking - Regeling van de rechtspleging - Bevoegdheid van het Hof - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MINNELIJKE SCHIKKING Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Magistraat van een hof van beroep - Verwijzing door het Hof naar een ander hof van beroep voor aanstelling van een onderzoeksmagistraat - Beëindiging van het onderzoek - Verruimde minnelijke schikking - Regeling van de rechtspleging - Bevoegdheid van het Hof - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0618.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, in de zaak van PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, tegen
- A, plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep te X, inverdenkinggestelde, met als raadslieden (...),
- B, inverdenkinggestelde, met als raadsman (...). I. VORDERING Met een vordering ontvangen ter griffie van het Hof op 4 juni 2020 heeft de procureur-generaal bij het Hof, het Hof verzocht om de voorgestelde minnelijke schikkingen te bekrachtigen. Die vordering is opgesteld in volgende bewoordingen: "Inzake: De eerste, A, advocaat en plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep te X, De tweede, B,; Inverdenkinggesteld van: te X en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 22 juni 2017 en 28 juni 2017: De eerste, A) Als persoon die uit hoofde van zijn staat of beroep kennis draagt van geheimen die hem zijn toevertrouwd, deze bekend te hebben gemaakt buiten het geval dat hij geroepen werd om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hem verplicht die geheimen bekend te maken, namelijk door aan B en C te hebben bekend gemaakt waar een door diefstal verkregen vuurwapen SIG SAUER X Five .40, P226 U913190 DE verborgen lag (artikel 458 Sw.); De eerste en de tweede, B) Als dader, om de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt, of om door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd, of om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks te hebben uitgelokt, weggenomen, verduisterde of door misdaad of wanbedrijf verkregen zaken te hebben geheeld, namelijk een door diefstal verkregen vuurwapen SIG SAUER X Five .40, P226 U913190 DE ten nadele van D (artikel 505, 10, Sw.); A. VOORAFGAANDE PROCEDURE. De [eerste inverdenkinggestelde] is advocaat en werd bij Koninklijk Besluit (...) benoemd tot plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep te X en heeft in die hoedanigheid de eed afgelegd op de openbare terechtzitting van het hof van beroep te X, van (...). Bij brief van 28 juni 2017 heeft de procureur-generaal bij het hof van beroep te X overeenkomstig artikel 481 Wetboek van Strafvordering aan de minister van Justitie lastens [de eerste inverdenkinggestelde] een dossier overgemaakt met de mededeling dat er voldoende aanwijzingen zijn om lastens hem de strafvordering in te stellen we¬gens feiten van schending van het beroepsgeheim en mededaderschap aan heling te X en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 22 juni 2017 en 28 juni
- Bij brief van 18 juli 2017 heeft de minister van Justitie het dossier toegezonden aan de procureur-generaal bij het Hof. Bij arrest van 26 september 2017 heeft het Hof de zaak verwezen naar de eerste voorzitter van het hof van beroep te Y teneinde een magistraat aan te wijzen die als onderzoeksrechter zal optreden. Bij beschikking van 15 mei 2018 heeft de door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Y aangewezen onderzoeksmagistraat het dossier meegedeeld aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Y. Bij beschikking van 31 januari 2019 heeft de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van X de onderzoeksrechter ontslag van onderzoek verleend in de zaak (...) lastens [de tweede inverdenkinggestelde]. Met een vordering ontvangen ter griffie van het Hof op 8 juli 2019 heeft de procu¬reur-generaal bij het Hof, het Hof verzocht op grond van de artikelen 127, 130, 479, 481 en 482 Wetboek van Strafvordering de rechtspleging te regelen. Die vordering strekte er meer bepaald toe hem akte te verlenen van de voeging van het strafdossier (...) lastens [de tweede inverdenkinggestelde] alsook beide inverdenkinggestelden, wat betreft [de tweede inverdenkinggestelde] bij samenhang, te verwijzen naar het hof van beroep te Y, [de eerste inverdenkinggestelde] voor de feiten omschreven onder telastleggingen A (inbreuk op artikel 458 Strafwetboek, te X en bij samenhang elders in het Rijk tussen 22 juni 2017 en 28 juni 2017) en B (inbreuk op artikel 505, eerste lid, 1°, Strafwetboek, als dader-mededader, zelfde tijdsperiode), [de tweede inverdenkinggestelde] voor het feit omschreven onder de telastlegging B (zelfde omschrijving). Bij verzoekschrift verzocht de eerste inverdenkinggestelde (...) de raadsheer-onderzoeksrechter overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. Bij arrest van 22 oktober 2019 heeft het Hof, gelet op de aan de raadsheer-onderzoeksrechter gerichte vraag tot aanvullend onderzoek, de regeling van de rechtspleging geschorst. Bij beschikking van 18 november 2019 heeft de raadsheer-onderzoeksrechter het verzoek van de eerste inverdenkinggestelde (...) afgewezen. Op 3 december 2019 heeft de eerste inverdenkinggestelde (...) ter griffie van het Hof verklaard hoger beroep in te stellen tegen de afwijzende beschikking van de raadsheer-onderzoeksrechter. Op diezelfde datum heeft de eerste inverdenkinggestelde (...) ook hoger beroep aangetekend tegen diezelfde beschikking van de raadsheer-onderzoeksrechter ter griffie van het hof van beroep te Y. Bij arrest van 4 februari 2020 heeft het Hof het ter griffie van het Hof ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Over het hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep te Brussel werd nog niet gestatueerd. B. VORDERING. Gelet op het gerechtelijk onderzoek gevoerd door raadsheer-onderzoeksrechter (...) met betrekking tot [de eerste inverdenkinggestelde] uit hoofde van de hierboven omschreven telastleggingen A en B; Gelet op het gerechtelijk onderzoek gevoerd door onderzoeksrechter (...) bij de rechtbank van eerste aanleg X, met betrekking tot [de tweede inverdenkinggestelde] uit hoofde van de hierboven omschreven telastelegging B; Gelet op de beschikking tot mededeling van raadsheer-onderzoeksrechter (...) van 15 mei 2018; Gelet op de beschikking van 31 januari 2019 van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg X, waarbij aan de onderzoeksrechter te X ontslag van onderzoek werd verleend in de zaak (...) lastens [de tweede inverdenkinggestelde]; Overwegende dat er aanleiding bestaat om het dossier (...) lastens [de tweede inverdenkinggestelde] te voegen bij het dossier lastens [de eerste inverdenkinggestelde]; Overwegend dat het belang van een goede rechtsbedeling vereist dat beide zaken door eenzelfde rechter worden behandeld en desgevallend gevonnist; Overwegende dat het onderzoek als volledig overkomt en dat de rechtspleging regelmatig is verlopen; Overwegende dat de feiten van de telastlegging A strafbaar zijn met correctionele straffen ingevolge artikel 458 Strafwetboek; Overwegende dat de feiten van de telastlegging B strafbaar zijn met correctionele straffen ingevolge artikel 505 Strafwetboek; Overwegende dat uit de processtukken blijkt dat de procureur-generaal bij het hof van beroep te Y onderhandelingen heeft gevoerd met de beide inverdenkinggestelden met het oog op een mogelijke toepassing van de verruimde minnelijke schikking, zoals bepaald in artikel 216bis, § 2, Wetboek van Strafvordering; Overwegende dat er voldaan is aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 216bis, § 1, Wetboek van Strafvordering, met name dat de feiten niet van aard lijken te zijn dat ze gestraft dienen te worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, desgevallend met inbegrip van de verbeurdverklaring en dat de feiten geen zware aantasting inhouden van de lichamelijke integriteit; Overwegende dat uit de processtukken blijkt dat de eerste inverdenkinggestelde (...) de voorgestelde minnelijke schikking ten bedrage van (...) euro uit vrije wil en weloverwogen heeft aanvaard; Overwegende dat uit de processtukken blijkt dat de tweede inverdenkinggestelde (...) de voorgestelde minnelijke schikking ten bedrage van (...) euro uit vrije wil en weloverwogen heeft aanvaard; Overwegende dat er geen slachtoffers of administraties zijn die dienen te worden vergoed; Overwegende dat de minnelijke schikkingen proportioneel zijn met de ernst van de feiten en met de persoonlijkheid van de twee inverdenkinggestelden; Overwegende dat uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 131/2016 van 20 oktober 2016 en rekening houdend met de arresten nr. 9/2018 van 1 februari 2018, nr. 35/2018 van 22 maart 2018 en nr. 82/2018 van 28 juni 2018 en artikel 502 Wetboek van Strafvordering volgt dat het Hof de rechtspleging moet regelen op een wijze die vergelijkbaar is met die welke geldt bij de gemeenrechtelijke procedure van regeling van de rechtspleging; Overwegende dat dit derhalve ook geldt voor de door artikel 216bis, § 2, Wetboek van Strafvordering, bepaalde procedure van bekrachtiging door de bevoegde rechter van de verruimde minnelijke schikking; Gelet op de artikelen 127, 130, 216bis, 226, 227, 479, 481 en 482, Wetboek van Strafvordering; VORDERT de ondertekende procureur-generaal dat het aan het Hof behage, zetelend in raadkamer en na de partijen behoorlijk te hebben opgeroepen: - mijn ambt akte te verlenen van de voeging van het strafdossier (...) lastens [de tweede inverdenkingggestelde]; - vast te stellen dat er is voldaan aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 216bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering; - vast te stellen dat er in casu geen slachtoffers of fiscale of sociale administraties dienen te worden vergoed; - vast te stellen dat de beide inverdenkinggestelden de hen respectievelijk voorgestelde minnelijke schikkingen uit vrije wil en weloverwogen hebben aanvaard; - vast te stellen dat de voorgestelde minnelijke schikkingen proportioneel zijn met de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de beide inverdenkinggestelden; - bovenvermelde voorstellen van minnelijke schikking overeenkomstig artikel 216bis, § 2, achtste lid, Wetboek van Strafvordering te bekrachtigen in hoofde van de eerste inverdenkinggestelde (...) voor wat betreft de telastleggingen A en B en in hoofde van de tweede inverdenkinggestelde (...) voor wat betreft de telastlegging B. Brussel, 3 juni 2020 Voor de Procureur-generaal, De advocaat-generaal, A.WINANTS". II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De oproeping en de behandeling van de zaak geschiedt in raadkamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft gevorderd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Om de erin vermelde redenen is de vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie gegrond. Dictum Het Hof, Verleent akte van de voeging van het strafdossier (...) lastens de tweede inverdenkinggestelde. Stelt vast dat er is voldaan aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 216bis, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Stelt vast dat er geen slachtoffers of fiscale of sociale administraties moeten worden vergoed. Stelt vast dat de beide inverdenkinggestelden de hen respectievelijk voorgestelde minnelijke schikkingen uit vrije wil en weloverwogen hebben aanvaard. Stelt vast dat de voorgestelde minnelijke schikkingen proportioneel zijn binnen de beoordeling van de bezwaren met de ernst van de feiten en met de persoonlijkheid van de beide inverdenkinggestelden. Bekrachtigt overeenkomstig artikel 216bis, § 2, achtste lid, Wetboek van Strafvordering de voorgestelde minnelijke schikkingen voor de eerste inverdenkinggestelde wat de telastleggingen A en B betreft en voor de tweede inverdenkinggestelde wat de telastlegging B betreft. Dit arrest is gewezen in raadkamer te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op 23 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250219.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div