id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.3 Rolnummer: P.20.0014.N Zaak: V. contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-07-01 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-06-19 19:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het zich ten aanzien van bepaalde patiënten voorstellen als dokter, plastisch chirurg of gynaecoloog, het uitvoeren van consultaties, het preoperatief onderzoeken van patiënten, het stellen van diagnoses, het formuleren van behandelvoorstellen, het interpreteren van verslagen van een radioloog en het daaraan verbinden van behandelconsequenties, het uitvoeren van medische onderzoeken zoals het nemen van echografieën, het uitleggen van het verloop van een operatieve ingreep, het verschaffen van info over protheses en het plaatselijk verdoven van patiënten alvorens littekens of tatoeages met een lasertoestel te behandelen, zijn handelingen die enkel door een arts kunnen worden uitgevoerd en die niet vallen onder het toepassingsgebied van het Koninklijk besluit van 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts of een tandarts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE Vrije woorden: Handelingen die enkel door een arts kunnen worden uitgevoerd - Technische verpleegkundige verstrekkingen en handelingen die door een arts aan de beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen - 78 - 10-11-1967 - 08 ELI link Pub nr 1967111040 KB 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts [of een tandarts] aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze ... - 18-06-1990 - 37 ELI link Pub nr 1990022329 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0014.N K. A. V. D. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. N. R., burgerlijke partij, 2. W. C., burgerlijke partij, 3. V. P., burgerlijke partij, 4. F. V. D. B., burgerlijke partij, 5. D. V. R., burgerlijke partij, 6. C. D. K., burgerlijke partij, 7. RIJKSDIENST VOOR ZIEKTE- en INVALIDITEITSVERZEKERING, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 211, burgerlijke partij, verweersters, de verweerster 7 vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 december 2019, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 11 september 2018. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. In zoverre gericht tegen de aan de eiser verleende vrijspraken, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2. De eiser heeft geen belang op te komen tegen de beslissing die de burgerlijke rechtsovrderingen van de verweersters 3, 4 en 5 ongegrond verklaart. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het exploot van betekening van het cassatieberoep aan de verweersters 2, 6 en 7 ter griffie van het Hof heeft neergelegd binnen de termijnen bepaald in artikel 429 Wetboek van Strafvordering, zoals nochtans vereist door artikel 427, eerste en tweede lid, van dat wetboek. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters 2, 6 en 7, is het cassatieberoep evenmin ontvankelijk. Eerste middel 4. Het middel voert de onjuiste toepassing van de wet aan: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de eiser gestelde handelingen konden worden gekwalificeerd als de onwettige uitoefening van de geneeskunde (telastlegging A van zaak I); de eiser heeft op geen enkel moment handelingen gesteld of onderzoeken uitgevoerd die hadden moeten worden gesteld of uitgevoerd door een arts; als verpleegkundige kon hij bepaalde handelingen zelf stellen overeenkomstig artikel 21quinquies, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. 5. Artikel 2, § 1, van het vermelde koninklijk besluit, zoals van toepassing, bepaalt: "Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, dat werd behaald in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is (...). Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij lid 1 van deze paragraaf, niet vervult, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysische of psychische, werkelijke of vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 46, de handelingen bedoeld bij het vorig lid nader bepalen". Artikel 21quinquies van dat koninklijk besluit bepaalt: "§ 1. Onder uitoefening van de verpleegkunde wordt verstaan het vervullen van de volgende activiteiten:
- a)- het observeren, het herkennen en het vastleggen van de gezondheidsstatus zowel op psychisch, fysisch als sociaal vlak; - het omschrijven van verpleegproblemen; - het bijdragen aan de medische diagnose door de arts en aan het uitvoeren van de voorgeschreven behandeling; - het informeren en adviseren van de patiënt en zijn familie; - het voortdurend bijstaan, uitvoeren en helpen uitvoeren van handelingen, waardoor de verpleegkundige het behoud, de verbetering en het herstel van de gezondheid van gezonde en zieke personen en groepen beoogt; - het verlenen van stervensbegeleiding en begeleiding bij de verwerking van het rouwproces;
- b)de technisch-verpleegkundige verstrekkingen waarvoor geen medisch voorschrift nodig is, alsook deze waarvoor wel een medisch voorschrift nodig is. Die verstrekkingen kunnen verband houden met de diagnosestelling door de arts, de uitvoering van een door de arts voorgeschreven behandeling of met het nemen van maatregelen inzake preventieve geneeskunde.
- c)de handelingen die door een arts kunnen worden toevertrouwd overeenkomstig artikel 5, § 1, tweede en derde lid. § 2. (...). § 3. De Koning kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 46bis, de lijst vaststellen van de in § 1 bedoelde verstrekkingen, alsook de regelen voor de uitvoering ervan en de desbetreffende bekwaamheidsvereisten.". 6. Het arrest (p. 54-57) oordeelt onder meer dat de eiser, zonder daartoe bevoegd te zijn, tijdens de periode van 1 januari 2011 tot 27 februari 2013 op gewoonlijke wijze de geneeskunde beoefende omdat hij volgens de gegevens van het strafdossier een geheel van zelfstandige medische handelingen uitvoerde die enkel door een arts mogen worden uitgevoerd, namelijk dat hij: - zich ten aanzien van bepaalde patiënten voorstelde als dokter, plastisch chirurg of gynaecoloog; - consultaties uitvoerde en patiënten preoperatief onderzocht, onder andere door het opmeten van de borsten en het onderzoeken van vlekken en verdikkingen; - diagnoses stelde en behandelvoorstellen formuleerde zoals het uitvoeren van een liposculptuur of het liften van borsten; - verslagen van een radioloog interpreteerde en hier behandelconsequenties aan verbond, namelijk de noodzaak tot het verwijderen van implantaten; - medische onderzoeken uitvoerde zoals het nemen van echografieën; - aan patiënten uitlegde hoe een operatieve ingreep in zijn werk zal gaan en hen info verschafte met betrekking tot de gebruikte prothesen; - patiënten plaatselijk verdoofde alvorens hij littekens of tatoeages met een lasertoestel behandelde. Het oordeelt bovendien: "De handelingen van [de eiser] zoals deze hierboven werden beschreven vallen duidelijk niet onder het toepassingsgebied van het Koninklijk besluit van 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts of een tandarts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen. [De eiser] stelde verschillende handelingen die enkel door een arts mogen gesteld worden zoals het onderzoeken van patiënten, het stellen van diagnoses en het opstellen van behandelplannen. [De eiser] werkte bij het stellen van deze handelingen bovendien nooit onder het gezag van één van de artsen in de QUAN CLINIC: zij waren niet aanwezig of hadden de handelingen niet voorgeschreven. Alle patiënten verklaren hetzelfde: [de eiser] stelde zich voor als dokter, onderzocht hen, stelde een behandelplan op en deed de nazorg. Hij voerde ook laserbehandelingen uit en verdoofde patiënten hiervoor lokaal. Enkel de esthetische operaties zelf werden door een arts uitgevoerd. [De eiser] heeft zeker in één geval het protocol van een radioloog n.a.v. een mammografie geïnterpreteerd en hier behandelconsequenties aan gekoppeld. Ook dit vormt het onwettig uitoefenen van de geneeskunde. Ook het opmeten van de borsten van een patiënt vormt het uitoefenen van de geneeskunde." Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 7. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel "in dubio pro reo", in samenhang met het motiveringsbeginsel: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastleggingen A, B en C van zaak II (inbreuk op artikel 232 Sociaal Strafwetboek en gemeenrechtelijke valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken); door te stellen dat de eiser welbewust een overschrijvingsbewijs heeft gemanipuleerd of heeft laten manipuleren met de bedoeling V. te misleiden, louter op basis van het feit dat er een overschrijvingsbewijs voor een bedrag ten belope van 12.350,00 euro werd verstuurd, laat het arrest de twijfel niet in het voordeel van de eiser spelen; geen enkel objectief element in het dossier bewijst dat de eiser het rekeninguittreksel heeft opgesteld; het arrest miskent ook de motiveringsverplichting daar het niet preciseert op welke basis men objectief en met zekerheid zou kunnen vaststellen dat de eiser het overschrijvingsbewijs zou hebben gemanipuleerd of laten manipuleren; eveneens gaat het arrest er zonder meer van uit dat de eiser de getuigschriften voor verstrekte hulp heeft opgemaakt, terwijl er geen objectieve elementen zijn die het materiële bestanddeel van het misdrijf te zijnen laste bewijzen en het arrest die ook niet aanhaalt. 8. Met de redenen die het vermeldt, oordeelt het arrest (p. 59-61) in antwoord op de appelconclusie van de eiser dat hij wel degelijk het valse rekeninguittreksel en de valse getuigschriften voor verstrekte hulp heeft opgesteld en vermeldt het de gegevens waaruit het die beslissing afleidt. Aldus is het arrest regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 9. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 256,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 23 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div