← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.4 Rolnummer: P.20.0147.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-07-01 Raadplegingen: 740 - laatst gezien 2026-06-19 20:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer het openbaar ministerie in zijn grievenformulier aangeeft dat het hoger beroep instelt tegen de aan een beklaagde opgelegde straf, stelt het een zelfstandig hoger beroep in met betrekking tot de strafmaat, ook wanneer dit onder de rubriek 'volgberoep' wordt vermeld. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Hoger beroep van het openbaar ministerie - Grievenformulier - Grief over de strafmaat - Vermelding ‘volgberoep' - Draagwijdte Fiche 2 Het feit dat het openbaar ministerie, dat hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing over de strafmaat, ter rechtszitting in hoger beroep geen strafverzwaring vraagt, belet de appelrechter niet om ingevolge dat hoger beroep aan de beklaagde een zwaardere straf op te leggen dan het beroepen vonnis

(1).
(1)Cass. 20 november 2018, AR P.18.0818.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.8, AC 2018, nr. 650. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Hoger beroep van het openbaar ministerie - Strafverzwaring - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0147.N P. P. M. N., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 6 januari 2020. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 203, 204 en 205 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk; het oordeelt immers dat er vanwege het openbaar ministerie geen grieven over de schuld en de strafmaat voorliggen omdat het openbaar ministerie zich met die beslissingen akkoord heeft verklaard in het grievenformulier en op de rechtszitting, zodat die grieven berusten op een vergissing; aldus geeft het bestreden vonnis te kennen dat de grieven van het openbaar ministerie niet nauwkeurig zijn; evenmin is het hoger beroep van het openbaar ministerie aan de eiseres betekend binnen de veertig dagen na de uitspraak van het vonnis; door in die omstandigheden de straffen van de eiseres te verdubbelen, schendt het bestreden vonnis artikel 6 EVRM. 2. Krachtens artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt het daar vermelde verzoekschrift of grievenformulier, op straffe van verval van het hoger beroep, nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven, met inbegrip van de procedurele grieven. 3. Een grief zoals hier bedoeld is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. 4. Wanneer het openbaar ministerie in zijn grievenformulier aangeeft dat het hoger beroep instelt tegen de aan een beklaagde opgelegde straf, stelt het een zelfstandig hoger beroep in met betrekking tot de strafmaat, ook wanneer dit onder de rubriek "volgberoep" wordt vermeld. 5. Het feit dat het openbaar ministerie, dat hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing over de strafmaat, ter rechtszitting in hoger beroep geen strafverzwaring vraagt, belet de appelrechter niet om ingevolge dat hoger beroep aan de beklaagde een zwaardere straf op te leggen dan het beroepen vonnis. 6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Het openbaar ministerie heeft op 15 mei 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechtbank van 24 april 2019 en heeft op dezelfde dag een grievenschrift neergelegd, waarin het de volgende rubrieken heeft aangeduid: - 2)
  1. a)Grieven "over de uitspraak over schuld/onschuld t.a.v. volgende tenlasteleggingen", gevolgd door een tekst waarin wordt vermeld waarom de veroordeling van de eiseres voor de enige telastlegging (overtreding maximumsnelheid) terecht is en haar grieven tegen het beroepen vonnis moeten worden verworpen; - 4)
  2. a)Grieven "over de aard van de volgende opgelegde straffen en/of maatregelen", gevolgd door de tekst "Strafmaat is terecht, mede gelet op de voorgaanden"; - 9) "Andere grieven", gevolgd door de tekst "Gelet op het aangetekende hoger beroep en het neergelegde grievenformulier van [de eiseres] volgt het openbaar ministerie het ingestelde hoger beroep en tekent het ook beroep aan wat betreft de strafmaat". 8. Het bestreden vonnis oordeelt: "De rechtbank is van oordeel dat er wat het openbaar ministerie betreft geen grief omtrent de schuld voorligt omdat uit de redenen van de grief blijkt dat ze akkoord is met de veroordeling van [de eiseres] bij het bestreden vonnis zoals ze heeft bevestigd ter terechtzitting. Eveneens ligt er geen grief voor omtrent de straf gelet op de redenen van de grief waaruit blijkt dat het openbaar ministerie de door de eerste rechter opgelegde strafmaat terecht vindt zoals ze ook ter terechtzitting heeft bevestigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgave van voornoemde grieven op een vergissing vanwege het openbaar ministerie berust. Ze houdt er dan ook voor het overige geen rekening mee. De enige grief van het openbaar ministerie die voorligt betreft de andere grieven zijnde dat men volgberoep aantekent." Met die redenen geven de appelrechters te kennen dat zij geen rekening houden met de rubrieken 2)
  3. a)en 4)
  4. a)omdat het openbaar ministerie daarin geen grieven vermeldt tegen beslissingen van het beroepen vonnis waarvan het de hervorming vraagt, maar dat zij wel rekening houden met de rubriek 9, waarin het openbaar ministerie een grief tegen onder meer de beslissing over de strafmaat heeft aangeduid. Aldus oordelen de appelrechters niet dat de grieven van het openbaar ministerie onduidelijk zijn, maar verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 9. Aangezien het openbaar ministerie regelmatig hoger beroep heeft ingesteld overeenkomstig artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering, moest het zijn hoger beroep niet aan de eiseres laten betekenen binnen de veertig dagen na de uitspraak van het beroepen vonnis, zoals bepaald in artikel 205 van dat wetboek. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. 10. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Eerste onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis stelt vast dat het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk is omdat het op een vergissing berust of dat het hoogstens een volgberoep betreft; de verdubbeling van de aan de eiseres opgelegde straf berust dan ook op een totaal verkeerde motivering. 12. Met de redenen vermeld in het tweede onderdeel van dit middel, is het bestreden vonnis regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 13. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in dat tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel 14. Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek en artikel 195bis Wetboek van Strafvordering: de zetel van de correctionele rechtbank was niet regelmatig samengesteld omdat niet blijkt dat kamervoorzitter Eeckeleers, die de zaak ter rechtszitting mee heeft behandeld, heeft deelgenomen aan het beraad; de beschikking van de voorzitter van de rechtbank waarbij rechter Eeckeleers overeenkomstig artikel 782bis Gerechtelijk Wetboek werd vervangen door een andere rechter voor het uitspreken van het bestreden vonnis, dateert immers reeds van 2 januari 2020. 15. Volgens artikel 779 Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis, op straffe van nietigheid, enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die alle rechtszittingen over de zaak moeten hebben bijgewoond. 16. Artikel 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis, op straffe van nietigheid, de vermelding bevat van de rechter of de rechtbank die het heeft gewezen, de namen van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld, van de magistraat van het openbaar ministerie die zijn advies heeft gegeven en van de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest. Volgens artikel 782bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt het vonnis in strafzaken uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters. Indien evenwel een kamervoorzitter wettig is verhinderd het vonnis uit te spreken waarvoor hij aan de beraadslaging heeft deelgenomen, kan de voorzitter van het gerecht een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. Artikel 785 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, de griffier daarvan melding maakt onderaan op de akte en de beslissing geldig is met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken. Artikel 195bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de griffier het vonnis binnen tweeënzeventig uren moet laten tekenen door de rechters die het hebben gewezen. Indien een of meer rechters zich in de onmogelijkheid bevinden om te tekenen, tekenen alleen de anderen, onder vermelding van die onmogelijkheid. 17. Het bestreden vonnis vermeldt: "Dit vonnis is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, kamer AC6, samengesteld uit: H. Eeckeleers, voorzitter van de kamer, rechter, P. Eckert, rechter, M. Dal, werkend rechter, en uitgesproken in openbare terechtzitting op zes januari tweeduizend twintig door Mevrouw S. Van Steenwinkel, rechter, hiertoe aangewezen bij beschikking van de dd. Voorzitter, afdelingsvoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, dd. 2 januari 2020 overeenkomstig artikel 782bis Ger. W., in aanwezigheid van een magistraat van het openbaar ministerie, met bijstand van griffier M. Cleemput." (volgen de namen M. Cleemput, M. Dal, P. Eckert en H. Eeckeleers, alsook de handtekeningen van M. Cleemput, P. Eckert en M. Dal) Rechter H. Eeckeleers bevindt zich in de onmogelijkheid om onderhavig vonnis te tekenen (art. 195bis Sv.)" 18. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 2 december 2019 blijkt dat de rechters Eeckeleers, Eckert en Dal de zaak op die rechtszitting hebben behandeld en in beraad genomen. 19. Hieruit volgt dat deze rechters over de zaak hebben geoordeeld. Het enkele feit dat de beschikking op grond van artikel 782bis Gerechtelijk Wetboek dateert van 2 januari 2020, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 20. Voor het overige preciseert het middel niet hoe en waardoor het bestreden vonnis artikel 195bis Wetboek van Strafvordering schendt en is het bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk. Derde middel Tweede onderdeel 21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiseres niet moest worden verhoord omdat zij het haar overgemaakte antwoordformulier niet heeft teruggestuurd; er ligt geen enkel bewijs voor dat dit antwoordformulier effectief aan de eiseres is overgemaakt; het bestreden vonnis gaat dan maar zonder meer verder op de vaststellingen van de verbalisanten en miskent zodoende het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid; een antwoordformulier voldoet ook niet aan de rechtsgronden bepaald in voormeld artikel 47bis. 22. Het bestreden vonnis oordeelt dat het feit dat de eiseres niet is gehoord geen schending oplevert van artikel 6 EVRM, niet enkel omdat zij niet heeft gereageerd op het haar overgemaakte antwoordformulier, maar ook omdat zij in geen van de beide aanleggen in persoon is verschenen en het dus zelf niet opportuun heeft gevonden om te worden gehoord, zodat zij bezwaarlijk kan stellen dat zij ten onrechte niet werd verhoord. Met die zelfstandige reden is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel dat niet opkomt tegen die reden, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt dat de verklaring van de dochter van de eiseres het vermoeden niet weerlegt dat het de eiseres was die reed met het voertuig waarvan de onbemande camera de snelheidsovertreding heeft vastgesteld; uit de verklaring van deze dochter blijkt duidelijk dat zij op het moment van de feiten ter plaatse aanwezig was; zij vermeldt per vergissing enkel een verkeerd voertuig; gelet op het feit dat het antwoordformulier niet aangetekend werd verzonden, ligt er geen enkel bewijs voor dat dit inderdaad werd ontvangen; de eiseres blijft dit ontkennen; de motivering van het beroepen vonnis om te oordelen dat de eiseres het feit heeft gepleegd, is onjuist. 24. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het tweede onderdeel van dit middel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk. 25. Artikel 67bis, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet, zoals van toepassing, bepaalt: "Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig. De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen." 26. In zoverre het onderdeel formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de weerlegging van het in artikel 67bis Wegverkeerswet bepaalde vermoeden, is het eveneens niet ontvankelijk. 27. Het bestreden vonnis oordeelt onder meer: - met een onbemande camera werd vastgesteld dat een voertuig waarvan de eiseres titularis van de nummerplaat is, op datum en plaats van de feiten een snelheidsovertreding beging; - de eiseres wordt als titularis van het voertuig vermoed de overtreder te zijn; - de verklaring van haar dochter van 14 mei 2019 (dus meer dan een jaar na de feiten) dat zij met de wagen Ford Escort van haar moeder zou hebben gereden op datum en plaats van de feiten maar zich niet kan herinneren dat ze een overtreding begaan heeft, kan kloppen omdat de overtreding is begaan met een Fiat 500 en niet met een Ford Escort. Het staat dan ook vast dat de dochter geenszins de overtreding kan hebben begaan. De eiseres weerlegt het voornoemde vermoeden dan ook niet; - het feit is dan ook bewezen op grond van de vaststellingen van de verbalisanten zoals vervat in het aanvankelijk proces-verbaal. Aldus is de beslissing over de schuld van de eiseres regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM: het bestreden vonnis oordeelt dat het feit dat het voertuig van de eiseres werd gezien op de Noorderlaan gelet op de vaststelling van de onbemande camera, geen inbreuk op de privacy van de eiseres betreft en geen schending is van artikel 8 EVRM omdat het vaststellen van inbreuken door een dergelijke camera wettelijk toegelaten is; op basis van welke wettelijke bepaling, die strijdig zou zijn met de hogere rechtsregel van artikel 8 EVRM, een dergelijke vaststelling dan wel toegelaten is, geeft het bestreden vonnis geen uitsluitsel; die schending van artikel 8 EVRM had kunnen worden voorkomen door de eiseres te verhoren. 29. In haar appelconclusie heeft de eiseres enkel aangevoerd, onder de hoofding "I. Feiten en procedurele voorgaanden": "[De eiseres] wordt dan ook thans vals beticht van deze inbreuk. Ook heeft men inbreuk gemaakt van haar privacy conform art. 8 EVRM". 30. Artikel 8 EVRM vereist niet dat de appelrechters, geconfronteerd met een dergelijke aanvoering waaruit geen rechtsgevolg is getrokken, vermelden op grond van welke wettelijke bepalingen het is toegelaten om snelheidsovertredingen vast te stellen met gebruik van onbemande verkeerscamera's. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 31. Voor het overige ontwaart het Hof niet het verband tussen de opgeworpen onwettigheid en de aanvoering dat de eiseres niet verhoord is geweest. Het onderdeel preciseert dat verband ook niet. In zoverre is het onderdeel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2019 (ed. 2) en in werking getreden op 1 januari 2020 32. Artikel 91, eerste lid, Tarief Strafzaken bepaalde dat in criminele en correctionele zaken die kosten van brief- en pakketpost hebben veroorzaakt, door de rechter aan de Staat als correspondentiekosten een som werd toegeschat, die niet meer mocht bedragen dan 10 procent van de gezamenlijke kosten. Artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken bepaalde dat in criminele, correctionele en politiezaken door de rechter aan iedere veroordeelde een te indexeren vergoeding van 50,00 euro diende te worden opgelegd. 33. Die bepalingen zijn opgeheven bij artikel 43 van het voormelde koninklijk besluit. 34. Er blijkt niet dat enige bepaling van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 Wetboek van Strafvordering of van het voormelde koninklijk besluit van 15 december 2019 een rechtsgrond biedt voor die veroordelingen. Dat geldt ook voor de omzendbrief nr. 131/7 over de indexering van de bedragen die mogen worden aangerekend door de personen die door de gerechtelijke overheden worden gevorderd voor het uitvoeren van een opdracht in een dienstverlenende rol die gerechtskosten in strafzaken genereert, die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2020. 35. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres tot betaling van de kosten bepaald op 73,51 euro en het verhoogt dat bedrag met 10 procent, dit is 7,35 euro, op grond van artikel 91, eerste lid, Tarief Strafzaken. Het veroordeelt de eiseres eveneens tot betaling van een vergoeding van 54,76 euro als bedoeld door artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken. De veroordelingen tot die kostenverhoging en vergoeding zijn niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 36. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres veroordeelt tot een kostenverhoging van 7,35 euro en een vergoeding van 54,76 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot vijf zesden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 64,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 23 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.4 Gerelateerde publicatie(
  5. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.