id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.6 Rolnummer: P.20.0324.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2020-07-01 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-06-19 19:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van artikel 24 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar volgt dat enkel de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren en agenten die door de Koning zijn aangewezen, bewijswaarde hebben tot het tegendeel wordt bewezen en dat enkel met betrekking tot die processen-verbaal, op straffe van nietigheid, moet worden voldaan aan de in het tweede lid bepaalde vereisten; daarentegen doet dat artikel geen afbreuk aan de algemene opsporingsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie, noch aan hun plicht om van de ontvangen klachten en aangiften en de vastgestelde misdaden en wanbedrijven proces-verbaal op te stellen en daarvan kennis te geven aan de bevoegde gerechtelijke overheid, zoals dat onder meer is bepaald in de artikelen 15 en 40 Wet Politieambt en die processen-verbaal, ook al betreffen zij overtredingen van de wet van 11 februari 2013, hebben niet de bijzondere bewijswaarde bepaald in artikel 24, tweede lid, van die wet, moeten niet voldoen aan de in dat lid bepaalde vereisten en zijn niet onderworpen aan de erin bepaalde nietigheidssanctie en zij gelden als inlichtingen waarop de rechter vrij zijn overtuiging kan steunen
(1).
(1)D. HOLSTERS, "De bewijswaarde van het proces-verbaal betreffende de vaststelling van misdrijven", RW 1980-81, 1353-1394 en 1433-
- Thesaurus CAS: MAKELAAR Vrije woorden: Vastgoedmakelaar - Wet 11 februari 2013 - Artikel 24 - Ambtenaren en agenten aangewezen door de Koning voor de opsporing en vaststelling van inbreuken - Processen-verbaal - Bewijswaarde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Algemene opsporingsbevoegdheid - Wet 11 februari 2013 - Artikel 24 - Ambtenaren en agenten aangewezen door de Koning voor de opsporing en vaststelling van inbreuken - Processen-verbaal - Bewijswaarde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Wet 11 februari 2013 - Artikel 24 - Ambtenaren en agenten aangewezen door de Koning voor de opsporing en vaststelling van inbreuken - Processen-verbaal - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0324.N K. A. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 24 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest verwerpt het verweer van de eiser dat de processen-verbaal nr. KO.68.L3.002732/2017 van 19 juni 2017, nr. 000134/18 van 10 januari 2018, 000356/18 van 22 januari 2018, nr. 0007785/18 van 15 februari 2018 en nr. 0003598/18 van 23 augustus 2018 nietig zijn en uit het debat moeten worden geweerd omdat een afschrift van die processen-verbaal niet binnen de zeven dagen na de vaststelling van de inbreuk is gezonden aan de eiser en aan de bevoegde minister; alle processen-verbaal die inbreuken op die wet vaststellen, ongeacht door wie zij zijn opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel wordt bewezen en moeten op straffe van nietigheid voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 24, tweede lid, van de voormelde wet van 11 februari 2013; het arrest oordeelt ten onrechte dat die vereisten en sanctie enkel gelden voor processen-verbaal opgesteld door de in artikel 24, eerste lid, vermelde ambtenaren of agenten die door de Koning zijn aangewezen, maar niet voor de processen-verbaal opgesteld door officieren van gerechtelijke politie in het kader van hun algemene opsporingsbevoegdheid; het oordeelt eveneens ten onrechte dat die laatste processen-verbaal gelden als inlichting.
- Artikel 24 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar bepaalt: "Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden het personeel van de federale politie, de ambtenaren en agenten van de plaatselijke politie en de ambtenaren en agenten, te dien einde door de Koning aangewezen op voorstel van de minister, belast met het opsporen en vaststellen in processen-verbaal van de inbreuken op deze wet. Deze processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel wordt bewezen. Zij worden onverwijld toegezonden aan de bevoegde ambtenaren van het openbaar ministerie; een afschrift ervan wordt binnen zeven werkdagen gezonden aan de inbreukmaker, alsook aan de in het eerste lid vermelde minister, te rekenen vanaf de vaststelling der inbreuken, dit alles op straffe van nietigheid."
- Uit de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van dat artikel volgt dat enkel de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren en agenten die door de Koning zijn aangewezen, bewijswaarde hebben tot het tegendeel wordt bewezen en dat enkel met betrekking tot die processen-verbaal, op straffe van nietigheid, moet worden voldaan aan de in het tweede lid bepaalde vereisten. Daarentegen doet dat artikel geen afbreuk aan de algemene opsporingsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie, noch aan hun plicht om van de ontvangen klachten en aangiften en de vastgestelde misdaden en wanbedrijven proces-verbaal op te stellen en daarvan kennis te geven aan de bevoegde gerechtelijke overheid, zoals dat onder meer is bepaald in de artikelen 15 en 40 Wet Politieambt. Die processen-verbaal, ook al betreffen zij overtredingen van de wet van 11 februari 2013, hebben niet de bijzondere bewijswaarde bepaald in artikel 24, tweede lid, van die wet, moeten niet voldoen aan de in dat lid bepaalde vereisten en zijn niet onderworpen aan de erin bepaalde nietigheidssanctie. Zij gelden als inlichtingen waarop de rechter vrij zijn overtuiging kan steunen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Hieruit volgt dat de appelrechters die weigerden de in het middel vermelde processen-verbaal uit het debat te weren, hun beslissing naar recht verantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 85,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 23 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div