id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.1 Rolnummer: F.16.0059.N-F.16.0136.N Zaak: ENDEMOLSHINE BELGIIUM contra BELGISCHE ST MIN FIN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-12-15 Raadplegingen: 4532 - laatst gezien 2026-06-18 23:04 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.1 Fiches 1 - 2 De belasting die wordt geheven op het brutobedrag van de bij spelen en weddenschappen ingezette sommen is verschuldigd door elke persoon die zelfs toevallig, enige inzet of enig inleggeld hetzij voor eigen rekening, hetzij als tussenpersoon aanneemt; de belastingplichtige is de persoon die de inzet of het inleggeld in ontvangst neemt
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OP SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Vrije woorden: Wetboek van met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen - Artikel 51 - Belastingschuldige - Aannemen van inzet of inleggeld - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen - 23-11-1965 - Art. 51 - 31 Link Justel databank 19651123-31 Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Vrije woorden: Belasting op de spelen en weddenschappen - Wetboek van met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen - Artikel 51 - Belastingschuldige - Aannemen van inzet of inleggeld - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen - 23-11-1965 - Art. 51 - 31 Link Justel databank 19651123-31 Tekst van de beslissing I. Nr. F.16.0059.N ENDEMOLSHINE BELGIUM nv, met zetel te 2800 Mechelen, Schaliënhoevedreef 20, bus E, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, en door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, tegen
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
- MEDIALAAN nv, met zetel te 1800 Vilvoorde, Medialaan 1, verweerster, of partij minstens opgeroepen in gemeenverklaring van het arrest. II. Nr. F.16.0136.N MEDIALAAN nv, met zetel te 1800 Vilvoorde, Medialaan 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3,
- ENDEMOLSHINE BELGIUM nv, met zetel te 2800 Mechelen, Schaliënhoevedreef 20, bus E, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep in beide zaken is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 december
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 25 februari 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Zaak F.16.0059.N De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Zaak F.16.0136.N De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging
- De twee cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. B. Zaak F.16.0059.N Eerste middel Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
- De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel komt op tegen een feitelijke beoordeling en verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten.
- Het onderdeel komt op tegen de interpretatie door de appelrechters van het wetsbegrip “aannemen”, opgenomen in artikel 51 van het wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna: WIGB). De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Overeenkomstig artikel 51 WIGB, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 april 1967 en voor zijn wijziging door het Vlaams Decreet van 23 december 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2011, is de belasting die wordt geheven op het brutobedrag van de bij de spelen en weddenschappen ingezette sommen, verschuldigd door elke persoon die zelfs toevallig, enige inzet of enig inleggeld hetzij voor eigen rekening, hetzij als tussenpersoon aanneemt. De belastingplichtige is de persoon die de inzet of het inleggeld in ontvangst neemt.
- De appelrechters oordelen dat de eiseres de organisator of inrichter van de belspelen is, zonder vast te stellen dat zij de door de deelnemers betaalde vergoeding in ontvangst heeft genomen. Door haar niettemin aan te merken als belastingschuldige van de belasting op spelen en weddenschappen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Vijfde middel Eerste onderdeel
- Onder het punt 4.12 van het arrest gaan de appelrechters in op het recht op teruggaaf van de ten onrechte aangerekende btw. Met de onder dat punt weergegeven redenen geven de appelrechters te kennen dat er sprake was van een vergissing in de facturen in de zin van artikel 79, § 1, eerste lid, Btw-wetboek. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Overeenkomstig artikel 79, § 1, eerste lid, Btw-wetboek moet de leverancier of de dienstverrichter, wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, aan de medecontractant een verbeterend stuk uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. Overeenkomstig artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde moet, om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen, de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval, gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, Btw-wetboek bedoelde aangifte in te dienen: 1° een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggaaf vatbare bedrag; 2° dat stuk inschrijven in een daartoe bestemd register; 3° in de gevallen bedoeld in artikel 79 Btw-wetboek, aan de medecontractant een dubbel van dat stuk uitreiken voorzien van de vermelding: “BTW terug te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht”. De medecontractant die deze belasting in aftrek heeft gebracht, moet ze overeenkomstig artikel 79, § 2, tweede lid, Btw-wetboek terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen. Krachtens artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 4 kan de teruggave van de belasting niet geldig worden verkregen wanneer de formaliteiten en voorwaarden bepaald bij dit besluit niet worden nageleefd.
- Uit de onder het punt 4.12 van het arrest weergegeven redenen blijkt dat er sprake was van een “vergissing in de facturen”. Door te oordelen dat de eiseres aan haar medecontractant, Paratel nv, een verbeterend stuk diende uit te reiken, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- De in het antwoord op het vorige onderdeel genoemde formaliteiten en voorwaarden bij facturatie aan btw-plichtigen strekken tot de eerbiediging van het neutraliteitsbeginsel. De gestelde formaliteiten gaan mitsdien niet verder dan voor het bereiken van de doelstellingen van de wet noodzakelijk is.
- Na te hebben vastgesteld dat de eiseres geen verbeterend stuk heeft uitgereikt aan haar medecontractant, Paratel nv, oordelen de appelrechters dat: - door op een dergelijke wijze te handelen alleen het nodige werd gedaan om de btw in hoofde van de eiseres in haar voordeel te regulariseren, maar er niets gebeurde voor de medecontractant Paratel, die de aangerekende btw in aftrek heeft gebracht, zodat het met het recht op aftrek gepaard gaande gevaar voor belastingverliezen niet werd uitgeschakeld; - de wettelijk voorziene procedure tot teruggaaf van btw het de eiseres niet onmogelijk maakte een teruggaaf te verkrijgen, en dat de eiseres in de mogelijkheid was om alle opgelegde formaliteiten na te leven maar zij dit naliet; - in die omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de vermelde voorwaarden die verbonden waren aan de teruggaaf van de btw niet verder gaan dan nodig ter verwezenlijking van het met artikel 203 van de richtlijn 2006/112 nagestreefde doel, zijnde het gevaar voor verlies van belastinginkomsten uitschakelen, en dat de beginselen van neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid daaraan niet in de weg staan; - de administratie, gelet op voormelde principes en artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 4, het recht op teruggaaf terecht heeft geweigerd. Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zesde middel Eerste onderdeel
- Het is niet tegenstrijdig enerzijds te oordelen dat de eiseres principieel recht heeft op teruggaaf van de btw en anderzijds dat zij heeft nagelaten een verbeterend stuk aan haar medecontractant uit te reiken met het oogmerk om belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. In zoverre het onderdeel gesteund is op een tegenstrijdigheid in de motivering, mist het feitelijke grondslag.
- De appelrechters maken met hun vaststellingen en overwegingen het door het Hof uit te oefenen wettigheidstoezicht niet onmogelijk. In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de weigering van het recht op teruggaaf een strafsanctie is, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. C. Zaak F.16.0136.N Eerste middel Ontvankelijkheid
- De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: gelet op het ontbreken van een wettelijke omschrijving van het begrip “aannemen” komt het middel op tegen een feitelijke beoordeling en verplicht dit het Hof tot een onderzoek van feiten.
- Uit het antwoord op de grond van niet-ontvankelijkheid die de verweerder aanvoerde tegen het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak F.16.0059.N, volgt dat deze grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- Verder voert de verweerder aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat dit het Hof verplicht te onderzoeken of de telecomoperatoren als tussenpersonen werden aangesteld om de inzetten in ontvangst te nemen.
- Het middel verplicht het Hof niet te onderzoeken of de telecomoperatoren als tussenpersonen werden aangesteld om de inzetten in ontvangst te nemen. Deze grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het eerste middel van het cassatieberoep F.16.0059.N. Uit het antwoord op dat onderdeel, volgt dat het middel gegrond is. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het vijfde middel van het cassatieberoep F.16.0059.N. Uit het antwoord op dat onderdeel, volgt dat de beslissing van de appelrechters dat de tweede verweerster aan Paratel nv een verbeterend stuk diende uit te reiken, naar recht verantwoord is. Tweede en derde onderdeel
- Uit de onder het punt 4.12.2 van het arrest weergegeven feitelijke vaststellingen en redenen konden de appelrechters wettig afleiden dat Paratel nv, en dus niet de deelnemers aan de belspelen, de medecontractant was van de tweede verweerster, zodat zij, als leverancier of dienstverlener, gehouden was aan Paratel nv een verbeterend stuk uit te reiken. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de tweede verweerster de belastingplichtige is inzake de belasting op spelen en weddenschappen omdat zij als organisator een overeenkomst heeft met de deelnemers aan de belspelen, en, andersdeels, dat niet wordt aangetoond dat er een rechtstreekse verhouding is tussen de tweede verweerster en de deelnemers aan de belspelen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Een cassatiemiddel dat de schending van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek wegens een tegenstrijdigheid in de beschikkingen van het vonnis aanvoert, maar in werkelijkheid betrekking heeft op een tegenstrijdigheid tussen de motieven van het vonnis, is niet ontvankelijk. In zoverre het onderdeel, dat in werkelijkheid betrekking heeft op een tegenstrijdigheid tussen de motieven van het bestreden arrest, de schending van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek aanvoert, is het niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel
- Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde onderdeel van het vijfde middel van het cassatieberoep F.16.0059.N. Uit het antwoord op dat onderdeel volgt dat het onderdeel niet kan worden aangenomen. Dictum Het Hof, Voegt de zaken F.16.0059.N en F.16.0136.N samen. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de eiseres als belastingplichtige van de belasting op spelen en weddenschappen kan worden aangemerkt, en in zoverre het oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div