← België

L. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.13 Rolnummer: F.19.0052.N Zaak: L. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-12-15 Raadplegingen: 1718 - laatst gezien 2026-06-20 21:19 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.13 Fiche In fiscale zaken is er sprake van veinzing wanneer een belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden een inbreuk pleegt op de fiscale wet door de veruitwendiging van een juridische akte die niet overeenstemt met een andere, geheim gehouden, overeenkomst; de veinzing blijkt uit de vaststelling dat de veruitwendigde akte in werkelijkheid niet is gesteld of dat de partijen niet alle gevolgen ervan aanvaardeng

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Algemeen Vrije woorden: Auteursrechten - Cessieovereenkomst - Veinzing - Begrip Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1134, 1165 en 1321 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0052.N
  1. T. L.,
  2. O. L., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
  3. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 30 oktober
  4. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 27 mei 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  5. De appelrechter oordeelt in hoofdorde dat de cessieovereenkomst gesimuleerd is omdat er geen sprake kan zijn van auteursrechten en van cessie ervan. Bijgevolg diende hij niet te antwoorden op de voor de beoordeling van het bestaan van auteursrechten niet-relevante aanvoeringen van de eisers met betrekking tot de economische en juridische noodzaak voor een advocatenkantoor om over de auteursrechten op de werken van de advocaten te kunnen beschikken. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  6. De appelrechter oordeelt dat: - de advocaat bij zijn beroepsuitoefening normaal geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes, zodat er geen sprake kan zijn van auteursrechten en van de overdracht ervan; - zo de prestaties van de advocaat logischerwijze kaderen in een concreet probleem dat hem door een cliënt wordt voorgelegd, dit op zich niet inhoudt dat deze prestaties auteursrechtelijke bescherming genieten, aangezien aan de voorwaarde van originaliteit moet zijn voldaan; - de eisers het tegenbewijs kunnen leveren, maar dat zij dit nalaten; - het tegenbewijs niet geleverd wordt door het citeren van diverse, hoofdzakelijk buitenlandse, rechtspraak of door niet-concreet ondersteunde veralgemeningen, en dat in dit verband de standpunten verwerkt in het advies van een door de eisers geraadpleegde advocaat niet zonder meer gevolgd kunnen worden; - er een verschil bestaat tussen het standpunt dat een advocaat auteursrechtelijk beschermde werken kan tot stand brengen, en het standpunt van de eisers volgens welk een advocaat per definitie auteursrechtelijk werk tot stand brengt. Aldus verwerpt en beantwoordt de appelrechter het door de eisers ontwikkeld verweer in verband met het bestaan van auteursrechtelijk beschermd werk door zijn beoordeling van de gegevens van de zaak betreffende het niet-bestaan van dergelijk auteursrechtelijk beschermd werk daartegenover te stellen, zonder dat hij ertoe gehouden was de in het onderdeel bedoelde argumenten die geen afzonderlijk middel vormen, te beantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  7. In fiscale zaken is er sprake van veinzing wanneer een belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden een inbreuk pleegt op de fiscale wet door de veruitwendiging van een juridische akte die niet overeenstemt met een andere, geheim gehouden, overeenkomst. De veinzing blijkt uit de vaststelling dat de veruitwendigde akte in werkelijkheid niet is gesteld of dat de partijen niet alle gevolgen ervan aanvaarden.
  8. De appelrechter overweegt dat "er geen sprake kan zijn van auteursrechten en van cessie ervan" zodat "moet worden aangenomen dat de cessieovereenkomst gesimuleerd is, en enkel werd opgemaakt door [de eerste eiser] (wiens handtekening de enige is die op de cessieovereenkomst voorkomt, éénmaal in eigen naam en éénmaal in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider van de advocatenvennootschap die zijn naam draagt) om te kunnen genieten van een ruim lagere belasting op een deel van zijn inkomsten uit zijn beroepsactiviteit dan in de gewone personenbelasting", en dat "men niet goed [inziet] welke reden anders aan de grondslag van dergelijke overeenkomst zou kunnen liggen, mede in acht genomen het feit dat een vordering/procedure van [de eerste eiser] tegen zijn eigen vennootschap weinig waarschijnlijk is, en dat toch niet blijkt dat de - voorgehouden - vergoeding voor auteursrechten voor [de eerste eiser] tot een hogere vergoeding voor zijn prestaties zou hebben geleid dan voordien". Aldus oordeelt de appelrechter zonder schending van de als geschonden aangevoerde wetsbepalingen dat de cessieovereenkomst in werkelijkheid niet is gesloten en bijgevolg geveinsd is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  9. De appelrechter oordeelt dat: - de advocaat bij zijn beroepsuitoefening "normaal" geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes, zodat geen sprake kan zijn van auteursrechten, en van overdracht ervan; - de eisers het tegenbewijs kunnen leveren, wat zij evenwel niet doen. Aldus sluit de appelrechter niet uit dat een advocaat auteursrechtelijk beschermd werk kan creëren, maar oordeelt hij enkel dat te dezen het bewijs niet is geleverd van het voldaan zijn aan de voorwaarde van originaliteit. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een advocaat volgens de appelrechter geen auteursrechtelijk beschermd werk kan creëren, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
  10. De appelrechter oordeelt dat de eisers niet bewijzen dat de eerste eiser als advocaat intellectuele scheppingen tot stand heeft gebracht die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes, zodat geen sprake is van auteursrechten en van overdracht ervan en de overeenkomst betreffende de overdracht van auteursrechten gesimuleerd is. De appelrechter erkent aldus niet dat de cessieovereenkomst niet geveinsd en dus rechtsgeldig is. In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  11. De appelrechter oordeelt niet dat de eiser nooit auteursrechtelijk beschermd werk kon en zal kunnen creëren. In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Zesde onderdeel
  12. De reden van de appelrechter dat niet blijkt dat "de - voorgehouden - vergoeding voor auteursrechten voor [de eerste eiser] tot een hogere vergoeding voor zijn prestaties zou hebben geleid dan voordien" betreft een ten overvloede gegeven overweging die de beslissing dat de cessieovereenkomst gesimuleerd is, niet zelfstandig schraagt. Het onderdeel dat tegen die reden opkomt, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  13. De appelrechter overweegt dat: - de naam van de vennootschap "BVBA Tim Laureys Advocaat" is; - de vennootschap gerechtigd is haar "eigen naam" te gebruiken; - de vennootschapsnaam de naam van de eerste eiser bevat en zijn titel van advocaat, zodat moet worden aangenomen dat de eerste eiser, als bedrijfsleider en wellicht ook oprichter van die vennootschap, met het gebruik van zijn naam als vennootschapsnaam heeft ingestemd, en dat men logischerwijze trouwens ook normaal niet moet verwachten dat de eerste eiser een vordering tegen de vennootschap gaat instellen in het kader waarvan hij zijn beroepsactiviteit als advocaat uitoefent; - het verlenen van een licentie voor het gebruik van diezelfde naam zonder voorwerp is. Hij oordeelt aldus dat de vennootschap hoe dan ook haar eigen vennootschapsnaam kon gebruiken en diende bijgevolg niet meer te antwoorden op de niet meer dienende aanvoeringen van de eisers met betrekking tot de eigendom van de naam op grond van de goodwillovereenkomst. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  14. De appelrechter oordeelt dat "voor zoveel als nodig moet worden opgemerkt dat met de overeenkomst van koop-verkoop van de goodwill dd. 1.3.2005 (...) door [de eerste eiser]/verkoper aan de vennootschap/koper, het "logo" ook reeds aan de vennootschap was overgedragen. Volgens de uitleg in die overeenkomst gegeven aan het woord "goodwill" bleef [de eerste eiser]/verkoper er eigenaar van tot aan de (eigenlijke) overdracht, d.i. op het ogenblik dat de prijs integraal is toegekend (d.i. na afloop van de periodes of op het ogenblik dat het maximumbedrag is bereikt; volgens de laatste conclusie van [de eisers], p. 22, werd deze prijs volledig betaald)". Het onderdeel dat opkomt tegen deze ten overvloede gegeven reden is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  15. In zijn syntheseconclusie voert de verweerder, onder het punt IV.2.4.3.3., aan dat een logo of beeldmerk een grafische uiting is die met een bedrijfs- of productnaam geassocieerd wordt en dat de eisers niet bewijzen dat zij het bedoelde logo gebruiken. Aldus erkende de verweerder in die conclusie niet dat de licentieovereenkomst een logo of beeldmerk betrof en betwistte hij het bestaan zelf van een logo of beeldmerk. Partijen hadden aldus wel betwisting over het bestaan van een logo. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, berust op een onjuiste lezing van de syntheseconclusie van de verweerder en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  16. De appelrechter overweegt dat "nu de vennootschap de naam "Tim Laureys Advocaat" hetzij haar eigen naam, reeds mocht gebruiken, het gebruik van een licentie voor het gebruik van diezelfde naam zonder voorwerp is", en dat "deze gegevens de overtuiging [afdwingen] dat de ongedateerde licentie-overeenkomst gesimuleerd is, en het er voor de [eerste eiser] enkel op aankwam uit de vennootschap een inkomen te halen dat niet het normaal regime van de personenbelasting onderging". Verder overweegt de appelrechter dat "in deze omstandigheid te dezen niet [kan] gesproken worden van een "logo" of "beeldmerk", maar enkel van de naam van de vennootschap", dat "men tot hetzelfde besluit [moet] komen als hiervoren uiteengezet met betrekking tot het gebruik van de naam", en dat "het "logo" ook reeds aan de vennootschap was overgedragen". Aldus oordeelt de appelrechter zonder schending van de als geschonden aangevoerde wetsbepalingen dat de licentieovereenkomst in werkelijkheid niet is gesloten en bijgevolg geveinsd is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  17. Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur sluit het recht op rechtszekerheid in. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd. De verwachtingen van de burger mogen evenwel niet gegrond zijn op een onwettelijke praktijk.
  18. De appelrechter oordeelt dat: - de vraag naar de kwalificatie van de inkomsten als roerende inkomsten dan wel bezoldigingen, het recht en niet de feiten betreft; - de beginselen van behoorlijk bestuur niet kunnen worden ingeroepen tegen de wettelijke bepalingen in, zodat niet moet worden nagegaan of de administratie al dan niet akkoord ging met de door de eisers voorgehouden kwalificatie; - in deze omstandigheden ook moet aanvaard worden dat de eventuele gewraakte gedraging van de administratie geen gerechtvaardigde verwachtingen kan scheppen ten voordele van de eisers, die dienen te weten dat de fiscale wet dient te worden toegepast en dat een eventuele onjuiste toepassing in het verleden niet kan worden aangegrepen om de fiscale wet verder te negeren. Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  19. Een tegenstrijdigheid in de motivering waarvan het onderzoek noopt tot een toetsing aan wettelijke bepalingen, komt niet neer op een gebrek aan redenen en is dus geen schending van artikel 149 Grondwet.
  20. De door de eisers ingeroepen tegenstrijdigheid in de motivering steunt op redenen van juridische aard. In zoverre het onderdeel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 242,80 euro met inbegrip van de bijdrage ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, beperkt tot 20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.13 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.