id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.9 Rolnummer: F.18.0151.N Zaak: L. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-12-15 Raadplegingen: 434 - laatst gezien 2026-06-19 23:44 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.9 Fiches 1 - 2 Het verzuim van ondertekening van het aan de verweerder betekende afschrift van het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie leidt slechts tot nietigheid indien de verweerder aantoont dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Betekend afschrift van de voorziening - Ondertekening door advocaat - Vereiste Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 378 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Betekend afschrift van de voorziening - Ondertekening door advocaat - Vereiste Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 378 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.18.0151.N
- GARY LIESMONS GERECHTSDEURWAARDER gcv, in vereffening, met zetel te 9150 Kruibeke, Portugezenstraat 16,
- G. L., eisers, met als raadsman mr. Maarten Van Daele, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 32/103, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 mei
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 april 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerder voert aan dat de voorziening in cassatie niet ontvankelijk is, omdat het verzoekschrift in cassatie dat gevoegd is bij de betekening ervan aan hem, niet ondertekend is door een advocaat.
- Krachtens artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek moet het verzoekschrift, op straffe van nietigheid, zowel op het afschrift als op het origineel zijn ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie. Krachtens artikel 378 WIB92 mag het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie door een advocaat worden ondertekend en neergelegd. De handtekening zowel op het ter griffie neergelegde origineel als op het afschrift dat betekend wordt aan de verweerder, verzekert de verweerder dat het exemplaar dat hij ontvangt eensluidend is met het ter griffie neergelegd verzoekschrift.
- Het verzuim van ondertekening van het aan de verweerder betekende afschrift leidt slechts tot nietigheid indien de verweerder aantoont dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie, dat is neergelegd ter griffie van het Hof op 2 november 2018, ondertekend is door een advocaat; - het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie, dat is gehecht aan de betekening ervan aan de verweerder op 2 november 2018, geen handtekening vermeldt; - de verweerder geen belangenschade aanvoert en het middel vervat in de voorziening heeft beantwoord; - de tekst van het aan de verweerder betekende afschrift overeenstemt met de tekst van het ter griffie neergelegde verzoekschrift.
- Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kan niet worden aangenomen. Gegrondheid
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eerste eiseres een vennootschap is waarin een gerechtsdeurwaarderspraktijk werd uitgeoefend; - tegen L., tweede eiser, in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder en zaakvoerder van de eiseres, een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld; - L. op 11 maart 2004 werd veroordeeld door de correctionele rechtbank te Antwerpen; - de eiseres, gelet op de lopende strafprocedure, een waardevermindering boekte van 353.492,55 euro; - de eiseres op 15 september 2004 in vereffening is gegaan; - de vereffening dezelfde dag werd gesloten en, volgens de publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 30 september 2004, de enige beherende vennoot zich ertoe verbond om alle activa die nog niet door de vennoten werden overgenomen, alsook alle eventuele passiva welke nog niet werden aangezuiverd, voor zijn persoonlijke rekening te nemen; - bij de ontbinding en vereffening de waardevermindering van 353.492,55 euro werd teruggenomen; - uit een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 januari 2016, dat is gewezen tussen dezelfde partijen en gezag van gewijsde heeft, blijkt dat een liquidatiebonus werd toegekend van 400.184,48 euro op datum van de afsluiting van de vereffening op 15 september 2004; - in de akte die is opgemaakt naar aanleiding van de vereffening, vermeld werd dat de vennoten erkenden het vereffeningsresultaat ontvangen te hebben; - de algemene vergadering van de eiseres op 15 september 2004 besliste om het resultaat van de vereffening / te bestemmen winst voor het boekjaar 2004 beschikbaar te stellen voor uitkering aan de vennoten; - uit de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad blijkt dat de eiseres met éénparigheid van stemmen de rekening van de vereffening goedkeurde en gehele décharge verleende aan L. voor zijn beheer als vereffenaar van de vennootschap; - de vennoten uitdrukkelijk erkenden het hen toegekende vereffeningsresultaat ontvangen te hebben en daarvoor kwijting te hebben verleend; - L. zich ook ertoe verbond om alle activa die nog niet door de vennoten werden overgenomen, alsook alle eventuele passiva die nog niet werden aangezuiverd, voor zijn persoonlijke rekening te nemen; - de correctionele veroordeling van 11 maart 2004 werd uitgesproken lastens L. persoonlijk, en het L. is die in persoonlijke hoedanigheid werd vervolgd voor het te veel aanrekenen van kosten bij tussenkomsten als gerechtsdeurwaarder; - de vordering tot inachtneming van een provisie van 206.435,56 euro precies betrekking heeft op onregelmatigheden die werden vastgesteld in het kader van de strafprocedure lastens L. persoonlijk en meer bepaald op kosten die beweerdelijk te veel werden aangerekend bij tussenkomsten als gerechtsdeurwaarder en deze kosten persoonlijk ten laste zijn genomen door L.; - L. deze kosten ook opnam in zijn aangifte in de personenbelasting; - het dan ook geenszins kosten van de vennootschap zijn; - de gerechtskosten met betrekking tot de strafprocedure evenmin kosten van de eiseres zijn; - gelet op al het voorgaande de terugname van de voorziening voor risico's en kosten voor een bedrag van 353.492,55 euro te dezen een bewuste, weloverwogen keuze was van de eiseres en geen vergissing.
- Met deze redenen beletten of verbieden de appelrechters de eiseres geenszins de rechtzetting van een onjuiste aangifte, maar oordelen zij dat de terugname van de voorziening voor risico's en kosten een weloverwogen keuze was van de eiseres gelet op het feit dat de eiser zich bij de vereffening ertoe verbonden heeft alle resterende activa en eventuele passiva over te nemen. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 498,34 euro en voor de verweerder op 427,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200625.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200625.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div