id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Voorleggen van bewijzen - Geloofwaardigheid - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Voorleggen van bewijzen - Geloofwaardigheid - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.20.0632.N M. E. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sahil Malik, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 12 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis legt de bewijslast voor de onschuld van de eiser bij de eiser zelf; het leidt immers het bewijs dat de eiser als houder van het voertuig ook de daadwerkelijke bestuurder is van het voertuig waarmee de overtreding werd begaan, af uit de loutere omstandigheid dat zijn bewering dat een ander aan het stuur zat van elke geloofwaardigheid is ontbloot en dat hij deze bewering op geen enkele wijze aannemelijk maakt.
- Behoudens in hier niet toepasselijke gevallen ligt de bewijslast voor het feit dat een beklaagde het voertuig bestuurde waarmee een verkeersovertreding is begaan bij de vervolgende partij. De beklaagde moet zijn onschuld niet bewijzen.
- Die regel belet evenwel niet dat het aan de rechter staat om op basis van de hem overgelegde gegevens te oordelen of vaststaat dat een beklaagde het voertuig bestuurde waarmee de verkeersovertreding is begaan. Het vermoeden van onschuld houdt immers niet in dat de rechter de door de beklaagde aangevoerde feitelijke gegevens voor waar moet aannemen en hij die aanvoeringen niet op hun geloofwaardigheid mag beoordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis steunt het oordeel dat de eiser wel degelijk de bestuurder is van het voertuig op het ogenblik van de inbreuk op de volgende gronden: - volgens de kentekenplaathouder huurde de eiser het voertuig waarmee de inbreuk werd begaan ten tijde van de feiten; - de eiser heeft het gegeven dat niet hij de bestuurder was maar een ander pas voor het eerst meegedeeld in het kader van de strafprocedure in eerste aanleg; - de eiser heeft verschillende kansen gehad om, zo het een andere bestuurder betrof, diens identiteit mee te delen; - de eiser reageerde niet op uitnodigingen tot verhoor uitgaande van de politie waarbij hij eens te meer de kans had om uit te leggen dat hij de bestuurder niet was; - de bewering dat een ander aan het stuur zat, is dan ook van elke geloofwaardigheid ontbloot; - in de procedure in eerste aanleg werd een verklaring van K.E.Y. neergelegd, waarin die meedeelde de verkeersinbreuk te hebben begaan; - in hoger beroep wordt een verklaring neergelegd van M.L. waarin die voorhield dat hij de bestuurder van het voertuig was; - de rechtbank hecht niet het minste geloof aan deze verklaringen; - de eiser maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat hijzelf niet de bestuurder was van het door hem gehuurde voertuig.
- Met die redenen leggen de appelrechters de eiser geen bewijslast op, maar beoordelen zij zonder miskenning van het vermoeden van onschuld de geloofwaardigheid van zijn aanvoeringen. Met de redenen die het bestreden vonnis bevat, verantwoordt het eisers schuldigverklaring naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 december 2019 (ed. 2) en in werking getreden op 1 januari 2020
- Artikel 91, eerste lid, Tarief in Strafzaken bepaalde tot en met 31 december 2019 dat in criminele en correctionele zaken die kosten van brief- en pakketpost hebben veroorzaakt, door de rechter aan de Staat als correspondentiekosten een som werd toegeschat, die niet meer mocht bedragen dan 10 procent van de gezamenlijke kosten.
- Die bepaling is opgeheven bij artikel 43 van het voormelde koninklijk besluit.
- Er blijkt niet dat enige bepaling van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 Wetboek van Strafvordering of van het voormelde koninklijk besluit van 15 december 2019 een rechtsgrond biedt voor deze veroordeling. Dit geldt ook voor de omzendbrief nr. 131/7 over de indexering van de bedragen die mogen worden aangerekend door de personen die door de gerechtelijke overheden worden gevorderd voor het uitvoeren van een opdracht in een dienstverlenende rol die gerechtskosten in strafzaken genereert, die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 januari
- Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot betaling van de kosten van hoger beroep ten bedrage van 82,23 euro. In die som is een verhoging van 10 procent als bedoeld door artikel 91, eerste lid, Tarief Strafzaken opgenomen en dit ten bedrage van 7,47 euro. In die mate is die kostenveroordeling niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het bij de kosten van hoger beroep waartoe het de eiser veroordeelt een bedrag van 7,47 euro opneemt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 61,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 30 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2023:ARR.20230622.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div