← België

Z.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24 Rolnummer: P.20.0680.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-09 Raadplegingen: 824 - laatst gezien 2026-06-20 20:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Daar de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, vereist de beoordeling van de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens

(1).
(1)Cass. 16 april 2019, AR P.19.0343.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1, AC 2019, nr. 234; Cass. 15 januari 2015, AR P.15.0025.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.8, AC 2015, nr. 35; Cass. 12 augustus 2008, AR P.08.1265.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.6, AC 2008, nr. 434; Cass. 2 maart 2004, AR P.04.0286.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040302.7, AC 2004, nr. 114; Cass. 18 februari 2003, AR P.03.0184.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.27, AC 2003, nr. 117. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Opdracht - Feitelijke gegevens - Beoordeling - Nauwkeurig onderzoek - Voorwaarden Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Opdracht - Feitelijke gegevens - Beoordeling - Nauwkeurig onderzoek - Voorwaarden Fiches 3 - 5 Geen enkele wettelijke bepaling verbiedt de kamer van inbeschuldigingstelling die op onderscheiden tijdstippen dient te oordelen over de voorlopige hechtenis de redenen van de vordering van het openbaar ministerie over te nemen, voor zover er rekening wordt gehouden met de noodzakelijke individualisering en het evolutief en uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis; aan deze vereiste wordt geen afbreuk gedaan door het loutere feit dat de nieuwe handhavingstitel de motivering van eerdere beslissingen overneemt en geen melding maakt van nieuwe elementen of gegevens
(1).
(1)Cass. 6 maart 2018, AR P.18.0220.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.9, AC 2018, nr.
  1. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopige hechtenis - Overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie - Overname van redenen van eerdere beslissingen - Wijze Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Motivering - Overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie - Overname van redenen van eerdere beslissingen - Wijze Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Motivering - Overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie - Overname van redenen van eerdere beslissingen - Wijze Tekst van de beslissing Nr. P.20.0680.N R. Z., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, 22, vijfde en zesde lid, 23, 4°, en 30, § 1, § 2, en § 4, Voorlopige Hechteniswet: door systematisch dezelfde motieven te herhalen als deze van de eerdere beslissingen tot handhaving van de hechtenis van de eiser, waaronder met name de motivering van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 26 maart 2020, is de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser niet naar recht verantwoord; een dergelijke motivering getuigt immers van een automatisme dat onverenigbaar is met het uitzonderlijke karakter van de voorlopige hechtenis, de noodzaak tot individualisering en het evolutieve karakter ervan.
  4. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet schendt. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  5. Krachtens de artikelen 16, § 1, eerste lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet dient de rechter die de voorlopige hechtenis handhaaft het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de inverdenkinggestelde. Hij moet ook de feitelijke omstandigheden van de zaak vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de inverdenkinggestelde, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van zijn beslissing, volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. Daar de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dan ook enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak.
  6. Geen enkele wettelijke bepaling verbiedt de kamer van inbeschuldigingstelling die op onderscheiden tijdstippen dient te oordelen over de voorlopige hechtenis van eenzelfde inverdenkinggestelde, voor de motivering van de handhaving van die hechtenis de redenen van de vordering van het openbaar ministerie over te nemen, althans in zoverre er rekening wordt gehouden met de noodzakelijke individualisering en het evolutief en uitzonderlijk karakter van de voorlopige hechtenis. De loutere omstandigheid dat de motivering van eerdere beslissingen wordt overgenomen en dat er, in vergelijking met de vorige beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, in de nieuwe handhavingstitel geen melding wordt gemaakt van nieuwe elementen of gegevens, betekent als zodanig echter niet noodzakelijk dat de handhaving van de voorlopige hechtenis blijk zou geven van een automatisme en dat er geen rekening werd gehouden met de vereiste individualisering en met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat er op 12 juni 2020 een schriftelijke vordering tot handhaving van de voorlopige hechtenis werd genomen door de procureur-generaal bij het hof van beroep, die aan het arrest werd gehecht en waarvan de motieven door de kamer van inbeschuldigingstelling worden overgenomen. In die vordering wordt niet alleen melding gemaakt van ernstige aanwijzingen van schuld aan moord bij de eiser en van zijn agressieve ingesteldheid, waarbij het buitensporige geweld waarvan hij blijk zou hebben gegeven maakt dat hij een gevaar vormt voor de openbare veiligheid. De appelrechters wijzen er daarenboven op dat er ernstige redenen zijn om te vrezen dat de eiser nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen laten te verdwijnen en zich zou verstaan met derden. De appelrechters verwijzen hierbij naar de actuele stand van het onderzoek en de nog lopende onderzoeksverrichtingen, waaronder: - de gegevens van het bankonderzoek, zoals die blijken uit het proces-verbaal van 13 mei 2020; - de Europese aanhoudingsbevelen voor de twee mogelijke mededaders-uitvoerders; - de overlevering en het verhoor van Y.T.V. die ter uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel van 11 mei 2020 op 20 mei 2020 gearresteerd zou zijn; - de overlevering en het verhoor van W.D. die ter uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel van 29 april 2020 op 13 mei 2020 gearresteerd zou zijn.
  8. Uit de overname van de motieven van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie van 12 juni 2020, waaronder de overwegingen in verband met de actuele stand van het onderzoek, blijkt dat de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden van de voorlopige hechtenis heeft beoordeeld in het licht van een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak en zich niet heeft beperkt tot een loutere herhaling van de motieven van eerdere beslissingen tot handhaving van de hechtenis van de eiser, waaronder met name de motivering van het arrest van 26 maart
  9. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 43,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en op de openbare rechtszitting van 30 juni 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.27 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040302.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.9 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.