← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200805.VAK.3 Rolnummer: P.20.0827.N Zaak: N. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-08-06 Raadplegingen: 335 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche Bij een latere handhaving van de voorlopige hechtenis kan de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding niet meer worden betwist en dit ongeacht de aangevoerde nietigheid; die regel geldt ook indien de eerste beschikking van de raadkamer werd gewezen zonder dat de raadsman van de inverdenkinggestelde de mogelijkheid heeft gehad inzage te krijgen van de stukken die betrekking hebben op de bevestiging van het bevel tot aanhouding en de inverdenkinggestelde, hoewel daartoe in de mogelijkheid, geen hoger beroep heeft ingesteld tegen die beschikking. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Onderzoek naar de regelmatigheid - Mogelijkheid bij latere handhaving Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21, § 4, 22, zesde lid, en 30, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0827.N Z N, alias N Z, alias Z N, alias Z N, alias Z N, inverdenkinggestelde, aangehouden eiser, met als raadslieden mr. Alexander Van Heeschvelde en mr. Jesse Van Den Broeck, beiden advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 juli

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van Der Fraenen heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM en de artikelen 23, § 1, en § 4, 22, 23, 4°, en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op een door de verdediging neergelegde conclusie: het appelgerecht, dat kennis neemt van een hoger beroep tegen de tweede beschikking van de raadkamer tot handhaving van de hechtenis, kan de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding niet onderzoeken noch dit mandaat aanpassen; aangezien de raadkamer met de eerste beschikking had beslist tot de regelmatigheid van het aanhoudingsmandaat en tot de handhaving van de hechtenis zonder dat de raadsman van de eiser evenwel inzage heeft kunnen nemen van de stukken, kon het arrest de hechtenis niet handhaven; het arrest laat bovendien na eisers aanvoering te beantwoorden dat een verdere vrijheidsberoving van de hechtenis de artikelen 21, § 1, en artikel 23, 2°, Voorlopige Hechteniswet en artikel 5 EVRM schendt.
  3. Uit de artikelen 21, § 4, 22, zesde lid, en 30, § 1, Voorlopige Hechteniswet volgt dat het onderzoek naar de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding enkel gebeurt bij de eerste verschijning voor de raadkamer of desgevallend ingeval van hoger beroep tegen die beschikking door de kamer van inbeschuldigingstelling. Bij een latere handhaving van de voorlopige hechtenis kan de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding niet meer worden betwist en dit ongeacht de aangevoerde nietigheid. Die regel geldt ook indien de eerste beschikking van de raadkamer werd gewezen zonder dat de raadsman van de inverdenkinggestelde de mogelijkheid heeft gehad inzage te krijgen van de stukken die betrekking hebben op de bevestiging van het bevel tot aanhouding en de inverdenkinggestelde, hoewel daartoe in de mogelijkheid, geen hoger beroep heeft ingesteld tegen die beschikking. Dit houdt geen schending in van artikel 5.4 EVRM of artikel 21, § 1, Voorlopige Hechteniswet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. De eiser heeft geen belang bij zijn middel in zoverre dit aanvoert dat de kamer van inbeschuldigingstelling ter gelegenheid van het hoger beroep tegen de tweede beschikking van de raadkamer de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding ten onrechte heeft onderzocht en in het kader van dit onderzoek het bevel tot aanhouding ten onrechte heeft aangepast. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling had gedaan wat zij had moeten doen, namelijk vaststellen dat zij de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding niet kon beoordelen, kon zij evenmin de invrijheidstelling van de eiser bevelen wegens de aangevoerde onregelmatigheden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  5. Het arrest oordeelt dat aan de miskenning van eisers recht van verdediging bij de behandeling van de zaak door de raadkamer ter gelegenheid van de eerste verschijning is verholpen doordat de eiser bij de behandeling voor de kamer van inbeschuldigingstelling na inzage van het strafdossier de gelegenheid heeft gehad de regelmatigheid van het aanhoudingsmandaat te betwisten. Het arrest diende dan ook het doelloos geworden verweer betreffende de aangevoerde schending van de in het middel vermelde bepalingen niet te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 43,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, sectievoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Filip Van Volsem, Michel Lemal en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 5 augustus 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200805.VAK.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.