id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200812.VAK.4 Rolnummer: P.20.0844.N Zaak: O. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-08-13 Raadplegingen: 357 - laatst gezien 2026-06-19 19:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer het onderzoeksgerecht van oordeel is dat er geen ernstige redenen voorhanden zijn om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, verplicht de loutere bewering van de betrokkene dat er wél sprake zou zijn van dergelijke ernstige redenen, het onderzoeksgerecht niet om dienaangaande nader onderzoek te bevelen of verdere informatie in te winnen; hierdoor wordt de bewijslast niet op de betrokken persoon gelegd. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Weigeringsgrond artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.5 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 2 Het onderzoeksgerecht is niet verplicht om de in artikel 6, 4° Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgrond toe te passen en de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren; het onderzoeksgerecht kan oordelen dat de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat niet door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Weigeringsgrond artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 4° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0844.N C O, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gelu Buzincu, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 juli
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van het algemeen beginsel betreffende de bewijslast in strafzaken: de appelrechters oordelen dat er geen toepassing kan worden gemaakt van de in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgrond omdat de eiser zich beperkt tot algemene beschouwingen met betrekking tot de detentievoorwaarden in Roemenië zonder dat een en ander concreet op hemzelf wordt toegelicht en waaruit niet kan worden afgeleid dat hij een acuut en reëel risico loopt op schending in zijnen hoofde van de mensenrechten; hierdoor leggen de appelrechters de bewijslast in dit verband bij de eiser.
- De onderzoeksgerechten beoordelen in feite en bijgevolg op een onaantastbare wijze of er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, en of de voorhanden zijnde gegevens het vermoeden van eerbiediging van die rechten, dat de uitvaardigende lidstaat geniet, weerleggen. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen zijn beslissing naar recht heeft kunnen afleiden.
- Wanneer het onderzoeksgerecht van oordeel is dat er geen ernstige redenen voorhanden zijn om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, verplicht de loutere bewering van de betrokkene dat er wél sprake zou zijn van dergelijke ernstige redenen, het onderzoeksgerecht niet om dienaangaande nader onderzoek te bevelen of verdere informatie in te winnen. Hierdoor wordt de bewijslast niet op de eiser gelegd. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest weigert ten onrechte de in deze bepaling voorziene weigeringsgrond toe te passen door te oordelen dat de eiser niet als een ingezetene van België kan worden beschouwd; een ingezetene is een persoon die, zoals de eiser, in België woont op basis van een geldig verblijfsrecht; volgens het arrest C-66/08 van 17 juli 2008 (S K) van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient de gerechtelijke autoriteit slechts na te gaan of de eiser in België woont, terwijl de integratie moet worden nagegaan indien de gezochte persoon er verblijft.
- Artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel ter fine van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel kan weigeren indien de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen.
- Artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval dit bevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of een veiligheidsmaatregel en de betrokkene Belg of ingezetene is of in België verblijft en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf of die veiligheidsmaatregel overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen.
- De beide bepalingen hebben dezelfde strekking.
- Uit het arrest C-66/08 van 17 juli 2008 (S K) van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat zelfs als aan de beide voorwaarden van artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is voldaan, het onderzoeksgerecht niet verplicht is om de bedoelde weigeringsgrond toe te passen en de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren. Het onderzoeksgerecht kan oordelen dat de tenuitvoerlegging van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat niet door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd.
- Het arrest verwerpt eisers verweer dat hij al geruime tijd in België woont en hier geïntegreerd is op grond van de vaststelling dat de eiser: - in de voorbije jaren naar Nederland en regelmatig naar Frankrijk reisde en tijdens de jaarwisseling 2018-2019 langdurig in Roemenië verbleef en zich alsdan duidelijk niet heeft aangemeld om de resterende straf te ondergaan maar verkoos de wijk naar België te nemen; - heel regelmatig kleine bedragen afhaalt in Roemeense munt op zijn ING-rekening; - zeer veel verplaatsingen maakt over het ganse Belgische grondgebied waarbij hij kleine aankopen doet, wat niet onmiddellijk overeenstemt met een stabiele tewerkstelling in de bouw; - een belastingachterstal diende te betalen waarvan de betaling niet blijkt uit de voorgelegde rekeninguittreksels; - zijn moeder en stiefvader laat overkomen waarvan hij niet aantoont dat deze op standvastige basis in België zullen kunnen blijven wonen noch hoe hij in zijn en hun onderhoud zal voorzien met het beperkte inkomen waarvan hij de gegevens meedeelt; - bij de onderzoeksrechter gewag maakt van een vriendin en haar kind maar nergens uit blijkt dat het hier een stabiele en vaste relatie betreft die in België stevig is verankerd.
- Met die overwegingen geven de appelrechters te kennen dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij werkelijk een affiniteit heeft met België en hier een sociaal leven leidt maar dat hij de wijk heeft genomen naar België omwille van de resterende straf die hij ingevolge een veroordeling door een Roemeense rechtbank nog moet ondergaan. Aldus geeft het arrest tevens te kennen dat de tenuitvoerlegging in België van de in Roemenië opgelegde straf niet door enig rechtmatig belang wordt gerechtvaardigd. Dat oordeel draagt de beslissing het beroep op de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel te verwerpen. Het middel dat enkel de beoordeling bekritiseert van de begrippen "ingezetene" en "verblijven" kan, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert miskenning aan van het rechtsbegrip van "het vermoeden van de mens": de appelrechters konden uit hun vaststellingen niet naar recht afleiden dat de eiser niet ernstig als een ingezetene kan worden beschouwd; aldus baseert het arrest zich op een vermoeden dat geen verband houdt met en niet gerechtvaardigd kan worden door de vastgestelde feiten.
- Om dezelfde redenen als die uiteengezet in het antwoord op het tweede middel, kan het middel, zelfs al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg eveneens niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 43,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de raadsheren Françoise Roggen, Koenraad Moens, Sven Mosselmans en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 augustus 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200812.VAK.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div