id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200819.VAK.1 Rolnummer: P.20.0859.N Zaak: W. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-08-24 Raadplegingen: 818 - laatst gezien 2026-06-19 04:10 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: Publicatie in voorbereiding Fiche Het is het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis niet toegelaten andere feiten in de plaats te stellen dan deze bedoeld in het bevel tot aanhouding, wat niet er aan in de weg staat dat in voorkomend geval een verkeerde aanduiding van de datum of de misdrijfperiode van de feiten in de akte van aanhangigmaking of het bevel tot aanhouding kan worden verbeterd in zoverre de hierin bedoelde feiten niet worden gewijzigd en de bewijskracht van die akten niet wordt miskend
(1).
(1)Zie Cass. 22 september 2015, AR P.14.1118.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.4, AC 2015, nr.541; Cass. 10 februari 2010, AR P.09.1281.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.5, AC 2010, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALGEMEEN Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Bevel tot aanhouding of akte van aanhangigmaking - Verkeerde datum of misdrijfperiode - Verbetering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 3°, en 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0859.N J. W., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Wim Wagemakers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burger-lijk Wetboek en artikel 47 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten: ingevolge de akte van aanhangigmaking, namelijk de vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek, werd de onderzoeksrechter belast met het onderzoek van feiten in verband met verdovende middelen die zouden heb-ben plaatsgevonden op 16 januari 2020, welke feiten per definitie niet dezelfde zijn als feiten die beweerdelijk zouden zijn gepleegd op 16 juli 2020; door de ge-incrimineerde periode van de telastleggingen A en B te heromschrijven naar fei-ten die zouden zijn gepleegd op 16 juli 2020, zonder hierbij vast te stellen dat het om een materiële vergissing gaat, oordelen de appelrechters niet naar recht dat de heromschreven telastleggingen betrekking hebben op dezelfde feiten als die waarvoor de onderzoeksrechter werd belast en miskennen zij de bewijskracht van de akte van aanhangigmaking.
- Artikel 23, 3°, Voorlopige Hechteniswet, dat overeenkomstig artikel 30, § 3, van diezelfde wet van toepassing is op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, laat het onderzoeksgerecht niet toe om bij de beoorde-ling van de voorlopige hechtenis andere feiten in de plaats te stellen dan deze die worden bedoeld in het bevel tot aanhouding. Die bepaling staat er niet aan in de weg dat het onderzoeksgerecht in voorkomend geval een verkeerde aanduiding van de datum of de misdrijfperiode van de feiten in de akte van aanhangigma-king of het bevel tot aanhouding kan verbeteren in zoverre de hierin bedoelde feiten niet worden gewijzigd en de bewijskracht van die akten niet wordt mis-kend. De rechter miskent de bewijskracht van de akte van aanhangigmaking of van het bevel tot aanhouding echter niet in zoverre hij, zonder dat hij van die ak-ten een uitleg geeft die zij niet bevat, de datum van de erin bedoelde feiten ver-betert.
- De appelrechters oordelen dat: - de geïncrimineerde periode van de telastleggingen A en B moet worden heromschreven als "op 16 juli 2020" en dit gelet op de gegevens van het strafdossier, inzonderheid het proces-verbaal nr. 60.0B.002224/20 van 16 juli 2020, waaruit blijkt dat de eiser op 16 juli 2020 te Brecht als bestuurder werd aangetroffen in het voertuig (...) met daarin de in het proces-verbaal en de in de telastleggingen vermelde middelen waarnaar zowel in het bevel tot aan-houding van de onderzoeksrechter als in de vorderingen van het openbaar mi-nisterie wordt verwezen; - de heromschreven telastleggingen dezelfde feiten betreffen als deze waarvoor de onderzoeksrechter werd gevat.
- Met de voormelde overwegingen verantwoorden de appelrechters op grond van een feitelijke beoordeling van de gegevens van het strafdossier en zonder miskenning van de bewijskracht van de akte van aanhangigmaking naar recht hun beslissing dat de datum van de in de telastleggingen A en B bedoelde feiten moet worden bepaald op 16 juli
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 23, 3°, Voorlopige Hechte-niswet en de artikelen 55, 56, § 1, zesde lid, en 61 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van "het algemeen rechtsbeginsel van de saisine van de on-derzoeks¬rechter": de appelrechters breiden op een onregelmatige wijze het voorwerp van het gerechtelijk onderzoek uit tot feiten, gepleegd op 16 juli 2020 en stellen aldus geen ernstige aanwijzingen van schuld vast met betrekking tot de feiten die het voorwerp uitmaken van het gerechtelijk onderzoek, namelijk de feiten die beweerdelijk zouden zijn gepleegd op 16 januari
- Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aange-voerde onwettigheid en is bijgevolg onontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechtenis-wet: het arrest stelt louter vast dat eisers argumenten de aanwijzingen van schuld en het gevaar voor de openbare veiligheid niet ontkrachten, zonder te preciseren waarom dit zo zou zijn en zonder de juridisch en feitelijk onderbouwde betwis-tingen te weerleggen die werden aangevoerd in eisers conclusie, waarin de eiser had uiteengezet waarom een handhaving van de voorlopige hechtenis in de ge-vangenis niet noodzakelijk is om het recidive- en vluchtgevaar te neutraliseren.
- De appelrechters stellen niet louter vast dat eisers argumenten de aanwij-zingen van schuld en het gevaar voor de openbare veiligheid niet ontkrachten maar oordelen ook dat de in eisers conclusie voorgestelde modaliteit van het elektronisch toezicht onvoldoende garantie biedt voor de openbare veiligheid en het recidivegevaar en het collusiegevaar onvoldoende neutraliseert. Voorts ne-men de appelrechters de beweegredenen over van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, waarin concrete, feitelijke elementen worden aange-haald in verband met: - het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld; - de volstrekte noodzaak van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid; - het gevaar op recidive en het risico dat de eiser bewijzen zou trachten te ver-duisteren of zich zou verstaan met derden uit het drugmilieu.
- Mede door de overname van de beweegredenen van de schriftelijke vorde-ring van het openbaar ministerie en mede door eigen motieven beantwoordt het arrest aldus eisers conclusie. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 43,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, sectievoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Filip Van Volsem, Michel Lemal en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 augustus 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200819.VAK.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100210.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div