← België

VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENI c.'t LANGBEDD

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200904.1N.8 Rolnummer: C.20.0054.N Zaak: VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENI c.'t LANGBEDD Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-12-17 Raadplegingen: 901 - laatst gezien 2026-06-19 19:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De verjaring van de vordering strekkende tot betaling van de prijs van verkochte goederen, loopt vanaf de levering van deze goederen die, behoudens andersluidende overeenkomst, op die datum betaalbaar zijn en niet vanaf de datum waarop de verkochten goederen werden gefactureerd. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Koop - Vordering tot betaling van de prijs - Verjaring - Aanvangsdatum Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1651, 2257 en 2277 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: KOOP Vrije woorden: Vordering tot betaling van de prijs - Verjaring - Aanvangsdatum Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1651, 2257 en 2277 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0054.N VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENING cv, met zetel te 1030 Schaarbeek, Vooruitgangstraat 189, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0224.771.467, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, tegen 't LANGBEDDE bv, met zetel te 8432 Middelkerke (Leffinge), Slijpesteenweg 35, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0450.210.256, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 21 november

  1. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel in zijn geheel
  2. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres als nutsvoorzieningsmaatschappij drinkwater leverde aan de verweerster; - de eiseres bij gedinginleidende dagvaarding van 30 oktober 2015 een vordering heeft ingesteld tegen de verweerster tot betaling van openstaande factuurbedragen meer interesten; - de verweerster voor de eerste rechter conclusie heeft genomen tot afwijzing van de vordering mede op grond van verjaring met toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek; - de eerste rechter de vordering van de eiseres ontvankelijk en gegrond heeft verklaard en de verweerster heeft veroordeeld tot betaling aan de eiseres van een bedrag van 4.041 euro meer interesten; - de eerste rechter daarbij heeft overwogen dat de in artikel 2277 Burgerlijk Wetboek bedoelde vijfjarige verjaringstermijn van toepassing is, maar dat die termijn in casu niet is bereikt; - de verweerster hoger beroep heeft ingesteld met het oog op afwijzing van de door de eerste rechter ingewilligde vordering van de eiseres; - de verweerster haar verweer aanhoudt dat de vordering van de eiseres is verjaard op grond van het door de eerste rechter terecht van toepassing verklaarde artikel 2277 Burgerlijk Wetboek; - de verweerster daarbij als grief aanvoert dat de eerste rechter het aanvangspunt van de van toepassing zijnde vijfjarige verjaringstermijn verkeerd heeft toegepast en minstens dat hij haar middelen en argumenten dienaangaande niet heeft beantwoord; - de eiseres in hoger beroep de toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek niet bestrijdt; - derhalve de vraag en discussie rijzen wanneer de vijfjarige verjaringstermijn aanvangt.
  3. Voormelde redengeving, waaronder de niet-bekritiseerde zelfstandige reden dat de eiseres in hoger beroep de toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek niet bestrijdt, draagt de beslissing van de appelrechter dat de vordering van de eiseres tot betaling van openstaande factuurbedragen omwille van de levering van drinkwater is onderworpen aan de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, waarna de vraag en discussie rijzen wanneer deze termijn aanvangt. In zoverre het middel in de drie onderdelen opkomt tegen de beslissing dat de vordering van de eiseres tot betaling van openstaande factuurbedragen omwille van de levering van drinkwater is onderworpen aan de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  4. In zoverre het middel in de drie onderdelen ervan uitgaat dat de appelrechter oordeelt dat de rechtsverhouding tussen de eiseres en de verweerster contractueel is terwijl die rechtsverhouding gelet op de aangevoerde regelgeving en het overgelegde Waterverkoopreglement reglementair is, zonder te preciseren wat daarvan het gevolg is voor de toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, is het onnauwkeurig en bijgevolg eveneens niet ontvankelijk. Tweede middel
  5. Krachtens artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, verjaart, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen door verloop van vijf jaar. Krachtens artikel 2257 Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring niet ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet is verschenen. Krachtens artikel 1651 Burgerlijk Wetboek moet, indien bij het aangaan van de koop niets daaromtrent is bedongen, de koper betalen op de plaats en het tijdstip voor de levering bepaald.
  6. Hieruit volgt dat de verjaring van de vordering strekkende tot betaling van de prijs van verkochte goederen, loopt vanaf de levering van deze goederen die, behoudens andersluidende overeenkomst, op die datum betaalbaar zijn.
  7. Het middel dat ervan uitgaat dat de verjaring begint te lopen vanaf de datum waarop de verkochte goederen worden gefactureerd, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 557,10 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 4 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200904.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.