id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.11 Rolnummer: C.17.0709.N Zaak: C. contra M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-05-18 Raadplegingen: 654 - laatst gezien 2026-06-19 03:50 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200907.3N.11 Fiche 1 Uit de redactie van artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek en de wetsgeschiedenis volgt dat wanneer de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen of haar toestemming intrekt en niet blijkt dat zij zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, de adoptierechter de weigering om toestemming te verlenen slechts als onverantwoord kan weren, rekening houdend met het belang van het kind, wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of het adoptief kind van een echtgenoot, van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Ouder - Weigering - Intrekking toestemming - Onverantwoord karakter - Voorwaarden - Belang van het kind - Gevolg Fiches 2 - 3 Er wordt aangevoerd dat artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 22 en 22bis Grondwet schendt in zoverre die wetsbepaling de adoptierechter slechts toelaat geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind een week na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende meer dan 18 maanden in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind is het te onttrekken aan de stabiele omgeving waarin het opgroeit; er is grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in zoverre het de adoptierechter slechts toelaat, behalve in de in het tweede lid bepaalde gevallen, geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind kort na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende lange tijd in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind zou zijn het te onttrekken aan de omgeving waarin het opgroeit?"
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Weigering - Intrekking toestemming - Ouder - Onverantwoord karakter - Omstandigheden - Onderscheid - Belang van het kind - Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - Prejudiciële vraag Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Adoptie - Weigering - Intrekking toestemming - Ouder - Onverantwoord karakter - Omstandigheden - Onderscheid - Belang van het kind - Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet Fiches 4 - 5 Er wordt aangevoerd dat artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het een onderscheid maakt tussen het geval waarin een ouder weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de rechter het belang van het kind niet mag beoordelen, en het geval waarin een andere persoon die wettelijk verplicht is zijn toestemming te geven, weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de rechter wel rekening dient te houden met het belang van het kind; er is grond tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een onderscheid maakt tussen het geval waarin een ouder weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter in de regel het belang van het kind niet mag beoordelen, en het geval waarin een andere persoon die wettelijk verplicht is zijn toestemming te geven, weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter wel rekening dient te houden met het belang van het kind?" Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Weigering - Intrekking toestemming - Ouder - Ander persoon - Onverantwoord karakter - Onderscheid - Belang van het kind - Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - Prejudiciële vraag Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Adoptie - Weigering - Intrekking toestemming - Ouder - Ander persoon - Onverantwoord karakter - Onderscheid - Belang van het kind - Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet Tekst van de beslissing Nr. C.17.0709.N M. C., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen
- N. M. F.,
- E. A. N., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 oktober
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 11 juni 2020 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 11 juni 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Overeenkomstig artikel 348-3, tweede lid, Burgerlijk Wetboek dient, wanneer de afstamming van een kind slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat, enkel deze ouder in de adoptie toe te stemmen. Volgens artikel 348-8, eerste lid, 2°, Burgerlijk Wetboek kan eenieder van wie de toestemming in de adoptie vereist is, zulks doen door middel van een akte verleden ten overstaan van een notaris naar keuze of ten overstaan van de vrederechter van zijn woonplaats. Artikel 348-8, laatste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de intrekking van de toestemming slechts mogelijk is tot het tijdstip van de uitspraak van het vonnis en, ten laatste, zes maanden na de indiening van het verzoekschrift tot adoptie. De intrekking van de toestemming moet geschieden in dezelfde vorm als vereist is voor de toestemming in de adoptie.
- Artikel 348-11, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ingeval een persoon die overeenkomstig de artikelen 348-2 tot 348-7 in de adoptie moet toestemmen, dit weigert te doen, de adoptie op verzoek van de adoptant, van de adoptanten of van het openbaar ministerie, toch kan worden uitgesproken indien de familierechtbank van oordeel is dat de toestemming op onverantwoorde wijze is geweigerd. Het tweede lid van dit artikel, vóór het werd vervangen bij artikel 8, 1°, van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, bepaalde dat wanneer evenwel de vader of de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen, de rechtbank de adoptie pas kan uitspreken wanneer na een grondig maatschappelijk onderzoek gebleken is dat deze persoon zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, behalve wanneer het gaat om een nieuwe adoptie. Bij arrest nr. 93/2012 van 12 juli 2012 zegde het Grondwettelijk Hof voor recht dat de artikelen 348-3 en 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11, 22 en 22bis, Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, schenden in zoverre zij de rechter die ermee belast is een adoptie uit te spreken, slechts toelaten geen rekening te houden met de weigering van de moeder om in die adoptie toe te stemmen, in het geval waarin zij zich niet meer om het kind heeft bekommerd of wanneer de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in het gedrang is gebracht, in de omstandigheden dat de kandidaat-adoptant een vrouw betreft met wie de moeder gehuwd was op het ogenblik van de geboorte van het kind en van de indiening van het verzoek tot adoptie, die met haar een overeenkomst had ondertekend conform artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten, en die de in artikel 346-2 Burgerlijk Wetboek bedoelde voorbereiding op de adoptie heeft gevolgd, waarbij die adoptie een kind betreft van wie vaststaat dat er sinds de scheiding van de echtgenotes een daadwerkelijke familiale band bestaat en blijft bestaan. Bij arrest nr. 94/2015 van 25 juni 2015 zegde het Grondwettelijk Hof voor recht dat de artikelen 348-3 en 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 22 en 22bis Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het EVRM, schenden in zoverre zij het de rechtbank die wordt verzocht een adoptie uit te spreken, enkel mogelijk maken de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren indien zij zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, in de volgende omstandigheden: - de moeder heeft, met de vrouw die het verzoek tot gewone adoptie indient, een overeenkomst ondertekend overeenkomstig artikel 7 van de wet van 7 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten; - de moeder van het kind en die vrouw hadden minstens een affectieve relatie op het ogenblik van de geboorte van het kind en zijn nadien in het huwelijk getreden; - de moeder van het kind en de vrouw die om de gewone adoptie van het kind verzoekt, waren gehuwd op het ogenblik van het indienen van het verzoek tot adoptie; - er bestaat een daadwerkelijke familiale band tussen het kind en de verzoekster tot adoptie die is blijven bestaan na de scheiding van de echtgenotes, onder meer door een akkoord over het omgangsrecht dat door de vrederechter is bekrachtigd. Om te verhelpen aan de voormelde door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheden heeft de wetgever, bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, artikel 348-11, tweede lid, Burgerlijk Wetboek vervangen en een derde lid aan dit artikel toegevoegd. Artikel 348-11, tweede en derde lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt thans: "Wanneer evenwel de vader of de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen, kan de rechtbank de adoptie pas uitspreken wanneer na een grondig maatschappelijk onderzoek gebleken is dat deze persoon zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, behalve wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of van het adoptief kind van een echtgeno(o)t(e), van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat. Om het onverantwoorde karakter te beoordelen van de weigering om toestemming te verlenen, houdt de rechtbank rekening met het belang van het kind."
- Uit de redactie van artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek, in zijn huidige versie, en de wetsgeschiedenis volgt dat wanneer de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen of haar toestemming intrekt en niet blijkt dat zij zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, de adoptierechter de weigering om toestemming te verlenen slechts als onverantwoord kan weren, rekening houdend met het belang van het kind, wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of het adoptief kind van een echtgenoot, van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek zo kan gelezen worden dat ook wanneer de moeder zich om het kind heeft bekommerd en de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind niet in gevaar heeft gebracht, de adoptierechter in alle omstandigheden over de weigering tot toestemming van de moeder kan heenstappen, rekening houdend met het belang van het kind, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- De eiser voert aan dat artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 22 en 22bis Grondwet schendt in zoverre die wetsbepaling de adoptierechter slechts toelaat geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind een week na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende meer dan 18 maanden in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind is het te onttrekken aan de stabiele omgeving waarin het opgroeit. Hij verzoekt het Hof daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- In de voormelde arresten nr. 93/2012 van 12 juli 2012 en nr. 94/2015 van 25 juni 2015 heeft het Grondwettelijk Hof zijn onderzoek van artikel 348-11, Burgerlijk Wetboek, in de versie van toepassing vóór zijn wijziging bij de voormelde wet van 20 februari 2017, beperkt tot de omstandigheden respectievelijk beschreven in de rechtsoverwegingen B.1.2 en B.17 van die arresten, die in het voorliggend geval niet voorhanden zijn. Er is grond tot het stellen aan het Grondwettelijk Hof van de hierna in het dictum omschreven prejudiciële vraag. Derde onderdeel
- De eiser voert verder aan dat artikel 348-11 Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het een onderscheid maakt tussen het geval waarin een ouder weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de rechter het belang van het kind niet mag beoordelen, en het geval waarin een andere persoon die wettelijk verplicht is zijn toestemming te geven, weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de rechter wel rekening dient te houden met het belang van het kind. Hij verzoekt het Hof daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Er is tevens grond tot het stellen aan het Grondwettelijk Hof van de hierna in het dictum omschreven prejudiciële vraag. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof geantwoord heeft op de navolgende prejudiciële vragen: "Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in zoverre het de adoptierechter slechts toelaat, behalve in de in het tweede lid bepaalde gevallen, geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind kort na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende lange tijd in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind zou zijn het te onttrekken aan de omgeving waarin het opgroeit?" "Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een onderscheid maakt tussen het geval waarin een ouder weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter in de regel het belang van het kind niet mag beoordelen, en het geval waarin een andere persoon die wettelijk verplicht is zijn toestemming te geven, weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter wel rekening dient te houden met het belang van het kind?" Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Maxime Marchandise en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200907.3N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220509.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div