id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.13 Rolnummer: C.18.0316.N Zaak: C. contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-05-18 Raadplegingen: 698 - laatst gezien 2026-06-18 12:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De regel van openbare orde die is vastgelegd in artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en krachtens welke de uitoefening van de burgerlijke rechtsvordering die niet tezelfdertijd als de strafvordering voor dezelfde rechter wordt vervolgd, geschorst wordt zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, wordt verantwoord door het feit dat het strafvonnis, ten aanzien van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering, in de regel gezag van gewijsde heeft met betrekking tot de punten die de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering met elkaar gemeen hebben. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafvordering en burgerlijke rechtsvordering afzonderlijk ingesteld - Schorsing van de burgerlijke rechtsvordering - Regel van openbare orde - Grondslag van de regel Fiche 2 De verplichting die artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering oplegt aan de rechter die van de burgerlijke rechtsvordering kennisneemt om zijn uitspraak aan te houden, is slechts van toepassing wanneer er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter; het Hof kan nagaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er geen gevaar bestaat voor tegenstrijdigheid tussen de beslissingen van de strafrechter en de burgerlijke rechter. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafvordering en burgerlijke rechtsvordering afzonderlijk ingesteld - Schorsing van de burgerlijke rechtsvordering - Vereisten - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. C.18.0316.N N. C., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen N. V., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 maart
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 13 februari 2020 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid
- De verweerster werpt een grond van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het middel op: het middel is niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de inwilliging van de echtscheidingsvordering en de bevolen vereffening en verdeling.
- De eiser voert geen grieven aan tegen het oordeel van de appelrechter dat noch het gerechtelijk onderzoek, noch de vordering tot nietigverklaring van het huwelijk het uitspreken van de echtscheiding in de weg staat en voert overigens een mogelijkheid van tegenstrijdige beslissingen slechts aan wat betreft de vorderingen tot nietigverklaring van het huwelijk. De grond van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het middel is gegrond. Gegrondheid
- De regel van openbare orde die is vastgelegd in artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en krachtens welke de uitoefening van de burgerlijke rechtsvordering die niet tezelfdertijd als de strafvordering voor dezelfde rechter wordt vervolgd, geschorst wordt zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, wordt verantwoord door het feit dat het strafvonnis, ten aanzien van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering, in de regel gezag van gewijsde heeft met betrekking tot de punten die de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering met elkaar gemeen hebben. De verplichting die de voormelde wetsbepaling oplegt aan de rechter die van de burgerlijke rechtsvordering kennisneemt om zijn uitspraak aan te houden, is slechts van toepassing wanneer er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter. Het Hof kan nagaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er geen gevaar bestaat voor tegenstrijdigheid tussen de beslissingen van de strafrechter en de burgerlijke rechter.
- De appelrechter stelt vast dat: - de eiser voor het hof van beroep de nietigverklaring van zijn huwelijk met de verweerster nastreeft op grond van enerzijds zijn eigen onbekwaamheid, waardoor hij geen toestemming gaf of kon geven tot het huwelijk, en van anderzijds het bedrog gepleegd door de verweerster, inzonderheid de door haar begane oplichting doordat zij met hem een schijnhuwelijk aanging met het oog op het zich toe-eigenen van zijn vermogen; - de eiser klacht met burgerlijkepartijstelling instelde wegens onder meer "poging tot oplichting aangaande de gerechtigheden van [de eiser] in de erfenis van zijn vader in de periode van 28 december 2013 tot heden, door op 28 december 2013 te trouwen onder het stelsel van algehele gemeenschap en op 29 februari 2016 de echtscheiding te vorderen om ‘zich via de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogen de helft van de nalatenschap van de vader van [de eiser] te doen toekennen'"; - de eiser hierbij voorhoudt dat het huwelijk aan de zijde van de verweerster een schijnhuwelijk is, waarbij de verweerster "niet uit is op een duurzame samenleving maar wel uitsluitend/alleen met hem is gehuwd voor het materiële voordeel, zijnde het aanzienlijk vermogen van [de eiser]"; - de eiser zich middels zijn klacht met burgerlijke partijstelling tevens beroept op "zijn eigen psychische zwakheid die zijn oordeelsvermogen ernstig zou verstoren en waarvan [de verweerster] bedrieglijk misbruik zou hebben gemaakt om hem te bestelen (art. 442quater SW en art. 462 SW)". De appelrechter oordeelt wat betreft de gevorderde nietigverklaring van het huwelijk wegens gebrek aan toestemming, dat uit niets enige juridische onbekwaamheid of gebrek aan toestemming van de eiser blijkt, zodat het huwelijk op deze grondslag niet nietig kan worden verklaard. Wat betreft de gevorderde nietigverklaring van het huwelijk wegens bedrog, oor-deelt de appelrechter dat de aanvoering van de eiser dat het huwelijk aan de zijde van de verweerster een schijnhuwelijk is, veronderstelt dat de verweerster niet uit was op een duurzame samenleving, maar wel uitsluitend met hem is gehuwd voor het materiële voordeel, terwijl dit bewijs niet voorligt en ook niet zal kunnen worden geleverd middels het gerechtelijk onderzoek, aangezien "uit het geheel van feiten en specifieke omstandigheden voorafgaand en tijdens het huwelijk (...) geenszins blijkt dat [de verweerster] uitsluitend met [de eiser] enkel en alleen is gehuwd ‘voor zijn geld'".
- Door op die gronden te weigeren de procedure op te schorten en vervolgens zelf uitspraak te doen over de vraag of er sprake is van een schijnhuwelijk aan de zijde van de verweerster, hetgeen als element van de poging tot oplichting door de eiser wordt aangevoerd, schendt de appelrechter artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van cassatie
- De cassatie van de beslissing over de nietigverklaring van het huwelijk wegens bedrog en schijnhuwelijk aan de zijde van de verweerster strekt zich uit tot de hiermede nauw verbonden beslissing tot afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van het huwelijk wegens gebrek aan toestemming, alsmede tot de nauw verbonden beslissingen over de echtscheidingsvordering en de vordering tot vereffening en verdeling. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Maxime Marchandise en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.13 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210305.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div