← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.14 Rolnummer: C.19.0131.N Zaak: V. contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-05-18 Raadplegingen: 1012 - laatst gezien 2026-06-19 03:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De verbindende kracht van een overeenkomst wordt door de rechter niet miskend wanneer hij, met verwijzing naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen veeleer dan naar de letterlijke zin van de bewoordingen, aan de overeenkomst de gevolgen toekent die deze volgens zijn uitlegging ervan wettig tussen de partijen heeft

(1).
(1)Cass. 4 januari 2019, AR C.18.0045.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1, AC 2019, nr. 9 met concl. van advocaat-generaal A. Van Ingelgem. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: Beoordeling door de rechter - Tegenstrijdige bedingen - Wijze Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1134 en 1156 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Wanneer een overeenkomst tegenstrijdige bedingen bevat, moet de rechter nagaan welke van deze bedingen beantwoordt aan de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen en dient hij het beding dat daaraan niet beantwoordt zonder gevolg te laten. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - UITLEGGING Vrije woorden: Beoordeling door de rechter - Tegenstrijdige bedingen - Wijze Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1134 en 1156 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0131.N R. V. E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, tegen
  1. M. V. E.,
  2. M. V. E. en H. S., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 juni
  3. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 10 februari 2020 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. De appelrechters nemen de motivering van de eerste rechter slechts over "voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt". Bijgevolg bestaat de aangevoerde tegenstrijdigheid niet. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste rechter heeft geoordeeld dat artikel 3.3 van de schenkingsakte ongeldig is.
  6. De appelrechters oordelen dat, volgens het hof van beroep, om de redenen vermeld in het bestreden arrest, niet afdoende is aangetoond dat er sprake zou zijn van een inbreuk op het onherroepelijkheidsbeginsel van de schenking. Zij geven hiermee te kennen dat zij de motivering van de eerste rechter betreffende de ongeldigheid van artikel 3.3 van de schenkingsakte niet bijtreden. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  7. Krachtens artikel 1134 Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan degenen die ze hebben aangegaan tot wet. Zij kunnen niet herroepen worden dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw ten uitvoer worden gebracht. Krachtens artikel 1156 Burgerlijk Wetboek moet men in de overeenkomsten nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling is geweest van de partijen, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden. De verbindende kracht van een overeenkomst wordt door de rechter niet miskend wanneer hij, met verwijzing naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen veeleer dan naar de letterlijke zin van de bewoordingen, aan de overeenkomst de gevolgen toekent die deze volgens zijn uitlegging ervan wettig tussen de partijen heeft. Wanneer een overeenkomst tegenstrijdige bedingen bevat, moet de rechter nagaan welke van deze bedingen beantwoordt aan de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen en dient hij het beding dat daaraan niet beantwoordt zonder gevolg te laten.
  8. Het onderdeel dat aanvoert dat de rechter niet het ene beding boven het andere mag verkiezen en het andere beding aldus de facto mag opheffen of als onbestaande mag beschouwen, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Tweede, derde en vijfde onderdeel
  9. De in het vierde onderdeel vergeefs bekritiseerde reden draagt de beslissing dat het beginsel van de onherroepelijkheid van schenkingen niet is miskend. De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden en zijn mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede middel Tweede onderdeel
  10. De appelrechters oordelen dat: - de eiser volledig handelings- en rechtsbekwaam is; - hij wordt geacht te weten waartoe hij zich verbindt, indien hij documenten ondertekent; - het hof van beroep het niet afdoende bewezen acht dat de eiser niet zou hebben geweten wat hij ondertekende en welke transacties hij aanging; - uit de bijgebrachte stukken blijkt dat de eiser verzaakt heeft aan het vruchtgebruik door het ondertekenen van de mail waarop het overboekingsorder duidelijk stond omschreven (zie stuk 66 van de verweerders); - gelet op de aangehechte bijlagen de eiser zich ook onmogelijk kan hebben vergist omtrent de precieze modaliteiten van deze order.
  11. Door aldus te oordelen, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer betreffende de bewijswaarde van stuk 66 van de verweerders. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  12. De appelrechters oordelen dat niet afdoende bewezen is dat de eiser niet zou hebben geweten wat hij ondertekende en welke transacties hij aanging en dat gelet op de aangehechte bijlagen de eiser zich ook "onmogelijk" kan hebben vergist omtrent de precieze modaliteiten van het overboekingsorder. Zij geven daarmee te kennen dat deze transactie niet anders kan worden geïnterpreteerd dan als een verzaking aan het vruchtgebruik. Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechters met de reden dat "minstens ook hier sprake is van een verzuim van [de eiser] zichzelf naar behoren te informeren alvorens deze transactie aan te gaan" niet uitsluiten dat de transactie het resultaat is van een onzorgvuldig handelen, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Eerste onderdeel
  13. De zelfstandige in het derde onderdeel tevergeefs bekritiseerde reden draagt de beslissing van de appelrechters dat er geen sprake kan zijn van een herroeping van de schenking wegens het niet vervullen van lasten. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat van een herroeping van de schenking wegens het niet vervullen van lasten geen sprake kan zijn omdat het voorbehoud van vruchtgebruik geen last is, maar een modaliteit, en de eiser geenszins aantoont welke concrete lasten aan de bewuste schenking zouden zijn gekoppeld, is het gericht tegen een overtollige reden en bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  14. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat volgens de appelrechters de eiser in zijn syntheseconclusie de herroeping van de schenking heeft gevraagd wegens het niet vervullen van een "last" in de strikte zin van het woord, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
  15. De appelrechters oordelen dat uit de stukken blijkt dat er hoogstens een bespreking is geweest over dit woonrecht, maar dat een wilsovereenstemming niet afdoende is bewezen door de eiser. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat het woonrecht in de koopakte zelf had moeten zijn opgenomen om als last van de verkoop te kunnen worden beschouwd, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  16. De appelrechters oordelen niet alleen dat het bewijsaanbod middels getuigen van de eiser niet toelaatbaar is in het licht van de bepalingen van artikel 1341 Burgerlijk Wetboek, maar ook dat de vordering van de eiser geheel van bewijs ontbloot is en dat zelfs een begin van bewijs door geschrift ontbreekt. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters voorbijgaan aan de bepaling van artikel 1347 Burgerlijk Wetboek die het bewijs door getuigen en vermoedens toelaat wanneer er een begin van bewijs door geschrift voorhanden is, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  17. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de eiser middels getuigenverhoor geen bewijs kan leveren tegen de inhoud van de onderscheiden door hem ondertekende akten/overeenkomsten, is het gericht tegen een overtollige reden en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in zijn appelconclusie heeft aangevoerd dat de last om een woonrecht te vestigen, bewezen wordt op grond van de artikelen 1341 en 1347 Burgerlijk Wetboek aan de hand van de stukken die door de eerste verweerder zelf worden voorgelegd en waarin de last expliciet of impliciet, maar zeker wordt erkend en dat er dan ook zelfs meer dan een begin van een schriftelijk bewijs aanwezig is.
  19. De appelrechters oordelen dat: - uit de stukken blijkt dat er hoogstens een bespreking is geweest over dit woonrecht, maar dat een wilsovereenstemming niet afdoende bewezen is door de eiser; - de vordering van de eiser geheel van bewijs ontbloot is en dat zelfs een begin van bewijs door geschrift ontbreekt.
  20. Door aldus te oordelen, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het voormelde verweer van de eiser. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  21. De appelrechters stellen vast dat volgens de eerste rechter sprake is van een tergende manier van procederen, zijnde een gebruik van het recht om in rechte op te treden op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht te buiten gaat, aangezien de eiser zijn eis enkel staaft met beweringen en uitlatingen, die manifest worden tegengesproken door de stukken, terwijl de eiser ook inzake de weinige stukken die hijzelf neerlegt, zeer selectief te werk ging.
  22. De appelrechters oordelen "ter aanvulling van de redengeving van de eerste rechter" dat de eiser geen rechtens afdoende bewijs levert van zijn eenzijdige beweringen, die niet worden gesteund of geschraagd door objectieve dossier- of stavingsstukken, dat de eiser zijn stelling in essentie bouwt op zijn eigen verhaal, dat niet is ondersteund middels bewijskrachtige documenten of gegevens, dat zijn stukkenbundel bijzonder pover is als het er op aankomt zijn stellingen te staven en dat de vordering van de eiser geheel van bewijs ontbloot is en zelfs een begin van bewijs door geschrift ontbreekt.
  23. Zij geven hiermee te kennen dat zij zich ook aansluiten bij het oordeel van de eerste rechter wat betreft de tegeneis inzake tergend en roekeloos geding. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, doen de appelrechters aldus wel uitspraak over de tegeneis en verwerpen en beantwoorden zij zodoende het in het middel bedoelde verweer van de eiser. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 549,58 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Maxime Marchandise en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.