← België

BELGISCHE STAAT contra DOCPHARMA bvba

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 1134

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Rechtsmisbruik - Begrip Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1134

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Fiches 5 - 6 Misbruik van recht wordt gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden of door het opleggen van het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht; de herleiding van het recht tot zijn normale uitoefening kan zover gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden

(1).
(1)Cass. 19 december 2019, AR C.19.0127, AC 2019, nr. 683 met concl. van advocaat-generaal A. Van Ingelgem. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: Sanctie - Omvang Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1134

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel betreffende het rechtsmisbruik Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Verbod van rechtsmisbruik - Sanctie - Omvang Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1134

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel betreffende het rechtsmisbruik Tekst van de beslissing Nr. C.19.0034.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 175, Financietoren, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen DOCPHARMA bv, met zetel te 1560 Hoeilaart, Terhulpsesteenweg 6A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0465.350.075, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de verweerster woonplaats kiest. II. Nr. C.19.0118.N DOCPHARMA bv, met zetel te 1560 Hoeilaart, Terhulpsesteenweg 6A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0465.350.075, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 175, Financietoren, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 februari

  1. De zaken zijn bij beschikking van de eerste voorzitter van 21 april 2020 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN In de zaak C.19.0034.N voert de eiser in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. In de zaak C.19.0118.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging
  2. De cassatieberoepen in de zaken C.19.0034.N en C.19.0118.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. B. Zaak C.19.0034.N Ontvankelijkheid van het middel
  3. De verweerster werpt twee gronden van niet-ontvankelijkheid op: - het middel verwijt de appelrechters zich als beslagrechter onbevoegd te hebben verklaard om te beoordelen of de schuldeiser rechtsmisbruik heeft gepleegd bij de invordering van de dwangsommen, zonder hierbij artikel 1498 Gerechtelijk Wetboek als geschonden aan te voeren; - het middel vertoont geen belang in zoverre het de appelrechters verwijt in de tenuitvoerleggingsfase geen rekening te hebben gehouden met de door de eiser ingeroepen omstandigheden met betrekking tot het rechtsmisbruik door de verweerster bij de invordering van de dwangsommen, aangezien het oordeel van de appelrechters dat zij niet bevoegd zijn om over het bestaan van dit rechtsmisbruik te oordelen, de beslissing inzake de verschuldigdheid van de dwangsommen volledig draagt.
  4. De aanvoering van de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik, dat ook de beslagrechter moet toepassen bij de beoordeling van de invordering van een dwangsom, volstaat om tot cassatie te leiden. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  5. Het onderzoek van de tweede grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het middel zelf. Ook de tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  6. De regeling van de dwangsom gaat uit van een strikte taakverdeling tussen de rechter die de dwangsom oplegt, de dwangsomrechter, en de rechter die moet oordelen over het al dan niet verbeurd zijn ervan, de beslagrechter. Aangezien de beslagrechter bevoegd is om kennis te nemen van alle executiegeschillen die ter zake kunnen rijzen, is hij ook bevoegd om te beoordelen of de invordering van de dwangsom in de gegeven omstandigheden geen misbruik van recht oplevert.
  7. Misbruik van recht bestaat in de uitoefening van dat recht op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon kennelijk te buiten gaat. Een dergelijk misbruik wordt gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden of door het opleggen van het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht. De herleiding van het recht tot zijn normale uitoefening kan zover gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden.
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser bij ministerieel besluit van 21 oktober 2003 een tegemoetkoming heeft erkend voor het geneesmiddel Docsimvasta van de verweerster, mits een a posteriori controle door de adviserende arts; - de eiser dit besluit nog voordat het in werking trad, heeft ingetrokken bij ministerieel besluit van 19 november 2003, krachtens hetwelk een tegemoetkoming voor het geneesmiddel Docsimvasta enkel mogelijk was mits een a priori machtiging door de adviserende arts; - de Raad van State beide ministeriële besluiten heeft vernietigd op verzoek van de verweerster; - de verweerster parallel een kortgedingprocedure heeft ingesteld, waarin bij beschikking van 19 december 2003 werd geoordeeld dat het ministerieel besluit van 19 november 2003 onwettig was en de eiser werd veroordeeld tot de bekendmaking via het Belgisch Staatsblad van de intrekking van dit ministerieel besluit binnen de 72 uur na de betekening van het bevelschrift, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per dagelijkse vertraging en met een maximum van 5.000.000 euro; - de vordering van de verweerster voor de appelrechters ertoe strekte de eiser te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.650.000 euro aan verbeurde dwangsommen in de periode van 28 december 2003 tot 10 juni 2004; - de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de verweerster rechtsmisbruik heeft gepleegd door de dwangsommen in te vorderen, aangezien zij met de intrekking van het ministerieel besluit van 19 november 2003 de toepassing van het ministerieel besluit van 21 oktober 2003 beoogde, maar zij bij de Raad van State parallel heeft verzocht om het laatst vermelde besluit retroactief te vernietigen, zodat dit besluit nooit toepassing had mogen vinden, en zij krachtens een reparatiebesluit van 8 juni 2009 retroactief wel de beoogde tegemoetkomingen voor haar Docsimvasta-geneesmiddelen heeft verkregen voor de periode waarin de dwangsommen waren verbeurd. De appelrechters oordelen dat: - de eiser zijn middelen omtrent het al dan niet gegrond karakter van de opgelegde dwangsommen had dienen in te roepen in de kortgedingprocedure, desgevallend in hoger beroep, en zij niet meer relevant zijn in de huidige procedure, waar het hof van beroep enkel optreedt als executierechter; - de executierechter desbetreffend niet bevoegd is; - een reparatiebesluit uitgevaardigd door een schuldenaar niet als gevolg kan hebben dat verbeurd verklaarde dwangsommen door een retroactief legislatief optreden door diezelfde schuldenaar ongedaan worden gemaakt; - de eiser verder opwerpt dat de verweerster de dwangsom van haar wettelijk doel heeft afgewend door niet alleen een kortgedingprocedure te voeren betreffende het ministerieel besluit van 19 november 2003 doch ook een vernietigingsprocedure in te stellen bij de Raad van State betreffende het ministerieel besluit van 21 oktober 2003; - het hof van beroep in deze enkel optreedt als executierechter en enkel dient na te gaan of de hoofdveroordeling al dan niet correct werd nageleefd door de schuldenaar.
  9. De appelrechters gaan aldus niet na of de verweerster in de bovenvermelde omstandigheden in de fase van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot de verbeurte van een dwangsom misbruik heeft gemaakt van haar recht om deze dwangsom in te vorderen door dit recht op een kennelijk onredelijke wijze uit te oefenen. Door op die gronden te oordelen dat de eiser de ingevorderde dwangsommen verschuldigd is, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie
  10. De cassatie van de beslissing over de verschuldigdheid van de dwangsommen strekt zich uit tot de beslissing betreffende de gerechtelijke interest die op het bedrag van die dwangsommen verschuldigd is, die ermede verbonden is. C. Zaak C.19.0118.N
  11. Gelet op de beslissing gewezen in de zaak C.19.0034.N vertoont het middel geen belang. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.19.0034.N en C.19.0118.N. Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Maxime Marchandise en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240223.1F.5 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.13 ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260304.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231116.1N.13 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231116.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.