id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.5 Rolnummer: C.19.0193.N Zaak: M. contra GEMEENTE ZOERSEL Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2022-05-18 Raadplegingen: 456 - laatst gezien 2026-06-16 04:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De vordering op grond van de artikelen 2 en volgende van de Onteigeningswet 1835 is een op zichzelf staande procedure die, behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepaling in deze wet, aan de regels van het Gerechtelijk Wetboek is onderworpen. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Onteigeningsvordering - Vordering in rechte - Procedure - Onteigeningswet 1835 - Gerechtelijk Wetboek - Toepassing - Gevolg Fiches 2 - 3 De verplichting voor de rechtbanken om "over het geheel" met één vonnis uitspraak te doen, houdt niet in dat zij over alle door de onteigende aangevoerde gronden van onwettigheid dient te oordelen indien de onteigening reeds op één van de aangevoerde gronden onwettig wordt verklaard. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Onteigeningsvordering - Vordering in rechte - Procedure - Onteigeningswet 1835 - Aangevoerde onwettigheidsgronden - Oordeel van de rechter - Omvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte - 17-04-1835 - Art. 4 - 30 ELI link Pub nr 1835041750 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Onteigening ten algemenen nutte - Onteigeningsvordering - Procedure - Onteigeningswet 1835 - Aangevoerde onwettigheidsgronden - Oordeel van de rechter - Omvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte - 17-04-1835 - Art. 4 - 30 ELI link Pub nr 1835041750 Fiches 4 - 5 De artikelen 4 en 6 Onteigeningwet 1835 houden geen afwijking in van artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek; de onteigende kan, bij hoger beroep van de overheid, de andere onwettigheidsgronden opnieuw aan het hof van beroep voorleggen. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Onteigeningsvordering - Vordering in rechte - Procedure - Onteigeningswet 1835 - Artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek - Aangevoerde onwettigheidsgronden - Oordeel van de rechter - Hoger beroep - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: Onteigening ten algemenen nutte - Onteigeningsvordering - Procedure - Onteigeningswet 1835 - Artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek - Aangevoerde onwettigheidsgronden - Oordeel van de rechter - Gevolg Tekst van de beslissing Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0193.N C. M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen GEMEENTE ZOERSEL, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2980 Zoersel, Handelslei 167, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 juni
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 21 april 2020 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Ontvankelijkheid
- De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: het middel laat na artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek als geschonden aan te wijzen, daar waar het in werkelijkheid als grief aanvoert dat het hof van beroep heeft nagelaten uitspraak te doen over een punt van de vordering van de eiser, met name de andere onwettigheidsgronden die hij voor de appelrechter aanvoerde.
- Het middel voert aan dat het arrest dat oordeelt dat uit de artikelen 4 en 6 Onteigeningswet 1835 volgt dat het hof van beroep geen rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de door de eiser opgeworpen onwettigheidsgronden waarover de eerste rechter zich niet uitsprak omdat op dat vlak geen hoger beroep was aangetekend door de eiser, hierdoor het belangvereiste uit de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek miskent, evenals het principe van de devolutieve werking van het hoger beroep zoals neergelegd in artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Het middel voert aldus niet aan dat de appelrechter heeft nagelaten uitspraak te doen over een punt van de vordering van de eiser, maar bekritiseert de wettigheid van de uitspraak die de appelrechter deed over dat punt van de vordering van de eiser. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 2 Gerechtelijk Wetboek zijn de in dat wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dat wetboek. Krachtens artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek maakt het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen, het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep.
- De vordering op grond van de artikelen 2 en volgende van de Onteigeningswet 1835 is een op zichzelf staande procedure die, behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepaling in deze wet, aan de regels van het Gerechtelijk Wetboek is onderworpen.
- Artikel 4 Onteigeningwet 1835 bepaalt dat de rechtbank op de in artikel 3 bedoelde zitting zal oordelen of de bij de wet voorgeschreven formaliteiten om tot onteigening te geraken werden in acht genomen. Indien de gedaagde verschijnt, zal hij vooraf gehoord worden en gehouden zijn tegelijk, op straf van vervallenverklaring, al de excepties voor te dragen die hij zou menen te moeten tegenstellen. De rechtbank zal, op staande voet of uiterlijk op de volgende zitting, over het geheel met een enkel vonnis uitspraak doen. Artikel 6, tweede lid, in fine, Onteigeningswet 1835 bepaalt dat in geval van hoger beroep geen andere bezwaren buiten die welke in de akte van beroep vermeld zijn, op de zitting of schriftelijk zullen mogen besproken worden. Deze bepalingen schrijven voor dat de partijen, met het oog op een snelle afhandeling van de zaak, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hun middelen in één akte moeten voordragen zonder mogelijkheid om de middelen in de loop van het geding aan te vullen en dat de rechtbank de zaak in één vonnis moet beslechten. De verplichting voor de rechtbanken om "over het geheel" met één vonnis uitspraak te doen, houdt niet in dat zij over alle door de onteigende aangevoerde gronden van onwettigheid dient te oordelen indien de onteigening reeds op één van de aangevoerde gronden onwettig wordt verklaard. In dergelijk geval kan de onteigende, bij hoger beroep van de overheid, de andere onwettigheidsgronden opnieuw aan het hof van beroep voorleggen. De artikelen 4 en 6 Onteigeningwet 1835 houden aldus geen afwijking in van artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak in eerste aanleg over een vordering op grond van de artikelen 2 en volgende Onteigeningswet 1835, dit hoger beroep het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep.
- Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eiser voor de eerste rechter vijf onwettigheidsgronden heeft aangevoerd als verweer tegen de onteigeningsvordering van de verweerster; - de eerste rechter de onteigeningsvordering van de verweerster afwees op grond van de eerste opgeworpen onwettigheidsgrond, met name het gebrek aan voorafgaand openbaar onderzoek, en oordeelde dat de overige aangevoerde middelen daardoor niet meer ter zake dienend waren; - de verweerster tegen de verwerping van haar onteigeningsvordering hoger beroep heeft ingesteld overeenkomstig artikel 6 Onteigeningswet 1835; - de eiser in zijn appelconclusie ook de andere onwettigheidsgronden die hij in eerste aanleg had opgeworpen, heeft hernomen.
- De appelrechter die oordeelt dat uit de artikelen 4 en 6 Onteigeningswet 1835 volgt dat het hof van beroep geen rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de door de eiser opgeworpen onwettigheidsgronden waarover de eerste rechter zich niet heeft uitgesproken, omdat de eiser binnen de bij de voormelde wet bepaalde termijn geen hoger beroep heeft aangetekend in de mate dat de eerste rechter die excepties van onwettigheid onbehandeld zou hebben gelaten, verantwoordt met die redenen zijn beslissing dat de onteigening regelmatig is en de onteigeningsvordering van de verweerster gegrond, niet naar recht. Het middel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Maxime Marchandise en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div