← België

Algemeen Ziekenhuis Sint-Elisabeth Zott c. BELGISCHE S

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

van de comptabiliteit van de federale Staat. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: Onrechtmatige overheidsdaad - Schuldvordering ten laste van de Staat - Ontstaan - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Wet 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting

van de comptabiliteit van de federale Staat - 22-05-2003 - Artt. 131, tweede lid,

134 - 41 ELI link Pub nr 2003003367 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0610.N ALGEMEEN ZIEKENHUIS SINT-ELISABETH ZOTTEGEM vzw, met zetel te 9620 Zottegem, Godveerdegemstraat 69, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0418.558.166, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken

Volksgezondheid

van Asiel

Migratie, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/175, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 november

  1. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 30 april 2020 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eiseres bij dagvaarding van 6 juli 2012 een vordering instelde tegen de verweerder met het oog op betaling van bijkomende financiële middelen overeenkomstig artikel 29, § 2, 4°,

§ 3

, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling

de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen; - de eiseres bij conclusie stelde dat artikel 29, § 2, 4°,

§ 3

, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 werd gewijzigd bij koninklijke besluiten van 10 november 2006

19 juni 2007 ten gevolge waarvan zij geen aanspraak meer kon maken op de bedoelde financiële middelen, waarna de wijzigingen zijn vernietigd door de Raad van State bij arresten van 26 oktober 2010 zodat haar aanspraak op grond van de eerdere versies van artikel 29, § 2, 4°,

§ 3

, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 herleefde; - de eiseres benadrukte dat zij zich derhalve niet steunt op een onrechtmatige overheidsdaad van de verweerder maar wel op de eerdere versies van artikel 29, § 2, 4°,

§ 3

, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 aangezien de wijzigingen bij koninklijke besluiten van 10 november 2006

19 juni 2007 ingevolge de arresten van 26 oktober 2010 van de Raad van State retroactief uit de rechtsorde zijn verdwenen; - de verweerder bij conclusie hiertegenover stelde dat de eerdere versies van artikel 29, § 2, 4°,

§ 3

, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 niet langer de rechtsgrond kunnen vormen voor de vordering van de eiseres maar wel de onrechtmatige overheidsdaad van de verweerder die door het uitvaardigen van de koninklijke besluiten van 10 november 2006

19 juni 2007 zijn overheidsmacht heeft overschreden, zoals bevestigd bij vernietigingsarresten van de Raad van State van 26 oktober 2010; - de verweerder preciseerde dat de eiseres zich niet langer kan beroepen op de eerdere versies van artikel 29, § 2, 4°,

§ 3

, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 aangezien het budget voor de bedoelde financiële middelen intussen is uitgeput terwijl een vordering tot schadevergoeding op grond van de onwettige besluitvorming van de verweerder rest. 2. De appelrechters stellen vast dat de eiseres uitdrukkelijk laat gelden dat zij zich niet steunt op een onrechtmatige overheidsdaad van de verweerder maar wel op de eerdere versies van artikel 29, § 2, 4°,

§ 3, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002.

Zij oordelen dat zij niet zijn gebonden door de rechtsgrond die de eiseres aanvoert, maar het hun taak is, met eerbiediging van het recht van verdediging, de rechtsgrond toe te passen die naar hun oordeel is geboden gelet op de feiten

de vordering. De appelrechters oordelen verder in lijn met wat de verweerder stelde dat: - de redenering van de eiseres niet kan worden gevolgd; - de vernietigingsarresten van de Raad van State van 26 oktober 2010 wijzen op machtsoverschrijving van de verweerder

derhalve op een onrechtmatige overheidsdaad; - de eiseres aanspraak kon maken op bijkomende financiële middelen overeenkomstig artikel 29, § 2, 4°,

§ 3

, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 maar die aanspraak is verloren ingevolge onwettig bevonden wijzigingen bij koninklijke besluiten van 10 november 2006

19 juni 2007; - de vordering van de eiseres gelijkstaat met wat zij is verloren ingevolge de onrechtmatige overheidsdaad van de verweerder; - de vordering van de eiseres bijgevolg moet worden beoordeeld als een vordering op buitencontractuele grondslag

niet als een vordering op grond van de eerdere versies van artikel 29, § 2, 4°,

§ 3, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002.

Zij beslissen vervolgens dat de toepasselijke vijfjarige verjaringstermijn liep vanaf 1 januari 2007 tot 31 december 2011 zodat de bij dagvaarding van 6 juli 2012 ingestelde vordering van de eiseres is verjaard. 3. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat: - uit geen

kele vaststelling of overweging van de appelrechters volgt dat de vordering van de eiseres op de door haar aangevoerde rechtsgrond eveneens wordt afgewezen; - de appelrechters nalaten uitspraak te doen over een punt van de vordering

meer precies over de vordering van de eiseres in zoverre zij steunt op artikel 29, § 2, 4°,

§ 3

, 3°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 voor de wijzigingen ervan bij koninklijke besluiten van 10 november 2006

19 juni 2007; - de appelrechters

kel uitspraak doen over de vordering van de eiseres als een vordering op buitencontractuele grondslag

weigeren deze vordering te onderzoeken op de door de eiseres aangevoerde rechtsgrond, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 4. Krachtens artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting

van de comptabiliteit van de federale Staat, zijn de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan ze zijn ontstaan, verjaard

voorgoed vervallen ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen. Krachtens artikel 134 van de wet van 22 mei 2003 zijn onder meer de regels over de verjaring inzake de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen

Leefmilieu in werking getreden op 1 januari

  1. Krachtens artikel 131, tweede lid, van de wet van 22 mei 2003 blijft artikel 100, eerste lid, Wet Rijkscomptabiliteit van toepassing op de schuldvorderingen op de federale Staat die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet.
  2. De vijfjarige verjaringstermijn geldt in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat die geen vaste uitgaven uitmaken, ongeacht de contractuele of buitencontractuele grondslag, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een andere, bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen.
  3. Een vordering op buitencontractuele grondslag omwille van een onrechtmatige overheidsdaad ontstaat in de regel op het ogenblik dat de schade ontstaat of haar toekomstige verwezenlijking naar redelijke verwachting vaststaat, zonder dat de omvang van de schade moet vaststaan.
  4. Wanneer de overheid haar macht overschrijdt door het uitvaardigen van een onwettig koninklijk besluit, begint de in artikel 100, eerste lid, Wet Rijkscomptabiliteit bedoelde verjaringstermijn te lopen vanaf 1 januari van het begrotingsjaar waarin het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de machtsoverschrijding begaan door de uitvaardiging van een onwettig koninklijk besluit blijft voortduren totdat dit koninklijk besluit ophoudt uitwerking te hebben of tot wanneer het uit de rechtsorde verdwijnt

de verjaringstermijn pas op dat ogenblik begint te lopen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 302,61 euro

op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter,

de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman, Maxime Marchandise

Sven Mosselmans,

in openbare rechtszitting van 7 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.