← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 Rolnummer: P.20.0630.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-03-25 Raadplegingen: 965 - laatst gezien 2026-06-20 04:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Volgens artikel 14, § 1, Interneringswet kunnen de partijen of hun advocaat voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beslissingen van de raadkamer; dit beroep wordt ingesteld in de vorm en binnen de termijnen die worden bepaald bij de artikelen 203, 203bis en 204 Wetboek van Strafvordering en behalve in het geval bedoeld in artikel 205 Wetboek van Strafvordering en in artikel 1 van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen, wordt het beroep ingesteld door middel van een verklaring ter griffie van de correctionele rechtbank. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Internering - Hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer - Voorwaarden Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer - Voorwaarden Fiches 3 - 4 Uit de bepalingen van de artikelen 203, § 1, eerste lid en 204, Wetboek van Strafvordering en van artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen, volgt dat de appelrechter behoudens overmacht verplicht is het hoger beroep van een inverdenkinggestelde ingesteld ter griffie van de gevangenis tegen de beslissing van de raadkamer die hem interneert, maar die heeft nagelaten tijdig een grievenschrift in te dienen en voor wie door zijn raadsman evenmin een dergelijk geschrift is ingediend, vervallen te verklaren

(1); met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter en ten slotte de tegenpartijen en de appelrechter in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst en die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan
(2); die verantwoording geldt evenzeer indien de beroepen beslissing een interneringsbeslissing is aangezien de appelrechter bij afwezigheid van nauwkeurig bepaalde grieven zijn saisine niet kan bepalen en aannemen dat bij afwezigheid van een tijdig ingediend grievenschrift het hoger beroep is gericht tegen alle beslissingen van de beroepen beslissing zou de wettelijk bepaalde verplichting nauwkeurig de grieven op te geven zinledig maken.
(1)Cass. 3 maart 2020, AR P.19.1171.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.4, AC 2020, nr. 159; Cass. 8 oktober 2019, AR P.19.0611.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.2, AC 2019, nr. 507.
(2)Cass. 4 juni 2019, AR P.19.0237.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7, AC 2019, nr. 347. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Internering - Hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer - Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Grievenschrift - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer - Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Grievenschrift - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 7 Uit artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR en het door die bepalingen gewaarborgde recht van toegang tot de rechter volgt voor de overheid in de regel niet de verplichting om een inverdenkinggestelde die tijdens de procedure in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman en die kennis heeft gekregen van de beroepen beslissing, alle vormvereisten voor het hoger beroep tegen die beslissing ter kennis te brengen; dat geldt ook voor de op straffe van verval van het hoger beroep voorgeschreven verplichting om tijdig nauwkeurig bepaalde grieven in te dienen
(1).
(1)Cass. 4 juni 2019, AR P.19.0237.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7, AC 2019, nr. 347. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Toegang tot de rechter - Hoger beroep - Kennisgeving door de overheid van de vormvereisten van het hoger beroep - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14 - Artikel 14.1 - Recht op een eerlijk proces - Toegang tot de rechter - Hoger beroep - Kennisgeving door de overheid van de vormvereisten van het hoger beroep - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Internering - Kennisgeving door de overheid van de vormvereisten van het hoger beroep - Draagwijdte - Gevolg Fiches 8 - 10 De fouten of nalatigheden van de lasthebber binden de lastgever wanneer zij worden begaan binnen de perken van de lastgeving en leveren als dusdanig voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht op; het nalaten door een advocaat die instaat voor de verdediging van een inverdenkinggestelde die werd geïnterneerd door de raadkamer om tijdig een grievenschrift in hoger beroep in te dienen of erop toe te zien dat de cliënt dit doet, levert geen overmacht op die toelaat de in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde sanctie van het verval van het hoger beroep niet toe te passen
(1).
(1)Cass. 12 mei 2020, AR P.20.0104.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2, AC 2020, nr.
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Internering - Hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer - Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Grievenschrift - Nalatigheid van de advocaat - Overmacht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Nalatigheid - Hoger beroep in strafzaken - Internering - Hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer - Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Grievenschrift - Nalatigheid van de advocaat - Overmacht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: LASTGEVING Vrije woorden: Nalatigheid van de lasthebber - Advocaat - Hoger beroep in strafzaken - Internering - Hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer - Hoger beroep ingesteld in de gevangenis - Grievenschrift - Overmacht - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0630.N E B, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gwendolyn Van Kerckvoorde, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1, 6.3.b en 6.3.c EVRM, artikel 14.3.b IVBPR en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart ten onrechte eisers hoger beroep vervallen wegens het niet-indienen van een grievenschrift; die sanctie kan niet worden toegepast indien de finaliteit van de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde regeling is bereikt, wat hier het geval is; er kan geen twijfel bestaan over de beslissingen waarvan met het hoger beroep de hervorming worden beoogd; de rechtsgang in hoger beroep werd ook niet geschaad; het staat vast dat de eiser tijdens zijn verblijf in de gevangenis werd gedwongen ter gevangenisgriffie hoger beroep in te stellen en hij van het personeel van de gevangenisgriffie niet de faciliteiten heeft gekregen om de vormvereiste van artikel 204 Wetboek van Strafvordering na te leven; er is hem foutieve informatie verschaft betreffende het correct ingesteld zijn van het hoger beroep; hij is niet gewezen op de noodzaak van een grievenschrift; de eiser heeft geen bijstand genoten van een raadsman en hij is niet doorverwezen naar het Bureau voor Juridische Bijstand; het ontbreken van een grievenschrift is te wijten aan elementen die vreemd zijn aan de eiser.
  4. Het arrest stelt niet vast dat de eiser werd gedwongen het hoger beroep aan te tekenen via de gevangenisgriffie en dat het personeel van de gevangenisgriffie hem niet de faciliteiten heeft verstrekt om de vormvereiste van artikel 204 Wetboek van Strafvordering na te leven. Het stelt evenmin vast dat de eiser niet de bijstand van een raadsman heeft genoten. Het arrest stelt integendeel vast dat: - de verdediging van de eiser tijdens de procedure voor de raadkamer werd waargenomen door een raadsman, zijnde een andere raadsman dan die welke de eiser in de appelprocedure heeft verdedigd; - deze eerste raadsman dan ook geacht mag worden op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de beslissing van de raadkamer en hij met de eiser de mogelijkheid van een hoger beroep kon bespreken, zodat desgevallend op wettelijke wijze hoger beroep kon worden aangetekend; - de eerste raadsman van de eiser aanwezig was op de rechtszitting waarop het debat voor de raadkamer werd gesloten; - het gegeven dat de eerste raadsman van de eiser zou hebben nagelaten de eiser correct bij te staan bij het instellen van het hoger beroep niet meebrengt dat de gevangenisgriffie die rol van raadsman op zich had moeten nemen; - de eerste raadsman van de eiser bij het naderen van de vervaltermijn van het hoger beroep contact had kunnen opnemen met de gevangenisgriffie om te controleren of de eiser geen hoger beroep had ingesteld en of daartoe alle wettelijke voorwaarden waren vervuld, wat de op 17 april 2020, dit is ruim na het verstrijken van de vervaltermijn, nieuw aangestelde raadsman wel heeft gedaan; - enige onzorgvuldigheid door de gevangenisgriffie door de verdediging in concreto niet wordt aangetoond: noch de afwezigheid van een grievenschrift noch de melding door de griffie aan de nieuwe raadsman betreffende het ontbreken van een grievenschrift wettigen dit oordeel; - de eiser die tot de aanstelling van een nieuwe raadsman werd bijgestaan door de eerste raadsman beschikte over de wettelijke termijn van dertig dagen om een grievenschrift in te dienen; - de eiser niet aannemelijk maakt dat overmacht hem heeft belet de wettelijke verplichting tot neerlegging van een grievenschrift na te leven. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  5. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechter over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
  6. Volgens artikel 14, § 1, Interneringswet kunnen de partijen of hun advocaat voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beslissingen van de raadkamer. Dit beroep wordt ingesteld in de vorm en binnen de termijnen die worden bepaald bij de artikelen 203, 203bis en 204 Wetboek van Strafvordering. Behalve in het geval bedoeld in artikel 205 Wetboek van Strafvordering en in artikel 1 van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen, wordt het beroep ingesteld door middel van een verklaring ter griffie van de correctionele rechtbank. Krachtens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan uiterlijk dertig dagen na de uitspraak van een op tegenspraak gewezen vonnis. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een beklaagde tevens op straffe van verval van het hoger beroep binnen dezelfde termijn als voor het afleggen van de in artikel 203 bedoelde verklaring van hoger beroep en op dezelfde griffie dan wel op de griffie van het appelgerecht een verzoekschrift of grievenformulier moet indienen, dat nauwkeurig de grieven bevat die tegen het vonnis worden ingebracht. Volgens artikel 1, eerste lid, van de voormelde wet van 25 juli 1893 kunnen in de gevangenis opgesloten personen de verklaringen van hoger beroep in strafzaken, en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, doen aan de directeur van de instelling of zijn gemachtigde.
  7. Uit deze bepalingen volgt dat de appelrechter behoudens overmacht verplicht is het hoger beroep van een inverdenkinggestelde ingesteld ter griffie van de gevangenis tegen de beslissing van de raadkamer die hem interneert, maar die heeft nagelaten tijdig een grievenschrift in te dienen en voor wie door zijn raadsman evenmin een dergelijk geschrift is ingediend, vervallen te verklaren.
  8. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast.
  9. Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter en ten slotte de tegenpartijen en de appelrechter in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst. Die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan.
  10. Die verantwoording geldt evenzeer indien de beroepen beslissing een interneringsbeslissing is aangezien de appelrechter bij afwezigheid van nauwkeurig bepaalde grieven zijn saisine niet kan bepalen. Aannemen dat bij afwezigheid van een tijdig ingediend grievenschrift het hoger beroep is gericht tegen alle beslissingen van de beroepen beslissing zou de wettelijk bepaalde verplichting nauwkeurig de grieven op te geven zinledig maken.
  11. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Uit artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR en het door die bepalingen gewaarborgde recht van toegang tot de rechter volgt voor de overheid in de regel niet de verplichting om een inverdenkinggestelde die tijdens de procedure in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman en die kennis heeft gekregen van de beroepen beslissing, alle vormvereisten voor het hoger beroep tegen die beslissing ter kennis te brengen. Dat geldt ook voor de op straffe van verval van het hoger beroep voorgeschreven verplichting om tijdig nauwkeurig bepaalde grieven in te dienen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1, 6.3.b en 6.3.c EVRM, artikel 14.3.b IVBPR, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 10 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen: hoewel het personeel van de gevangenisgriffie het in artikel 6.3.c EVRM vervatte basisrecht had moeten waarborgen, heeft het dit niet gedaan door de eiser, met een beperkte intelligentie en een verstandelijke beperking, niet te wijzen op de noodzaak een grievenschrift in te dienen of hem te verwijzen naar zijn raadsman of naar het Bureau voor Juridische Bijstand.
  14. Het onderdeel is geheel gericht tegen het beweerd handelen of nalaten van het personeel van de gevangenisgriffie en dus niet tegen het arrest. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser zich niet kan beroepen op overmacht; er is gelet op de handelwijze van de gevangenisgriffie bij het ontvangen van het door de eiser zelf aangetekende hoger beroep wel degelijk overmacht; het griffiepersoneel heeft de correctheid van het hoger beroep bevestigd spijts er geen grievenschrift was bijgevoegd en het heeft de eiser niet verwezen naar zijn raadsman of naar het Bureau voor Juridische Bijstand; de eiser kon dit zelf niet weten gelet op zijn beperkte intelligentie en zijn verstandelijke beperking; de afwezigheid van bijstand door een raadsman levert eveneens overmacht op; iedere persoon in dezelfde concrete omstandigheden als de eiser zou op dezelfde wijze hebben gehandeld.
  16. Het staat aan de appelrechter te oordelen of overmacht, dit is een van de wil van de appellant onafhankelijke gebeurtenis die hij niet kon voorzien of voorkomen, hem heeft belet tijdig een grievenschrift als bedoeld door artikel 204 Wetboek van Strafvordering in te dienen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  17. Het arrest kon op grond van de vaststellingen die het bevat en die zijn vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel wettig oordelen dat de eiser zich niet op overmacht kan beroepen voor het niet-indienen van een grievenschrift als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  18. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiser zich niet kan beroepen op overmacht; er is wel degelijk overmacht; het verzuim van de toenmalige raadsman van de eiser om hem bijstand te verlenen bij het aantekenen van hoger beroep levert overmacht op.
  19. De fouten of nalatigheden van de lasthebber binden de lastgever wanneer zij worden begaan binnen de perken van de lastgeving en leveren als dusdanig voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht op.
  20. Het nalaten door een advocaat die instaat voor de verdediging van een inverdenkinggestelde die werd geïnterneerd door de raadkamer om tijdig een grievenschrift in hoger beroep in te dienen of erop toe te zien dat de cliënt dit doet, levert geen overmacht op die toelaat de in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde sanctie van het verval van het hoger beroep niet toe te passen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde onderdeel
  21. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte niet aanneemt dat de eiser onoverwinnelijk heeft gedwaald; de eiser heeft onoverwinnelijk gedwaald over de inhoud en de draagwijdte van artikel 204 Wetboek van Strafvordering en de verplichting een grievenschrift in te dienen; die dwaling is een gevolg van zijn beperkte intelligentie en verstandelijke beperking.
  22. Het middel dat geheel verplicht tot een onderzoek van feiten, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 8 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220920.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.