id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.16 Rolnummer: P.20.0273.N Zaak: A. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-12-06 Raadplegingen: 815 - laatst gezien 2026-06-20 04:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche De constitutieve bestanddelen van het misdrijf afpersing zijn, naast het gebruik van dwang of bedreiging, het zich toe-eigenen van andermans goed of van een onrechtmatig voordeel ten nadele van een ander; het geldbedrag waarvoor een schuldeiser een schuldvordering op zijn schuldenaar heeft, is geen goed dat de schuldeiser toebehoort aangezien dat bedrag enkel het voorwerp kan uitmaken van een vorderingsrecht van de schuldeiser op het vermogen van de schuldenaar, zodat het feit dat de dader zich vanwege het slachtoffer een geldbedrag toe-eigent omdat dit bedrag hem verschuldigd is en hem dus "toekomt", het bestaan van het materiële constitutieve bestanddeel van het misdrijf afpersing niet uitsluit, evenmin als van een ander vermogensmisdrijf zoals diefstal of oplichting
(1).
(1)Cass. 22 juni 2016, AR P.16.0010.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160622.2, AC 2016, nr. 416; Cass. 17 februari 2016, AR P.15.1593.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.4, AC 2016, nr. 120; D. MERCKX EN Th. LOQUET, 'Afpersing', Comm. Straf., 2014, nrs. 3-5 en 9 e.v. Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Afpersing - Constitutieve bestanddelen - Toe-eigenen van andermans zaak - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 470 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - 2020, nr. 419, p.
- - TERSAGO, Pieter; Noot'Vermogensaanspraken sluiten vermogensmisdrijven niet uit' Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2021, nr. 2, p. 122-
- - DE PAUW, Willem; Noot'Over de afpersing van een'verschuldigde'geldsom' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0273.N M S A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Beirnaert, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- C D W, burgerlijke partij,
- R D W, burgerlijke partij,
- P V W, burgerlijke partij,
- P V, burgerlijke partij,
- L V W, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep is betekend aan de verweerders, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 470 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastlegging A (poging tot afpersing); de strafbaarstelling van het misdrijf afpersing beoogt de bescherming van eigendom; dat misdrijf kan dan ook niet bestaan wanneer het goederen als voorwerp heeft die de dader zelf toekomen; het arrest beaamt eisers aanvoering dat het voorwerp van het onder de telastlegging A vervolgde misdrijf niet bestaat in goederen die hem niet toekomen, omdat hij enkel een vergoeding heeft gevraagd voor zijn achtergelaten persoonlijke spullen en zijn investeringen in het appartement van de verweerster 1; indien het arrest zo zou worden gelezen dat het die aanvoering niet beaamt, laat het niet toe na te gaan of de appelrechters het voorhanden zijn van het materiële bestanddeel van het misdrijf wettig vaststellen en schendt het artikel 149 Grondwet; indien het Hof zou aannemen dat het misdrijf afpersing eveneens kan bestaan in goederen die aan de dader toekomen, zou een onverantwoord verschil bestaan met gelijkaardige vermogensmisdrijven zoals diefstal en oplichting, waarvan het voorwerp enkel kan bestaan in zaken die de dader niet toebehoren; in dat geval wordt het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel miskend. In ondergeschikte orde wordt gevraagd de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 470 Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de interpretatie dat het voorwerp van het misdrijf van (poging tot) afpersing kan bestaan in goederen die aan de dader toekomen, wat nochtans uitgesloten is ingeval van gelijkaardige vermogensmisdrijven zoals diefstal en oplichting, waarvan het voorwerp, luidens de artikelen 461 en 496 Strafwetboek, enkel kan bestaan in zaken die de dader niet toebehoren?”
- Artikel 470 Strafwetboek straft degene die met behulp van geweld of bedreiging hetzij gelden, waarden, roerende voorwerpen, schuldbrieven, biljetten, promessen, kwijtingen, hetzij de ondertekening of de afgifte van enig stuk dat een verbintenis, beschikking of schuldbevrijding inhoudt of teweegbrengt, afperst.
- De constitutieve bestanddelen van het misdrijf afpersing zijn, naast het gebruik van dwang of bedreiging, het zich toe-eigenen van andermans goed of van een onrechtmatig voordeel ten nadele van een ander.
- Het geldbedrag waarvoor een schuldeiser een schuldvordering op zijn schuldenaar heeft, is geen goed dat de schuldeiser toebehoort. Dat bedrag kan immers enkel het voorwerp uitmaken van een vorderingsrecht van de schuldeiser op het vermogen van de schuldenaar. Het feit dat de dader zich vanwege het slachtoffer een geldbedrag toe-eigent omdat dit bedrag hem verschuldigd is en hem dus “toekomt”, sluit dan ook het bestaan van het materiële constitutieve bestanddeel van het misdrijf afpersing niet uit, evenmin als van een ander vermogensmisdrijf zoals diefstal of oplichting. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zijn syntheseappelconclusie heeft de eiser zijn schuld aan de telastlegging A betwist op grond van het verweer dat: - er bij hem geen sprake is van het constitutief bestanddeel van het bedrieglijk opzet omdat hij ervan overtuigd was dat hij naar aanleiding van de relatiebreuk met de verweerster 1 aanspraak maakte op vergoeding voor zijn achtergelaten persoonlijke spullen en de door hem in haar appartement gedane investeringen, zodat hij geen onrechtmatig voordeel nastreefde; - de desbetreffende berichten die hij aan de verweerster 1 heeft verzonden geen bedreigingen bevatten, behoudens de dreiging met een juridische procedure.
- Het arrest veroordeelt de eiser wegens de telastlegging poging afpersing zoals omschreven in de bewoordingen van de wet. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordeelt het bovendien als volgt: - de eiser eiste van zijn ex-partner de betaling van 30.000,00 euro voor de door hem achtergelaten persoonlijke bezittingen na de relatiebreuk en de door hem gedane investeringen in hun voormalig gezamenlijk bewoond appartement; - “Bij de relatiebreuk vroeg [de eiser] 30.000 euro van [de verweerster 1], zo niet zouden er “erge dingen met haar gebeuren” of “zou alles in rook opgaan”. Later werd het bedrag naar 13.000 euro verlaagd. Op 1 juli 2014 werd 5.500 euro op de rekening van [de eiser] gestort als dading (= Settlement)”; - het feit dat de eiser meent recht te hebben op het geld dat hij van de verweerster 1 vroeg, neemt het moreel bestanddeel van het misdrijf niet weg. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de eiser heeft gepoogd om ten nadele van de verweerster 1 een geldbedrag van 30.000,00 euro af te persen door haar met behulp van bedreiging te dwingen om tot de betaling ervan over te gaan, ongeacht of dit bedrag hem “toekwam” omdat hij daarvoor een schuldvordering op die verweerster zou hebben gehad. Aldus is het arrest regelmatig met redenen omkleed en verantwoordt het de beslissing naar recht, zonder dat het die beslissing bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie verder dient te motiveren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De prejudiciële vraag die uitgaat van de voormelde onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,50 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 8 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160622.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div