id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.17 Rolnummer: P.20.0388.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-03-25 Raadplegingen: 754 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 6.1 EVRM en het daarin vervatte recht op een eerlijk proces, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat het ontbreken van een goede reden voor het niet-horen van een getuige die een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd als dusdanig niet volstaat om te besluiten tot een schending van deze verdragsbepaling, maar dat dit wel een belangrijk gegeven is bij die besluitvorming; het staat aan de rechter te onderzoeken of er een goede reden voorhanden is die het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, kan verantwoorden en de vrees die een dergelijke getuige zegt te hebben voor zijn fysieke integriteit kan een goede reden zijn om hem niet te horen; een louter subjectief aanvoelen in dat verband door de getuige volstaat evenwel niet en de rechter moet onderzoeken of er objectieve en dus door bewijselementen ondersteunde gegevens zijn welke die vrees rechtvaardigen en of er geen haalbare alternatieven zijn
(1).
(1)EHRM (Grote Kamer) 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk, T. Strafr. 2012/1, 48, RW 2013-2014,/21, 835. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen - Verantwoording voor het niet-horen van een getuige - Vrees voor de fysieke integriteit - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen - Verantwoording voor het niet-horen van een getuige - Vrees voor de fysieke integriteit - Draagwijdte - Gevolg Fiches 3 - 4 Bij de beoordeling of het niet-horen op de rechtszitting onder eed van een getuige die een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, het recht van die beklaagde op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, in zijn geheel beschouwd, heeft miskend, is het voorhanden zijn van voldoende compenserende factoren met inbegrip van sterke procedurele waarborgen een belangrijk beoordelingscriterium; dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het toekennen van een mindere bewijswaarde aan dergelijke verklaringen, het voorhanden zijn van een video-opname van het tijdens het vooronderzoek afgenomen verhoor wat een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring moet toelaten, het bestaan van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring ondersteunt of bevestigt, de mogelijkheid om aan de getuige geschreven vragen te bezorgen of de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken op het vlak van de geloofwaardigheid van de getuige of interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen
(1).
(1)Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen - Verantwoording voor het niet-horen van een getuige - Compenserende factoren - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen - Verantwoording voor het niet-horen van een getuige - Compenserende factoren - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0388.N F C C B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sahil Malik, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht op tegenspraak: het arrest dat op grond vane aard van de ten laste gelegde feiten en van het criminele milieu waarbinnen zij kaderden, beslist tot het bestaan van een gegronde reden voor het niet horen van de getuige J.W. (hierna de getuige), die tijdens het strafonderzoek voor de eiser belastende verklaringen heeft afgelegd, is niet naar recht verantwoord; de rechter moet zich ervan vergewissen dat de geuite vrees op het ogenblik van de behandeling van de zaak nog steeds aanwezig is, dat deze vrees gerechtvaardigd is op grond van precies bewijsmateriaal en dat er geen alternatieven zijn om het ondervragingsrecht alsnog te waarborgen; de appelrechters laten na zulks vast te stellen.
- Uit artikel 6.1 EVRM en het daarin vervatte recht op een eerlijk proces, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat het ontbreken van een goede reden voor het niet-horen van een getuige die een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd als dusdanig niet volstaat om te besluiten tot een schending van deze verdragsbepaling, maar dat dit wel een belangrijk gegeven is bij die besluitvorming.
- Het staat aan de rechter te onderzoeken of er een goede reden voorhanden is die het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, kan verantwoorden. De vrees die een dergelijke getuige zegt te hebben voor zijn fysieke integriteit kan een goede reden zijn om hem niet te horen. Een louter subjectief aanvoelen in dat verband door de getuige volstaat evenwel niet. De rechter moet onderzoeken of er objectieve en dus door bewijselementen ondersteunde gegevens zijn welke die vrees rechtvaardigen en of er geen haalbare alternatieven zijn.
- Het arrest stelt door overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 15-16, nr. 6-7) en met eigen redenen (p. 20-21) vast wat volgt: - de getuige heeft in dit dossier vijf verklaringen afgelegd, hij werd ook gehoord in het kader van een rechtshulpverzoek aan Nederland en het dossier bevat ook een handgeschreven brief met de vermelding van zijn naam; - de getuige heeft tijdens het vooronderzoek eenduidig aangegeven dat hij weigerde verder mee te werken met het onderzoek en dat die weigering is ingegeven door de angst voor mogelijke represailles bij een nieuwe of bij-komende belastende verklaring; - de getuige heeft op een bepaald moment aangegeven geen verklaringen meer te willen afleggen en uit het strafdossier kan worden afgeleid dat de vrees voor represailles daaraan ten grondslag ligt; - de angst die de getuige zegt te hebben, is redelijk verantwoord en volgt uit de aard van de feiten waarvoor hij aangifte heeft gedaan, namelijk een vrijheidsberoving en een afpersing in het drugmilieu; - de eiser maakt duidelijk volledig abstractie van de zeer gewelddadige feiten waarvan de getuige het slachtoffer werd en waarover geen discussie kan bestaan gelet op de vastgestelde verwondingen en de aangetroffen zak met onder meer de rubberen elastiek waarmee hij werd vastgebonden; - die angst wordt verder ondersteund door politionele informatie van 21 april 2016 en het aantreffen van een replica-handgranaat op de passagierszetel van een camionette die op 2 augustus 2016 voor het adres van de getuige te Antwerpen geparkeerd stond; - er mag niet uit het oog worden verloren dat deze feiten duidelijk kaderden in het criminele milieu van internationale drughandel; - de eenduidige weigering tot verdere medewerking door de getuige zou een dagvaarding als getuige voor de vonnisrechter een louter formeel karakter geven; - de vrees voor represailles is gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden op het ogenblik van het arrest nog steeds evident aanwezig.
- Daaruit volgt dat de appelrechters wel degelijk hebben onderzocht of er objectieve en door bewijselementen ondersteunde gegevens zijn die de vrees van de getuige voor zijn fysieke integriteit rechtvaardigen en dit met een bevestigend antwoord en dat zij wel degelijk vaststellen dat er voor het horen van de getuige op de rechtszitting onder eed geen haalbare alternatieven zijn. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht op tegenspraak: het arrest weigert ten onrechte de door de getuige afgelegde belastende verklaringen uit het debat te weren en steunt eisers schuldigverklaring op de cruciale elementen ervan, met name het feit dat de getuige werd gevangen genomen en met geweld werd bestolen en afgeperst en de fotoherkenning van de eiser; het niet-horen van de getuige op de rechtszitting diende te worden gecompenseerd door waarborgen die een beoordeling van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen moeten toelaten; het louter toekennen van een kleinere bewijswaarde aan de belastende verklaringen volstaat niet; bovendien bevatten deze verklaringen dubbelzinnigheden en tegenstrijdigheden zonder dat de appelrechters nagaan wat daarvoor de precieze redenen en achterliggende motieven waren.
- Bij de beoordeling of het niet-horen op de rechtszitting onder eed van een getuige die een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, het recht van die beklaagde op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, in zijn geheel beschouwd, heeft miskend, is het voorhanden zijn van voldoende compenserende factoren met inbegrip van sterke procedurele waarborgen een belangrijk beoordelingscriterium.
- Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het toekennen van een mindere bewijswaarde aan dergelijke verklaringen, het voorhanden zijn van een video-opname van het tijdens het vooronderzoek afgenomen verhoor wat een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring moet toelaten, het bestaan van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring ondersteunt of bevestigt, de mogelijkheid om aan de getuige geschreven vragen te bezorgen of de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken op het vlak van de geloofwaardigheid van de getuige of interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het toekennen van een mindere bewijswaarde aan de belastende verklaringen van een niet op de rechtszitting onder eed gehoorde getuige onmogelijk een compenserende factor kan uitmaken, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 21-22) oordeelt als volgt: - de getuige heeft de eiser bij zijn verhoor op 22 april 2016 ontegensprekelijk als een van de daders aangeduid en die verklaring was duidelijk richtinggevend voor het verder onderzoek; - die herkenning als dusdanig, rekening houdend met enkele dubbelzinnigheden en tegenstrijdigheid in de opeenvolgende verklaringen van de getuige die worden onderkend, zijn niet uitsluitend bepalend geweest voor het resultaat van deze zaak; - in het kader van het vooronderzoek werd het nodige gedaan om de kwaliteit van de afgelegde verklaringen te toetsen; - de verklaringen van de getuige werden vergeleken met objectieve gegevens en het nodige werd gedaan om de getuige aan de tand te voelen met betrekking tot opmerkingen die de eiser heeft geformuleerd; - het hof van beroep steunt in hoofdorde op het aantreffen van de tas bij een medebeklaagde, het telefonieonderzoek, de afgeluisterde gesprekken tussen A. en G. enerzijds en het gesprek tussen A. en de eiser anderzijds, waaruit uiteindelijk duidelijk de betrokkenheid van de eiser bij deze zaak is gebleken; - de door de eiser opgeworpen dubbelzinnigheden en tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van de getuige worden onderkend en er wordt mee rekening gehouden; - de verklaringen van de getuige zijn dan ook niet doorslaggevend om de appelrechters te overtuigen van de betrokkenheid van de eiser, maar enkel wat betreft de cruciale elementen ervan, namelijk het feit dat de getuige werd gevangengenomen en met geweld werd bestolen en afgeperst en de fotoherkenning van de eiser, die als bewijselement worden aanvaard samen met de overige bewijselementen en in het bijzonder de afgeluisterde gesprekken. Aldus oordelen de appelrechters dat bij wijze van compenserende factor de door de getuige afgelegde belastende verklaringen niet in aanmerking worden genomen als een volwaardig bewijs, maar slechts als een ondersteunend bewijs dat moet worden samengelezen met andere bewijselementen. Die beslissing, waarbij de appelrechters niet uitdrukkelijk melding dienden te maken van de reden voor de dubbelzinnigheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen van de getuige, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 147,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 8 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210504.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div