← België

AXA BELGIUM N.V. contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.23 Rolnummer: P.20.0296.N Zaak: AXA BELGIUM N.V. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-25 Raadplegingen: 734 - laatst gezien 2026-06-20 05:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het staat aan het appelgerecht om op basis van de inhoud van de verklaring van hoger beroep bepaald in artikel 203 Wetboek van Strafvordering en vervolgens de overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering geformuleerde grieven de draagwijdte van het hoger beroep en dus de saisine van het appelgerecht te bepalen, waarbij het appelgerecht rekening kan houden met de door de appellant op het grievenformulier vermelde specificering die de grief beperkt tot een welbepaalde beslissing binnen de aangekruiste rubriek, ook al is de opgave van redenen niet verplicht; het Hof gaat wel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Grievenformulier - Draagwijdte Tekst van de beslissing P.20.0296.N I-II AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen S T, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 26 juni 2019 (bestreden vonnis I) en 5 februari 2020 (bestreden vonnis II). De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel

  1. Het middel voert schending aan van de artikelen 202, 203 en 204 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1319, 1320, 1321, 1322, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis I beperkt ten onrechte de saisine van het appelgerecht tot de beslissing betreffende de kapitalisatie van twee schadeposten; in haar grievenformulier heeft de eiseres de beslissing van het beroepen vonnis over de blijvende werkonbekwaamheid en huishoudelijke schade als grief aangeduid met als ten overvloede opgegeven reden dat de eerste rechter onterecht toepassing heeft gemaakt van de kapitalisatiemethode; door te oordelen dat de eiseres enkel de beslissing tot kapitalisatie van deze schadeposten bekritiseert, miskent het bestreden vonnis I de bewijskracht van het grievenformulier, alsook het wettig begrip "grief" vermits het de reden van de betwisting in de plaats stelt van de grief zelf.
  2. Artikel 203 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het recht van hoger beroep vervalt indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen uiterlijk dertig dagen na de dag van de uitspraak indien het een op tegenspraak gewezen vonnis betreft.
  3. Artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het hoger beroep op straffe van verval nauwkeurig de grieven dient aan te geven die tegen het vonnis worden ingebracht. Daartoe kan de appellant gebruik maken van het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenformulier, dat werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 november 2017 tot vervanging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid van het Wetboek van Strafvordering. Dit voorgedrukte grievenformulier bevat een lijst van vijf mogelijk aan te kruisen rubrieken ("procedure", "schuld", "straf en/of maatregel", "burgerlijke rechtsvordering" en "andere") met telkens een mogelijke specificering. Het vermeldt ook dat de gebruiker van het formulier het toepasselijke vakje moet aankruisen "indien van toepassing" en nodigt hem ertoe uit het onderdeel van de beslissing met beknopte opgave van de redenen aan te duiden.
  4. Het staat aan het appelgerecht om op basis van de inhoud van de verklaring van hoger beroep en vervolgens de overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering geformuleerde grieven de draagwijdte van het hoger beroep en dus de saisine van het appelgerecht te bepalen. Hierbij kan het appelgerecht rekening houden met de door de appellant op het grievenformulier vermelde specificering die de grief beperkt tot een welbepaalde beslissing binnen de aangekruiste rubriek, ook al is de opgave van redenen niet verplicht.
  5. Het Hof gaat wel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  6. Het bestreden vonnis I stelt vast dat de eiseres in haar grievenformulier de rubriek "burgerlijke rechtsvordering" heeft aangekruist met als reden "Vergoeding BWO materieel en huishoudschade → ten onrechte kapitalisatie" en oordeelt dat de saisine van het appelgerecht aldus is beperkt tot de beslissing om de vergoeding voor deze schadeposten te kapitaliseren. Op grond daarvan kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de eiseres volgens de bewoordingen van haar grievenformulier heeft aangegeven enkel te zijn gegriefd door de beslissing over de wijze van schadebepaling. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  7. Met dit oordeel geven de appelrechters geen uitlegging aan het grievenformulier, maar leiden zij er een juridisch gevolg uit af. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in haar appelconclusie heeft de eiseres aangevoerd dat bij kapitalisatie van de blijvende huishoudelijke schade de toepassing van een rentevoet van 3 procent is verantwoord, vermits deze schadepost geen vervangingsinkomen inhoudt zodat onroerende beleggingen in aanmerking kunnen komen; het bestreden vonnis I laat dit verweer onbeantwoord.
  9. Het bestreden vonnis I oordeelt dat bij de kapitalisatie van zowel de blijvende huishoudelijke ongeschiktheid als de blijvende economische ongeschiktheid een rentevoet van 1 procent in aanmerking wordt genomen, rekening houdend met de recente en de voorzienbare evolutie van de beleggingen. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters het in het middel vermelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 11 en 962 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat het de bedoeling van de deskundige was om aan te geven dat de verweerder inkomstenverlies leed of een invloed op zijn verdienvermogen onderging, dragen de appelrechters hun rechtsmacht om over deze betwisting te oordelen onwettig over aan deze deskundige.
  11. Het bestreden vonnis I stelt vast dat de deskundige besluit tot een economische ongeschiktheid van 17 procent van de verweerder, zowel voor de arbeid die hij sinds 1 juli 2011 in het bedrijf van zijn ouders verricht als voor de andere voor hem haalbare beroepen. Het oordeelt vervolgens dat uit deze vaststellingen volgt dat de verweerder een werkelijke arbeidsongeschiktheid met inkomstenverlies ondergaat dan wel dat er een effectieve invloed op zijn verdienvermogen is van 17 procent. Aldus doet het bestreden vonnis I zelf uitspraak over de betwisting of de verweerder een inkomstenverlies lijdt dan wel een invloed op zijn verdienvermogen ondergaat en laat het de beoordeling van deze betwisting niet over aan de deskundige. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis I, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 116,60 euro waarvan op het cassatieberoep I 3,30 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 3,30 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 8 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.