id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.29 Rolnummer: P.20.0837.N Zaak: K. contra PARKET GENERAAL VAN ANTWERPEN Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-25 Raadplegingen: 925 - laatst gezien 2026-06-20 12:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 In strafzaken kan overeenkomstig artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering elke belanghebbende partij de verwijzing vorderen van de ene rechtbank naar de andere wegens gewettigde verdenking en daartoe is vereist dat de verzoeker bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens aandraagt die, indien zij juist blijken te zijn, gewettigde verdenking kunnen meebrengen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid, die wordt vermoed, van alle magistraten waaruit het betrokken rechtscollege is samengesteld; de omstandigheid dat een partij zich niet kan vinden in de wijze waarop een magistraat zijn ambt in een welbepaalde zaak of welbepaalde zaken uitoefent of heeft uitgeoefend en daarom tegen die magistraat klachten formuleert, levert als dusdanig geen gewettigde verdenking op in de zin van artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)De verzoekster had haar verzoekschrift gesteund op de wettige verdenking waarvan sprake in artikel 648, 2°, Gerechtelijk Wetboek, maar dit is niet van toepassing in strafzaken. Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Gewettigde verdenking - Voorwaarden - Draagwijdte Fiche 2 Een verzoekschrift tot verwijzing van een rechtbank naar een andere die betrekking heeft op mogelijke wanbedrijven of misdaden gepleegd buiten het ambt door magistraten van een parket-generaal bij een hof van beroep of de zetel van een hof van beroep en bij samenhang door andere magistraten of niet-magistraten, kan niet worden begrepen als een bij het Hof ingediende aangifte en het Hof is dan ook niet bevoegd om deze te ontvangen aangezien de in de artikelen 481 en 482 Wetboek van Strafvordering bedoelde procedure dient te worden gevolgd; de omstandigheid dat de verzoeker de minister van Justitie en de ambtenaren van het openbaar ministerie die reeds dergelijke aangiften mochten hebben ontvangen als verdachten bestempelt, heeft niet tot gevolg dat aan de in artikelen 481 en 482 Wetboek van Strafvordering bepaalde procedure kan worden voorbijgegaan en een aangifte rechtstreeks bij het Hof kan worden ingediend
(1).
(1)A. WINANTS, " Beschouwingen over het voorrecht van rechtsmacht", in F. DERUYCK (ed.), Strafrecht in/uit balans*, die Keure, 2020, pp. 138-141; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2014, 6de editie, pp. 647-651.Er was in casu geen aangifte door de minister van justitie. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Magistraten van een hof van beroep - Misdaden of wanbedrijven gepleegd buiten het ambt - Procedure - Aangifte door de minister van Justitie - Verzoekschrift tot verwijzing van een rechtbank naar een andere - Strafzaken - Gewettigde verdenking - Draagwijdte - Gevolg Fiche 3 Een verzoekschrift tot verwijzing van een rechtbank naar een andere die betrekking heeft op mogelijke misdaden gepleegd binnen het ambt door een of meer leden van een hof van beroep of door de procureur-generaal of zijn substituten bij een dergelijk hof en bij samenhang door andere magistraten of niet-magistraten, kan niet worden begrepen als een bij het Hof ingediende aangifte en het Hof is dan ook niet bevoegd om deze te ontvangen aangezien de in de artikelen 485 en 486 Wetboek van Strafvordering bepaalde procedure dient te worden gevolgd; wanneer niet blijkt dat zij die beweren benadeeld te zijn door de misdaad verhaal op de rechter hebben genomen is de aangifte bij het Hof evenmin mogelijk en wanneer het verzoekschrift tot onttrekking niet ontvankelijk is, is ook een incidentele aangifte niet mogelijk aangezien daarmee wordt bedoeld dat die aangifte een invloed moet kunnen uitoefenen op de beslissing in de zaak waarin ze wordt gedaan
(1).
(1)A. WINANTS, " Beschouwingen over het voorrecht van rechtsmacht", in F. DERUYCK (ed.), Strafrecht in/uit balans*, die Keure, 2020, pp. 138-141; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2014, 6de editie, pp. 647-651.Er was in casu geen aangifte door de minister van justitie. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Magistraten van een hof van beroep - Misdaden gepleegd binnen het ambt - Procedure - Aangifte door de minister van Justitie - Verzoekschrift tot verwijzing van een rechtbank naar een andere - Strafzaken - Gewettigde verdenking - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0837.N A A J G K, verzoekster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De verzoekster heeft op 30 juli 2020 ter griffie van het Hof een verzoekschrift ingediend, met als opschrift:"Verzoekschrift tot onttrekking wegens wettige verdenking (art. 648 2° Ger. W.)" Een eensluidend verklaard afschrift van dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Het Hof meent uit het verzoekschrift samengevat te kunnen begrijpen dat de vordering tot onttrekking betrekking heeft op de thans voor het hof van beroep te Antwerpen hangende strafzaak, gekend onder nummer 2019/PGA/1192, met de verzoekster als beklaagde en K V B als burgerlijke partij, alsook dat het verzoek in essentie is gesteund op de volgende gronden: - de door het parket-generaal te Antwerpen uitgebrachte dagvaardingen zijn nietig omdat het arrest van het hof van beroep te Brussel van 21 februari 2018 zelf nietig is door de niet-ondertekening van dit arrest door één van de raadsheren en die nietigheid niet kan worden geregulariseerd; - de verzoekster en haar moeder hebben op 18 september 2015 en vervolgens op latere data "klacht met burgerlijke partijstelling BR nr. BR53.98.1592-17/D1 wegens belaging (bij procedure), pesterijen en broodroof" ingediend bij onder meer het parket-generaal te Antwerpen en in die klacht worden als verdachten aangemerkt meerdere leden van de zetel van en het parket-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, magistraten van de zetel van en het parket bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, griffiers bij dit rechtscollege, magistraten van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen en politieambtenaren, die niet in staat zouden zijn om objectief, onpartijdig en bijgevolg juridisch correct te oordelen over bij hen aanhangige eenvoudige zaken; - in de uitbreidende en aanvullende klachten wordt de verdachten ook bendevorming, criminele organisatie, misbruik van overheidsgelden en van goederen en gebruik van valse stukken verweten; - door te weigeren de klachten te onderzoeken zouden leden van het parket-generaal te Antwerpen zich aan foltering en onmenselijke behandeling hebben schuldig gemaakt; - bedoelde klachten zouden ook zijn ingediend bij het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof; - het parket-generaal te Antwerpen heeft de zaak doorgestuurd naar het parket-generaal te Brussel, terwijl de procureur-generaal bij dit hof van beroep en een advocaat-generaal zelf reeds als verdachten in de klachten werden aangemerkt; - de voormelde klachten met burgerlijkepartijstelling van de verzoekster en haar moeder, die blijkbaar ook betrekking hebben op civiele en tuchtprocedures, zijn ook gericht tegen meerdere beroeps- en plaatsvervangende raadsheren van het hof van beroep te Antwerpen, een griffier, leden van de tuchtraad, stafhouders en politieambtenaren, waarbij ook wordt geklaagd over de wijze waarop wrakingsverzoeken van de verzoekster werden behandeld; - er zou een verknochtheid bestaan tussen het hof van beroep te Antwerpen, het parket-generaal, de balies en advocatenkantoren, die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het gedrang brengen; - uit de voormelde klachten zou ook volgen dat de verzoekster onschuldig is in de thans voor het Antwerpse hof van beroep hangende procedure gekend onder het nummer 2019/PGA/1192 en zij zou worden vervolgd op basis van een georkestreerd strafdossier volledig samengesteld uit valse stukken en processen-verbaal, zowel naar vorm als naar inhoud; - de correctionele kamer waar de tegen de verzoekster ingestelde strafzaak hangende is, heeft conclusietermijnen bepaald, terwijl die kamer enkel de niet te regulariseren nietigheid van het arrest van het hof van beroep te Brussel had moeten vaststellen en de zaak had moeten terugsturen naar het Hof van Cassatie.
- De verzoekster voert in haar verzoekschrift verder aan dat alleen het Hof van Cassatie bevoegd zou zijn de zaak te onderzoeken gelet op de betrokkenheid van magistraten van een hof van beroep. Volgens de verzoekster moet het Hof van Cassatie teneinde haar aanvoering betreffende de gewettigde verdenking te kunnen beoordelen, de door haar en haar moeder ingediende strafklachten onderzoeken.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - het hof van beroep te Brussel heeft bij arrest van 21 februari 2018 de verzoekster schuldig verklaard aan het te Brussel op 4 november 2014 toebrengen van opzettelijke verwondingen of slagen aan K V B en heeft voor die feiten de uitspraak van veroordeling opschort gedurende een termijn van vijf jaar en wat betreft de burgerlijke rechtsvordering de beslissing van de eerste rechter tot veroordeling van de verzoekster om aan de burgerlijke partij 250,00 euro te betalen als schadevergoeding, te vermeerderen met de interesten en tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding, bevestigd; - op het cassatieberoep van de verzoekster heeft het Hof van Cassatie bij arrest P.18.0298.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2N.5 van 12 maart 2019 het voormelde arrest van het hof van beroep te Brussel van 21 februari 2018 vernietigd, behoudens wat betreft de beslissing over de ontvankelijkheid en het niet-vervallen verklaren van de hogere beroepen, alsook de aldus beperkte zaak verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen; - de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen heeft de partijen ge¬dagvaard tegen de rechtszitting van 28 juni 2019; - op 27 juni 2019 heeft de verzoekster akten van wraking neergelegd; - op 28 juni 2019 heeft de C1-kamer van het hof van beroep te Antwerpen vastgesteld dat gelet op het wrakingsverzoek de verrichtingen waren geschorst; - bij arrest C.19.0504.N van 21 november 2019 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat het wrakingsverzoek in werkelijkheid een vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter betrof en dat aangezien het verzoekschrift niet was ingediend ter griffie van het Hof van Cassatie, het verzoek kennelijk niet ontvankelijk was; - de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen heeft vervolgens de partijen gedagvaard tegen de rechtszitting van 6 maart 2020; - volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 6 maart 2020 werden conclusietermijnen bepaald en werd de rechtsdag voor de behandeling van de zaak vastgesteld op 16 september
- Uit artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt niet dat het Hof en zijn parket verplicht zijn eerst de door de verzoekster en haar moeder ingediende klachten te onderzoeken vooraleer zich te kunnen uitspreken over een eventuele kennelijke niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot onttrekking van de zaak wegens gewettigde verdenking.
- Volgens het opschrift van het verzoekschrift is de vordering tot onttrekking gesteund op wettige verdenking waarvan sprake in artikel 648, 2°, Gerechtelijk Wetboek.
- Artikel 648, 2°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. In strafzaken kan evenwel overeenkomstig artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering elke belanghebbende partij de verwijzing vorderen van de ene rechtbank naar de andere wegens gewettigde verdenking.
- Het door artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoek tot verwijzing van de ene naar de andere rechtbank vereist dat de verzoekster bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens aandraagt die, indien zij juist blijken te zijn, gewettigde verdenking kunnen meebrengen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid, die wordt vermoed, van alle magistraten waaruit het betrokken rechtscollege is samengesteld.
- De omstandigheid dat een partij zich niet kan vinden in de wijze waarop een magistraat zijn ambt in een welbepaalde zaak of welbepaalde zaken uitoefent of heeft uitgeoefend en daarom tegen die magistraat klachten formuleert, levert als dusdanig geen gewettigde verdenking op in de zin van artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Anders oordelen zou elke rechtsbedeling onmogelijk maken. In zoverre is het verzoekschrift tot onttrekking kennelijk onontvankelijk.
- Uit de gegevens vermeld in het verzoekschrift of waarnaar in dit verzoekschrift wordt verwezen, kan niet worden afgeleid dat geen enkele magistraat van het hof van beroep te Antwerpen wegens een gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid of een schijn daartoe nog kennis kan nemen van de zaak gekend onder nummer 2019/PGA/
- In zoverre is het verzoek tot onttrekking eveneens kennelijk onontvankelijk.
- In zoverre het verzoekschrift moet worden begrepen als een bij het Hof ingediende aangifte, is het Hof niet bevoegd om deze aangifte te ontvangen. Immers: - in zoverre de aangifte betrekking zou hebben op wanbedrijven of misdaden gepleegd buiten het ambt door magistraten van een parket-generaal bij een hof van beroep of de zetel van een hof van beroep en bij samenhang door andere magistraten of niet-magistraten, dient de in de artikelen 481 en 482 Wetboek van Strafvordering bedoelde procedure te worden gevolgd. De omstandigheid dat de verzoekster of haar moeder de minister van Justitie en de ambtenaren van het openbaar ministerie die reeds dergelijke aangiften mochten hebben ontvangen als verdachten bestempelt, heeft niet tot gevolg dat aan de in artikelen 481 en 482 Wetboek van Strafvordering bepaalde procedure kan worden voorbijgegaan en een aangifte rechtstreeks bij het Hof kan worden ingediend. Er blijkt niet dat de minister van Justitie enige aangifte heeft overgezonden aan het Hof; - in zoverre de aangifte betrekking zou hebben op misdaden gepleegd binnen het ambt door een of meer leden van een hof van beroep of door de procureur-generaal of zijn substituten bij een dergelijk hof en bij samenhang door andere magistraten of niet-magistraten, dient de in de artikelen 485 en 486 Wetboek van Strafvordering bepaalde procedure te worden gevolgd. Er blijkt niet dat de minister van Justitie enige aangifte heeft overgezonden aan het Hof. Er blijkt evenmin dat zij die beweren benadeeld te zijn door de misdaad verhaal op de rechter hebben genomen. Ten slotte is ook een incidentele aangifte niet mogelijk aangezien daarmee wordt bedoeld dat die aangifte een invloed moet kunnen uitoefenen op de beslissing in de zaak waarin ze wordt gedaan en het Hof hierboven heeft geoordeeld dat het verzoekschrift tot onttrekking niet ontvankelijk is. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoekschrift. Veroordeelt de verzoekster tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 8 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.29 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210908.2F.10 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241218.2F.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230524.2F.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240110.2F.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240306.2F.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240110.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div