← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.32 Rolnummer: P.20.0904.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-25 Raadplegingen: 629 - laatst gezien 2026-06-19 19:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche Hoewel het proces-verbaal van voorafgaande ondervraging van een inverdenkinggestelde in de regel wordt ondertekend door de onderzoeksrechter en de griffier en die ondertekening authenticiteit verleent aan het feit dat de inverdenkinggestelde werd ondervraagd en hij daarbij de vermelde verklaringen heeft afgelegd, leidt de afwezigheid van ondertekening door de onderzoeksrechter niet tot de nietigheid van die voorafgaande ondervraging en het op grond daarvan uitgevaardigde bevel tot aanhouding en is dit bevel tot aanhouding regelmatig indien het onderzoeksgerecht op basis van de stukken van de rechtspleging vaststelt dat de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde wel degelijk voorafgaandelijk heeft ondervraagd overeenkomstig artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Ondervraging van de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter - Ondertekening van het proces-verbaal van voorafgaande ondervraging - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0904.N O A, alias D, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Alexander Van Heeschvelde en mr. Jesse Van den Broeck, advocaten bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 augustus

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet: aangezien uit de stukken niet blijkt dat het proces-verbaal van ondervraging van de eiser door de onderzoeksrechter is ondertekend, blijkt evenmin dat de onderzoeksrechter hem voorafgaand aan het uitvaardigen van het aanhoudingsbevel heeft ondervraagd en derhalve niet is voldaan aan die substantiële vormvereiste, had het arrest de invrijheidstelling van de eiser moeten bevelen, wat het niet doet.
  3. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de onderzoeksrechter, tenzij de verdachte voortvluchtig is, alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen de inverdenkinggestelde ondervraagt over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en hem hoort in zijn opmerkingen. Bij ontstentenis van deze ondervraging wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.
  4. Hoewel het proces-verbaal van voorafgaande ondervraging van een inverdenkinggestelde in de regel wordt ondertekend door de onderzoeksrechter en de griffier en die ondertekening authenticiteit verleent aan het feit dat de inverdenkinggestelde werd ondervraagd en hij daarbij de vermelde verklaringen heeft afgelegd, leidt de afwezigheid van ondertekening door de onderzoeksrechter niet tot de nietigheid van die voorafgaande ondervraging en het op grond daarvan uitgevaardigde bevel tot aanhouding. Het bevel tot aanhouding is regelmatig indien het onderzoeksgerecht op basis van de stukken van de rechtspleging vaststelt dat de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde wel degelijk voorafgaandelijk heeft ondervraagd overeenkomstig artikel 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het arrest stelt vast dat het voorafgaand verhoor van de eiser werd ondertekend door de griffier, de eiser zelf en de tolk en dat dit niet wordt betwist door de raadsman van de eiser, de onderzoeksrechter in het bevel tot aanhouding verwijst naar de eerste ondervraging van 3 augustus 2020 en het proces-verbaal van ondervraging de aanwezigheid vermeldt van de onderzoeksrechter, de griffier, de eiser, de raadsman van de eiser en de tolk. Het oordeelt dat niet eraan kan worden getwijfeld dat de onderzoeksrechter op 3 augustus 2020 de eiser heeft verhoord vooraleer tegen hem een bevel tot aanhouding uit te vaardigen. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het bevel tot aanhouding regelmatig is en dat eisers verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling wordt verworpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 58,30 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en in openbare rechtszitting van 8 september 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.32 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231018.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.