← België

E. contra PDG-PROJECTS gcv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.10 Rolnummer: C.19.0280.N Zaak: E. contra PDG-PROJECTS gcv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige Invoerdatum: 2022-07-05 Raadplegingen: 798 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200911.1N.10 Fiches 1 - 2 Heeft de gerechtsdeurwaarder krachtens artikel 14 van de Betekeningsverordening het beroepen vonnis aan de eiseres betekend door verzending van het betekeningsexploot en de daarin vermelde stukken onder aangetekende omslag met ontvangstbevestiging naar het adres van de eisers in Nederland, dan volgt hieruit dat Nederland de aangezochte lidstaat is, zodat, krachtens artikel 9, eerste lid van voormelde Verordening de datum van betekening de datum is waarop de betekening overeenkomstig het Nederlandse recht is geschied

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 - Aangezochte lidstaat - Betekening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 - 13-11-2007 - Artt. 9, eerste, tweede en derde lid, en 14 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND Vrije woorden: Aangezochte lidstaat - Betekening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 - 13-11-2007 - Artt. 9, eerste, tweede en derde lid, en 14 Annotaties Publicaties: Limburgs Rechtsleven [Limb.Rechtsl.] - VANHELMONT, Pros; Noot 'De moeilijke spagaat van de grensoverschrijdende betekening: de dubbele toepasselijke wet en de dubbele datum' - 2021, nr. 1, p. 3-
  1. Tekst van de beslissing Nr. C.19.0280.N EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ DOMEIN SCHOLTESHOF bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 5611 EH Eindhoven (Nederland), Smalle Haven 99, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, tegen PDG-PROJECTS CommV, met zetel te 8450 Bredene, Sluizenstraat 175, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0568.867.485, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/
  2. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 14 november 2018 en 13 februari
  3. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 29 mei 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  4. Artikel 14 Verordening (EG) nr. 1393/2007 van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (hierna: Betekeningsverordening) bepaalt dat elke lidstaat de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan in een andere lidstaat verblijvende personen rechtstreeks door postdiensten kan doen verrichten bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze. Krachtens artikel 9, eerste lid, van voormelde verordening is de datum van betekening of kennisgeving de datum waarop betekening of kennisgeving overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied. Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat wanneer de betekening of kennisgeving van een stuk overeenkomstig het recht van een lidstaat echter binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking moet worden genomen, evenwel wordt bepaald door het recht van deze lidstaat. Krachtens het derde lid van deze bepaling zijn de vorige leden van toepassing op de wijzen van verzending en betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken overeenkomstig afdeling 2, met name op de betekening of kennisgeving per post.
  5. De appelrechters stellen vast dat de gerechtsdeurwaarder het beroepen vonnis aan de eiseres heeft betekend door verzending van het betekeningsexploot en de daarin vermelde stukken onder aangetekende omslag met ontvangstbevestiging naar het adres van de eiseres in Nederland, krachtens artikel 14 Betekeningsverordening. Hieruit volgt dat Nederland de aangezochte lidstaat is, zodat, krachtens artikel 9, eerste lid, Betekeningsverordening, de datum van betekening de datum is waarop de betekening overeenkomstig het Nederlandse recht is geschied.
  6. Artikel 56, vierde lid, Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat uitwerking geeft aan artikel 9, tweede lid, Betekeningsverordening, bepaalt dat wanneer de betekening binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, ten aanzien van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt, de datum van verzending door de gerechtsdeurwaarder in aanmerking wordt genomen. Uit dit artikel en de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling een uitzondering vormt op de hoofdregel dat, ingevolge artikel 9, eerste lid, Betekeningsverordening, de betekening ten aanzien van de geadresseerde pas voltooid is wanneer hij het stuk heeft ontvangen, zodat ten aanzien van de geadresseerde de datum van ontvangst in aanmerking wordt genomen.
  7. De appelrechters oordelen in hun arrest van 14 november 2018 dat krachtens artikel 40 Gerechtelijk Wetboek de betekening geacht wordt te zijn verricht door afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs en, in hun arrest van 13 februari 2019, dat aangezien de gerechtsdeurwaarder de stukken op 26 mei 2017 aan de postdiensten heeft overgemaakt tegen ontvangstbewijs, de termijn om hoger beroep in te stellen verstreken was op het ogenblik dat de eiseres op 25 juli 2017 hoger beroep instelde tegen de verweerster, zodat dit beroep laattijdig en derhalve niet toelaatbaar is.
  8. Door aldus ten aanzien van de geadresseerde als datum van betekening de datum van verzending door de gerechtsdeurwaarder in aanmerking te nemen op grond van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek, hoewel die bepaling krachtens artikel 9, eerste lid, Betekeningsverordening niet van toepassing is, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. In zoverre is het middel gegrond.
  9. De appelrechters oordelen in hun arrest van 13 februari 2019, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, dat het krachtens de Nederlandse wetgeving in samenhang met artikel 14 Betekeningsverordening voldoende is dat de aangetekende zending met ontvangstbewijs correct aan de geadresseerde werd aangeboden, zodat hij de stukken kon ontvangen, in het geval dat de geadresseerde de aangetekende zending niet heeft afgehaald.
  10. De appelrechters laten evenwel na de datum vast te stellen waarop de aangetekende zending met ontvangstbewijs correct aan de eiseres werd aangeboden en waarop zij die zending dus kon ontvangen. Door te oordelen dat de gerechtsdeurwaarder de stukken op 26 mei 2017 aan de postdiensten heeft overgemaakt tegen ontvangstbewijs en dat de eiseres het hoger beroep op 25 juli 2017 laattijdig heeft ingesteld, stellen de appelrechters het Hof aldus niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, zodat zij hun beslissing niet regelmatig met redenen omkleden. Zij schenden derhalve artikel 149 Grondwet. In zoverre is het middel gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest van 14 november 2018 in zoverre het uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het hoger beroep van de eiseres tegen de verweerster en het arrest van 13 februari
  11. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Maxime Marchandise en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 11 september uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200911.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.